Over mij

Mijn foto
De Brabant-Collectie is in 1837 in 's-Hertogenbosch opgericht door het Provinciaal Genootschap van Kunsten en Wetenschappen in Noord-Brabant en wordt sinds 1986 beheerd door de bibliotheek van Tilburg University
Posts tonen met het label 's-Hertogenbosch. Alle posts tonen
Posts tonen met het label 's-Hertogenbosch. Alle posts tonen

maandag 15 juni 2026

Een wonderlijk Mariabeeld en een sterk staaltje laatmiddeleeuwse marketing

Mei 2026 ligt alweer even achter ons. De maand die voor katholieken geldt als de Mariamaand vormt ook in ’s-Hertogenbosch een hoogtepunt in de Mariaverering. De blauwwitte Mariavlaggen kleuren elk jaar weer de straten van de stad. ’s-Hertogenbosch heeft dan ook een bijzondere band met Maria. De Zoete Lieve Vrouw van Den Bosch, het middeleeuwse Mariabeeld in de Mariakapel van de Sint-Janskathedraal, is geliefd onder de Bosschenaren en al eeuwenlang een trekpleister voor pelgrims van heinde en verre. In een recente aanwinst van de bibliotheek van de Brabant-Collectie komt de verering van dit Mariabeeld volop aan bod. Het gaat hier om het boek Leven met Maria. Een sociale geschiedenis van de verering van laatmiddeleeuwse miraculeuze Mariabeelden in ’s-Hertogenbosch, Amersfoort, en Scheut. In dit blog lichten we deze bijzondere studie graag uit.

Lianne van Beek, Leven met Maria. Een sociale geschiedenis van de verering van laatmiddeleeuwse miraculeuze Mariabeelden in ’s-Hertogenbosch, Amersfoort, en Scheut (Sidetone Press, Leiden, 2026).
Vindplaats: NGE L BEEK 2026

Miraculeuze Mariabeelden

Het boek betreft het promotieonderzoek van historica Lianne van Beek. In deze studie plaatst zij de Mariaverering aan de hand van Mariabeelden in de sociale context van de late middeleeuwen. Ze onderzoekt hoe de devoties rondom deze beelden in de laatmiddeleeuwse stad eruitzagen, functioneerden en zich ontwikkelden. Drie verschillende steden en hun Mariabeeld dienen hierbij als casestudy, zijnde: ‘s-Hertogenbosch, Amersfoort en Scheut. Van Beek behandelt deze steden in drie afzonderlijke hoofdstukken en sluit af met een overkoepelend hoofdstuk, waarin ze aan de hand van haar casestudies tot een ontwikkelingsmodel komt voor devoties in de late middeleeuwen.

Van Beek benadrukt de enorme omvang van de Mariaverering in de laatmiddeleeuwse samenleving; Maria was overal. Ze was een voorbeeld en een ideaal, maar tegelijkertijd benaderbaar voor iedereen in alle lagen van de bevolking. Dat juist Mariaverering zo vaak via beelden geschiedde, zou ermee te maken hebben dat Maria volgens de christelijke leer na haar dood ten hemel opgenomen werd. Hierdoor waren er, in tegenstelling tot veel anderen heiligen, weinig fysieke resten van haar overgeleverd die als reliek konden dienen. Dit gebrek aan primaire relieken zorgde ervoor dat men voor de verering van de moeder van Christus al snel aangewezen was op haar beeltenis. Mariabeelden werden daarbij vaak gezien als wonderdoeners. Bovendien werden de beelden niet gezien als objecten, maar als levende heiligen, waarmee men een relatie aan kon gaan.

Lianne van Beek schetst met haar onderzoek en zeer levendig beeld van de Mariaverering in de late middeleeuwen. Gezien het een wetenschappelijke publicatie betreft is het boek zorgvuldig geannoteerd, maar ook voor de liefhebbers die meer willen weten over dit onderwerp is het boek zeer leesbaar en zeker de moeite waard. In dit blog gaat de aandacht nu uiteraard uit naar het hoofdstuk over de Zoete Vrouw van ’s-Hertogenbosch.

Casestudy: De Zoete Vrouw van ’s-Hertogenbosch

Het is voor velen een bekend beeld. De Zoete Lieve Vrouw van ’s-Hertogenbosch te midden van een zee van kaarslicht in de Mariakapel van de Sint-Janskathedraal. Het 108 cm hoge eikenhouten Mariabeeld dateert van tussen 1270 en 1320 en is waarschijnlijk vervaardigd in het Maas-Rijngebied. Hoewel we tegenwoordig meestal spreken over “Zoete Lieve Vrouw” of Zoete Lieve Moeder” werd het beeld in middeleeuwse bronnen meestal “Onze Vrouwe” of “Zoete Vrouwe” genoemd. Van Beek geeft een beschrijving van de oorsprongslegende rondom het beeld zoals dit naar voren komt in een Middelnederlands gedicht dat terug te vinden is in het zogenoemde Mirakelboek van de Zoete Vrouw. Dit boek bestaat naast het gedicht uit een verzameling van 481 wonderverhalen rondom het beeld, die begin 17de eeuw tot één codex zijn samengevoegd. De oorsprongslegende zal menig lezer van dit blog bekend zijn. In 1380 wilde een jonge steenhouder tijdens een koude winter een verwaarloosd Mariabeeld verhakken en opstoken. De bouwmeester vond dit echter heiligschennis en hield hem tegen. Nadat het beeld gered was en na enige weerstand in de kerk werd geplaatst, waren veel mensen in eerste instantie sceptisch: ze vonden het maar een lelijk beeld en het werd zelfs met verf besmeurd. Een broeder genaamd Woutke nam het beeld onder zijn hoede en gaf het een mantel. Ook vond hij het Kindje Jezus terug dat oorspronkelijk op Maria’s arm gezeten moest hebben. Toch bleef het beeld vooral hoon ten deel vallen. Echter, naarmate er allerhande wonderen rondom het beeld geschiedden, groeide de belangstelling voor het beeld en kwam de verering op gang.Tot zover deze zeer beknopte versie, een uitgebreidere versie is te lezen in het boek van Lianne van Beek.
Voor haar onderzoek naar de verering van de Zoete Vrouw van ’s-Hertogenbosch heeft Van Beek veelzijdige bronnen gebruikt, zoals het reeds genoemde mirakelboek. Hierbij laat de auteur ook zien hoe dit tot stand is gekomen en hoe het proces van optekening van de wonderen mogelijk is verlopen. Daarnaast komen bijvoorbeeld ook pelgrimsinsignes, graven in de Mariakapel en archivalia aan bod. Aan de hand van de bronnen plaatst de auteur het beeld in een sociale context die zich steeds bleef ontwikkelen.
Zo wordt duidelijk dat de devotie voor de Zoete Moeder van ’s-Hertogenbosch, die eind veertiende eeuw klein op gang kwam, in hoog tempo uitgroeide tot waarschijnlijk de grootste Mariadevotie van de Lage Landen. De auteur schetst het beeld van een breed gedragen devotie voor iedereen, die op professionele wijze bevorderd werd door onder andere het stadsbestuur, de geestelijkheid en de sociale bovenlaag van de stad. De enorme populariteit en de toestroom aan pelgrims brachten de stad dan ook economisch veel voordeel. Opvallend is ook dat de Illustere Lieve Vrouwe Broederschap (in de volksmond bekend als de Zwanenbroeders) bijdroegen aan bevorderen van de verering van de Zoete Vrouw, terwijl zij zelf ook al een Mariabeeld in de Sint-Jan hadden.

Hoewel het boek zich vooral op de late middeleeuwen concentreert, is er ook aandacht voor de ontwikkelingen daarna. Na het Beleg van ’s-Hertogenbosch in 1629 volgde er namelijk een nieuw hoofdstuk in de devotie rondom de Zoete Vrouw. Toen het Spaanse katholieke gezag de stad uit handen moest geven aan de Republiek werd het Mariabeeld heimelijk de stad uit gesmokkeld en kwam uiteindelijk in Brussel terecht. Pas op 27 december 1853 kwam de Zoete Vrouw weer thuis in de Sint-Janskathedraal. De populariteit laaide weer op: er kwamen getuigenissen van nieuwe, door het beeld verrichte genezingen en ’s-Hertogenbosch groeide wederom uit tot een van populairste bedevaartsplaatsen van Nederland. Het is deze voortdurende levendige verering van dit Mariabeeld tot op vandaag de dag, stelt Lianne van Beek, wat de verering van de Bossche Zoete Vrouw zo bijzonder maakt.

Vindplaats: NGE L BEEK 2026


De Zoete Vrouw in de Brabant-Collectie

Ook in de Brabant-Collectie is de Zoete Lieve Vrouw van ’s-Hertogenbosch veelvuldig terug te vinden. In de collectie bevinden zich meerdere objecten rondom dit thema, zoals prenten, vaantjes en foto's, waarvan hieronder enkele voorbeelden. 
Op dit blog werd al eerder over de Bossche Mariadevotie en het Mariabeeld van de Zoete Lieve Vrouw van Den Bosch geschreven, dit kunt u hier teruglezen:

Blog: Maria in ‘s-Hertogenbosch
Blog: Stille Omgang oftewel Plechtige Bidtocht

F. van Valderen, Bedevaartsvaantje Zoete Lieve Vrouw van den Bosch bid voor ons, 1930. Lithografie. Brabant-Collectie, Tilburg University. Vindplaats: ML/131.34.2 Hert (3).


Zoete lieve vrouw van Den Bosch bid voor ons. Dit wonderbeeld van 1629 te Brussel bewaard is hersteld te 's-Hertogenbosch den 27 Dec. 1853, Ter herinnering aan de plechtige krooning bij gelegenheid van het 25-jarig jubelfeest van den terugkeer van het miraculeuze beeld uit Brussel, 1878. Houtgravure.
Brabant-Collectie
, Tilburg University. Vindplaats: ML / 131.33.2 Hert (1)


Plechtige omgang te 's-Hertogenbosch. Het miraculeuze beeld der Zoete Lieve Vrouw, prentbriefkaart, lichtdruk, uitgegeven door Boekhandel Adr. Heinen, 's-Hertogenbosch.
Brabant-Collectie, Tilburg University. Vindplaats: ML / 131.35.2 Hert (55)

maandag 4 mei 2026

Tekenlessen voor beginners in 1822

Regelmatig staan we in dit blog stil bij recent verschenen publicaties over de meest uiteenlopende Brabantse onderwerpen. Deze keer duiken we weer eens in de rijke verzameling oude drukken van de Brabant-Collectie en komen uit bij een publicatie uit 1822, getiteld: Grondbeginselen der Teekenkunst, in fragmenten naar de antieken (vindplaats: TRE 005 E 05). Wat het met Brabant van doen heeft, maakt de rest van de titelpagina duidelijk. Het boek is samengesteld door “H. Turken en A.A.E. van Bedaff, directeuren, etc. etc. aan de Stads Teeken- en Schilder-Akademie te ’s-Hertogenbosch”. En het boek werd gedrukt “ter Steenplaatdrukkerij van J.F. Demelinne”, in ’s-Hertogenbosch. Het is om meerdere redenen een bijzonder boek en verdient daarom hier de aandacht.
De samenstellers, Henricus Turken (Eindhoven 1791-1856 Luik) en Antoine Aloys Emmanuel van Bedaff (Antwerpen 1787-1829 Brussel), stonden na het overlijden van directeur Gerardus van Dinter in 1820 gedurende enkele jaren aan het hoofd van de Stadsacademie in ’s-Hertogenbosch.
 
Portret Henricus Turken, Lithografie, J.J. Eeckhout en G.P. van den Burggraaff. 
Vindplaats: P / T 43.5 (1)

Portret Antoine A.E. van Bedaff, Lithografie, J.J. Eeckhout en G.P. van den Burggraaff. 
Vindplaats: P / B 33 (1)

Turken was directeur-docent en Van Bedaff de ‘eerste onderwijzer in de handteekenkunde’. Het boek met de Grondbeginselen was bedoeld als lesmateriaal voor het tekenonderwijs, volgens de inleiding omdat er voor de “eerstbeginnende” leerlingen geen geschikte lesboeken voorhanden waren. En de boeken die er waren soms “te omslagtig waren om met eenig voordeel daarvan zich te kunnen bedienen”. In deze boekvorm en in een oplage van 200 stuks werden de tekenvoorbeelden ook aan niet-Academiestudenten beschikbaar gesteld.

Waar in veel boeken de afbeelding op de titelpagina een willekeurige versiering is, betreft het in dit geval niet enkel een illustratie.

Titelpagina van Grondbeginselen. Vindplaats: TRE 005 E 05

De veelzijdige symboliek wordt bij de ‘Verklaring’ zorgvuldig uit de doeken gedaan.
‘Verklaring der afbeeldingen’,  in: Grondbeginselen, met bovenaan ‘Titel-Vignet’. 
Vindplaats: TRE 005 E 05

De auteurs, of in dit geval beter ‘de tekenaars’, dragen het boek op aan ‘Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden, als Vereerster en Beschermster der Schoone kunsten’. Het gaat in dit geval om Wilhelmina van Pruisen, de kunstminnende echtgenote van koning Willem I. Na de inleidende pagina’s volgen 29 bladen met tekenvoorbeelden. Bij sommige gaat het heel basaal om het lijnenspel; bij andere is gekeken naar specifieke voorbeelden uit de antieke beeldhouwkunst. Het tekenen naar de antieken vormde lange tijd een belangrijk onderdeel van het academie-onderwijs.
Voorbeeld van het lijnenspel in Grondbeginselen. Vindplaats: TRE 005 E 05, Cr. I-No. III

Voorbeeld van klassieke portretten in Grondbeginselen: Venus d’Arles en Homerus. 
Vindplaats: TRE 005 E 05, Cr. Iv-No. III

Het boek met de vele afbeeldingen is als uitgave ook bijzonder vanwege het feit dat het een heel vroege publicatie in steendruk is. De lithografie had nog niet zolang daarvoor zijn intrede gedaan en J.F. Demelinne sr. had zich, komende uit Rotterdam, in 1821 als steendrukker in ’s-Hertogenbosch gevestigd. Hij was daarmee buiten de Randstad een pionier. Later werd hij ook als uitgever actief. Samen met zijn zoon J.F. Demelinne jr. heeft hij in deze periode veel boeken het licht doen zien.


Nog twee laatste opmerkingen:

Veel informatie over het kunstenaarsmilieu in ’s-Hertogenbosch in de eerste helft van de negentiende eeuw is bijeengebracht en beschreven in de alleen op internet te raadplegen publicatie van René Grémaux over Daniël Nederveen.

Een leuk detail komt uit de publicatie van R.A. van Zuylen over de Koninklijke School voor Nuttige en Beeldende Kunsten. Het is een lijst met medaillewinnaars uit de verschillende lesrichtingen in de jaren 1815-1858. Bij digitaliseringsprojecten worden uitklapbare bijlages in boeken vaak overgeslagen. Dit overzicht van uitgereikte medailles is interessant vanwege de veelheid aan bekende en onbekende (Brabantse) kunstenaars uit het begin van de negentiende eeuw.

'Tabel van de met medailles bekroonden in de hoogste klassen (…)', in: Zuylen, R. A. v. (1859). Gedenkboek der Koninklijke School voor Nuttige en Beeldende Kunsten, opgerigt te ’s Hertogenbosch in 1812, onder den naam van Académie Impériale et Royale de Peinture, Sculpture et Architecture. Kante. Vindplaats: CBM 359 B 21

Voor meer informatie:

Zuylen, R. A. v. (1859). Gedenkboek der Koninklijke School voor Nuttige en Beeldende Kunsten, opgerigt te ’s Hertogenbosch in 1812, onder den naam van Académie Impériale et Royale de Peinture, Sculpture et Architecture. Kante. Vindplaats: CBM 359 B 21

M.E. Hiemstra, ‘Van Keizerlijke Academie tot Koninklijke School. De ontwikkeling van het tekenonderwijs en de maatschappelijke behoefte aan dit type onderwijs in Den Bosch in de jaren 1812-1863’, in: Bijdragen tot de geschiedenis bijzonderlijk van het aloude Hertogdom Brabant 75 (1992) 37-62. Vindplaats: T 06303

Meijers, J., Tetteroo, C. A. M., & Stichting Hogeschool ’s-Hertogenbosch. (1993). O rijkdom van het onvoltooide : van Académie Royale tot Hogeschool ’s-Hertogenbosch : 1812-1992. Hogeschool ’s-Hertogenbosch. Vindplaats: BRA F3 MEIJ 1993

Paul Huys Janssen, ‘Een zelfportret van Henricus Turken’, in: In Brabant 4 (2013), nr. 6, 34-35. Vindplaats: T 10771

Vermeeren, K. (z.d.). Tekeningen door de Eindhovenaar Hendrik Turken 1791-1856 in het bezit van het Museum Kempenland te Eindhoven. Museum Kempenland. Vindplaats: CBM B 05241

maandag 26 februari 2024

Meebewegen: 150 jaar bouwen en aannemen in stad en samenleving

December 2023 verscheen naar aanleiding van het 150-jarig bestaan een boek over het bouwbedrijf Van den Bouwhuijsen uit ’s-Hertogenbosch. Hierin wordt een uitgebreide terugblik van de rijke historie van dit Bossche familiebedrijf gegeven. Aan de hand van 22 verhalen over bouwprojecten wordt de geschiedenis van het bedrijf verteld en tegelijkertijd ook de geschiedenis van ’s-Hertogenbosch als stad en samenleving. Het verhaal begint wanneer Martinus van den Bouwhuijsen zich inschrijft bij de Kamer van Koophandel in ’s-Hertogenbosch in 1873. De stad zit op slot en is in verval. De vestingwerken zijn nog een voorgeschreven bescherming tegen vijandelijke legers. Wanneer in 1874 de vestingstatus (de vestingwet) van ’s-Hertogenbosch wordt opgeheven, krijgt de stad ruimte om te bouwen. Vooraanstaande Bosschenaren willen gaan bouwen voor de armlastige klasse en langs de rand van de binnenstad worden arbeiderswoningen gebouwd. Er is veel werk en Martinus neemt ook veel aan, zoals onder andere het herstelwerk aan de vestingmuren en het onderhoud aan de kazernes en Fort Crèvecoeur. In 1900 bouwt Martinus zijn eerste villa, House Bouquet, aan de Stationsweg. Latere opmerkelijke bouwwerken zijn onder andere de nieuwbouw van de eerste C&A  op de hoek van de Pensmarkt en Schapenmarkt (1937), het PNEM gebouw (hoofdkantoor) aan de Vlijmenseweg (1956), het bankgebouw Van Mierlo en Zoon aan de Stationweg (1960), en het Guardianenhof, een in art-nouveau opgetrokken complex tussen de Dode Nieuwstraat en de Snellestraat (1999). Enkele andere wapenfeiten van het bedrijf zijn: diverse verbouwingen van bakkerij en lunchroom Jan de Groot aan de Stationsweg (sinds 1984); herstel van het stadspaleis Hof van Zevenbergen (1989); renovatie van Fort Orthen (1992); diverse restauraties aan de Sint-Catarinakerk aan het Kruisbroedershof (1997); diverse verbouwingen aan de Verkadefabriek (Boschdijkstraat) en de Azijnfabriek (Triniteitsstraat). De bouwactiviteiten, veelal ambachtelijk, van de vijf generaties Van den Bouwhuijsen hebben de afgelopen 150 jaar de bouwgeschiedenis van de stad gevolgd.

Vindplaats: BRA V3 GAAL 2023

maandag 13 november 2023

Onbeperkt Moustafa

Begin 2022 verscheen een inspirerend boek over het leven van Moustafa Makhlouf, oud-karatekampioen en personal trainer, die zich inzet voor mensen met een beperking. Zijn levensverhaal moet voor velen een voorbeeld zijn en laat zien hoe één persoon een verschil kan maken in de wereld. Hij zet zich in voor mensen die vaak worden gediscrimineerd en helpt hen om hun uitdagingen te overwinnen. Moustafa is een bijzondere man die niet denkt in beperkingen. De Nederlander met Marokkaanse roots coacht en begeleidt mensen met een beperking in een gewone sportschool in ‘s-Hertogenbosch. Zoals Ron die blind is, Mehmed en Yvette die het downsyndroom hebben, en vele anderen. Moustafa wil hen van alles laten beleven en ziet alleen wat mensen kunnen en niet wat hun beperkingen zijn. In het boek verteld Moustafa o.a. ook over de vele ups en downs in zijn leven, over zijn sportloopbaan, over discriminatie, maar ook over de mooie avonturen die hij beleeft met zijn beste vrienden. Wie leeft met een uitdaging is wat hem betreft een held. Een deel van de opbrengst van het boek gaat naar Challenge4Charity met als doel een centrum te starten waar mensen met en zonder een uitdaging samen helemaal gelijkwaardig zijn en kunnen samenkomen, praten en sporten.

Vindplaats: BRA H4 VERH 2022

maandag 19 september 2022

In Holland staat een huis. Hoe ik na vijftien jaar Nederlander werd

Afgelopen juni verscheen het autobiografisch boek, getiteld In Holland staat een huis, van de 30-jarige Bosschenaar Yosef Tekeste-Yemane. Hierin beschrijft hij zijn vlucht uit Ethiopië met zijn moeder en broertje in 1994, het 2-jarig verblijf in asielzoekerscentra, de fijne tijd in Putten op de Veluwe en de illegaliteit in ’s-Hertogenbosch, waarin het gezin daarna belandt. In ‘s-Hertogenbosch worden ze opgevangen door VAST (Vrouwen Actie Steunpunt, momenteel Stichting VESTA), een lokale stichting die opkomt voor vluchtelingenvrouwen en -kinderen. Het gezin komt in overvolle opvanglocaties in de Havenstraat, de Vughtse Isabellakazerne en Mariaoord, een klooster in Rosmalen. Het zijn barre omstandigheden waaronder zij leven, samen met vele anderen ongedocumenteerden. Yosef vertelt openhartig over de moeilijke tijd als jonge basisschoolleerling en de impact die het had op zijn leven. Lang accepteerde hij de situatie, maar aangespoord door zijn moeder besloot hij zelf in actie te komen na het Generaal Pardon in 2007. Hij mocht dan wel in Nederland blijven, maar kreeg geen paspoort omdat hij geen papieren had die zijn afkomst bewezen. Hij voelde zich een tweederangsburger en benaderde tv-presentatoren, redacties, politici en Peter R. de Vries. Door De Vries gaat het balletje rollen en komt zijn situatie onder de aandacht van de politiek. Het boek beschrijft de strijd die Yosef moest leveren en het succes ervan in 2021. Na 15 jaar is hij eindelijke Nederlander. Daarnaast kregen 10.000 vluchtelingen, die in een soortgelijke situatie verkeerden, ook een paspoort.

Vindplaats: BRA T4 TEKE 2022

woensdag 20 juli 2022

Besprenkeld met wijwater: Brabantse voertuigzegeningen

Niet alleen gebouwen en dieren, maar ook voertuigen werden gezegend in het katholieke zuiden. Een voertuigzegening (autozegening of -wijding) is het religieus zegenen van een voertuig. Oorspronkelijk vooral bedoeld voor auto’s, maar ook fietsen, brommers, motoren, bussen, vrachtauto’s en zelfs tractoren worden ingezegend ter voorkoming van ongelukken. Of het ook echt helpt? Daarover is men nog niet helemaal uit, maar het kan zeker geen kwaad. De eerste keer dat ik zelf dit fenomeen aanschouwde, was in mei 1992 in Rome. In dit geval liet een (bij)gelovige Italiaan zijn spiksplinternieuwe auto zegenen.

Dit bijgeloof stamt in Brabant al uit de jaren twintig, maar in vele plaatsen, zoals in Tilburg, is de traditie alweer verdwenen. In Hoeven, Elsendorp en Reusel vindt de inzegening van automobilisten nog steeds plaats. Vaak is de autozegening verbonden met de verering van de heilige Christoffel. Hij is de patroon-/beschermheilige van de reizigers. Velen dragen ook een medaille met zijn beeltenis bij zich. De inzegening vindt meestal plaats op of omstreeks 24 juli, de naamdag van Christoffel. Vaak spreekt de priester daarbij de volgende woorden uit: “Moge God u zegenen en u behouden doen thuiskomen”.

Christoffelprentje aangeboden bij gelegenheid van de autozegening door de chauffeursvereniging Reusel en de parochie O.L.Vr. Tenhemelopneming Reusel. Ongedateerd. (Brabant-Collectie, Tilburg University)

Autozegening voor de Sint-Jan de Doperkerk te Hoeven, juli 2003.
Foto: Kerkbestuur Hoeven. (Brabant-Collectie, Tilburg University)
Zo werd onlangs in maart 2022 bij de Sint-Servatiuskerk in Heeswijk-Dinther het wielerseizoen geopend met een heuse fietszegening door norbertijn en voormalig pastoor Joost Jansen, zelf een fervent wielrenner. Vanaf 2006 wordt het evenement georganiseerd door wielervereniging TWC De Kachelders. Al 16 jaar lang een traditie! 

Tot op heden heb ik slechts twee fietszegeningen in de verzameling van de Brabant-Collectie aangetroffen.

Op wielrennersbedevaart naar O.L.V. Den Bosch. Het inzegenen van West-Brabantse wielrenners in                      ’s-Hertogenbosch, 19 februari 1956.
Foto: R.K. Fotopersbureau Het Zuiden, ’s-Hertogenbosch. (Brabant-Collectie, Tilburg University)

Ook in Eersel legde fotograaf Gaston Remery in 1960 het inzegenen van wielrenners op de gevoelige plaat vast. Voorafgaand aan een grote wedstrijd werden 's morgens na afloop van de heilige mis op het Kerkplein de jonge wielrenners met hun fiets gezegend. 

Inzegenen van wielrenners, Eersel, 1960.
Foto: Gaston Remery. (Brabant-Collectie, Tilburg University)
ONLANGS VERSCHENEN: deze bijdrage van Emy Thorissen is gepubliceerd in nummer 240 van het tijdschrift Devotionalia.

Cover tijdschift Devotionalia

maandag 14 februari 2022

Ooit: Oeteldonk in de 21ste eeuw door de camera van Marc Bolsius

Afgelopen november verscheen een bijzonder fotoboek over het carnaval in Oeteldonk, zoals ’s-Hertogenbosch in carnavalstijd wordt genoemd. ‘Ooit’ biedt een bijzondere kijk op de manier hoe in de 21ste eeuw carnaval in Oeteldonk gevierd wordt. Zoals het carnavalsspel met zijn protocollen, evenementen en hoofdrolspelers. Met grote bijeenkomsten, met tranen van vreugde en verdriet en met veel pracht en praal. Het is een feest met eigen regels en unieke tradities. Van Kwekfestijn en 11-11 tot de intocht, de optocht en het begraven van Knillis op dinsdagavond. Fotograaf en maker van het boek Marc Bolsius laat zien dat carnaval iets anders is dan het zuipfeest zoals boven de rivieren gedacht wordt. Het is een feest van verbroedering en ontmoeting. ‘Ooit’, de titel van het fotoboek, verwijst naar een van de meest gezongen carnavalsliederen in Oeteldonk tijdens carnaval, het Jubileumlied uit 2003 ter gelegenheid van 11X11 jaar Oeteldonk van Ad en Caroline Siemons.
Het is een prachtig boek geworden met mooie beelden van Oeteldonk zoals het ooit was en hopelijk ooit weer zal worden…

Vindplaats: BRA Z6 BOLS 2021

maandag 20 december 2021

Tydingen die belang hebben. 250 jaar Brabants Dagblad 1771-2021

Vorige maand verscheen het boek 'Tydingen die belang hebben' ter gelegenheid van het 250-jarig bestaan van het Brabants Dagblad. Op 2 juli 1771 begint, met de 's Hertogenbossche Dingsdagse en Vrydagse Courant, de 250 jaar geschiedenis van het Brabants Dagblad toen in ’s-Hertogenbosch de eerste Brabantse krant verscheen. De oudste kranten waren nog saai, hadden een kleine oplage en waren bedoeld voor de notabelen. Aan het eind van de 19e eeuw werden de oplages hoger en richtte men zich ook meer tot het volk. In de afgelopen eeuwen veranderde de krant van vorm en naam. Vaste rubrieken, sport-, regionaal- en plaatselijk nieuws, foto’s en puzzels. Meer en meer werd het een ‘moderne’ krant. Kranten volgden elkaar snel op en werden samengevoegd. In 1910 is er de eerste grote dagbladfusie in Brabant. Het Huisgezin gaat samen met de Noord-Brabanter-Noordbrabants Dagblad. In 1941 werd door de Duitsers een fusie afgedwongen tussen de twee grote Brabantse Nieuwsbladen: Het Provinciale Noordbrabantsche en 's Hertogenbossche Courant en Het Noordbrabants Dagblad-Het Huisgezin. De krant blijft katholiek, maar wordt meer een spreekbuis van de Duitsers. Opstandige redacteuren verzetten zich tegen de overheid en kerk. Na de Tweede Wereldoorlog hebben de kranten niets meer te maken met de katholieke censor die alles schrapt wat de katholieke kerk niet aanstaat, maar de invloed van de kerk op de inhoud blijft. Vanaf 1959 gaat de krant verder als Brabants Dagblad en is het officieel geen katholieke krant meer.
De Brabant-Collectie bezit de originele Bossche kranten vanaf 1771. Deze zijn vanwege de kwetsbaarheid helaas niet raadpleegbaar. Wel zijn de kranten grotendeels gedigitaliseerd en te vinden op Delpher, met een 
alfabetisch overzicht van alle beschikbare kranten via deze link.

Vindplaats: BRA R ZUIJ 2021

maandag 15 maart 2021

Jules David: een Franse fotograaf, actief in Noord-Brabant

Soms word je door het lezen van een artikel aangespoord om in de Brabant-Collectie te gaan zoeken naar raakvlakken met het onderwerp van het gelezen artikel. Dit was het geval met een artikel van Ingrid M.H. Evers. De auteur werd geboren in de voormalige gemeente Roosendaal en Nispen, maar is wat haar veelzijdige onderzoek en publicaties betreft met name in Limburg actief. Geschiedenis van de fotografie is een van haar speerpunten. Ze schreef een artikel over negentiende-eeuwse schoolfoto’s van de Franse fotograaf Jules David dat verscheen in De Maasgouw (jaargang 139, 2020, nr. 4, 120-125), het kwartaalblad van het Koninklijk Limburgs Geschied- en Oudheidkundig Genootschap. In de bijdrage, met uiteraard vooral aandacht voor Limburgse aspecten en voorbeelden, zijn ook Brabantse aanknopingspunten opgenomen. Deze trokken onze aandacht; de vraag die na lezing van het artikel direct opborrelde, was of van deze fotograaf ook werk in de Brabant-Collectie is opgenomen. En dat bleek het geval… Maar eerst iets meer over de fotograaf.

De bijdrage van Evers leert dat fotograaf Jules David (1848-1923) het grootste deel van zijn carrière werkzaam was in en vanuit Levallois bij Parijs. David reisde voor zijn werk door heel Europa en was, getuige de grote hoeveelheid negatiefnummers, bijzonder productief. Hij werkte in de meeste gevallen in opdracht. Belgische bisschoppen, paus Leo XIII in het Vaticaan, maar ook Noorse brandweerlieden, Zweedse spoorwegambtenaren en zijn beroemde plaatsgenoot Gustave Eiffel verschenen voor zijn camera. Hij introduceerde in het schooljaar 1879-1880 de professionele schoolfotografie in Nederland. Zijn fotografische specialisme bracht hem ook in Noord-Brabant. In het artikel van Evers is een voorlopige lijst opgenomen van Nederlandse plaatsen waar David actief is geweest. De Brabantse opleidingen waar hij gefotografeerd heeft zijn de Rijksleerschool in Den Bosch (1880), pensionaat Nazareth in Uden (1896-1897), en in Breda kleinseminarie De Ypelaar (1880), de Departementale School voor meisjes (1908) en de Koninklijke Militaire Academie.


Binnenplaats van de KMA in Breda (1890-1891)
Fotograaf: Jules David
Vindplaats: pbk-B 83 / 231.12 (4)

Achterzijde van de prentbriefkaart

Van deze laatste locatie, de KMA in Breda, zijn in de Brabant-Collectie twee voorbeelden te vinden van werk van Jules David. In beide gevallen betreft het echter geen groepsportretten, maar zijn het documentaire foto’s met onderdelen van het KMA-gebouw. Op een prentbriefkaart is de binnenplaats gefotografeerd. Linksonder is aangegeven wie de fotograaf is: ‘J. David, phot. Levallois-Paris’. Rechts van de afbeelding is de voorzijde helemaal volgeschreven. De achterkant is volledig bestemd voor de adressering. De prentbriefkaart is op 18 november 1901 gestempeld. Afgaande op een gedateerde groepsfoto in het Rijksbureau voor Kunsthistorische Documentatie in Den Haag waarop het bestuur van de cadettensociëteit van de KMA is vastgelegd, was David in ieder geval in 1890-1891 bij de KMA.
Wapenkamer van de KMA in Breda (1890-1891)
Fotograaf: Jules David
Vindplaats: B 83 / 231.21 (5)

Interessanter is bovenstaande foto waarop een interieur te zien is met op de vloer, in vitrinekasten en aan de muur tal van wapentuig (pistolen, sabels, harnassen, kleine affuiten, etc.). Vijf mannen in uniform zijn zodanig tussen de wapens opgesteld dat het totaalbeeld het karakter van een pronkfoto heeft. Rechtsonder, tussen de wielen van een voertuig voor zwaarder geschut, staat het negatiefnummer 304382, dat op de achterzijde nogmaals wordt vermeld. Rechtsboven is een amandelvormig blindstempel aangebracht. Op de rand is te lezen: ‘Reproduction Interdite’. Centraal wordt de fotograaf bekend gemaakt: J. David. Hoewel op de achterzijde in potlood ‘1912’ staat vermeld, mag worden aangenomen dat deze foto tijdens hetzelfde bezoek in 1890-1891 is gemaakt.

De Franse prentbriefkaart en foto in de Brabant-Collectie smaken, samen met de voorbeelden in andere archieven, naar meer. Wellicht dat er bij nadere inspectie en diepere ontsluiting meer Brabantse foto’s van Jules David opduiken. Ingrid Evers zet haar onderzoek naar de fotograaf in ieder geval voort en wordt graag (via een reactie op dit blog) geïnformeerd.

Vindplaats: T 07330

maandag 31 augustus 2020

(Bio)grafische bijzonderheden: Hultman en de Physionotrace

Op 15 april 1820 hield notaris Jan F.M. Ganderheyden (1787-1851) voor de Bossche afdeling van de Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen een toespraak. Deze werd gehouden ter nagedachtenis van Carl Gerard Hultman (1752-1820) die op 7 maart was overleden. Hultman was een veelzijdig man die in verschillende delen van het land en op uiteenlopende posities zijn sporen had verdiend. Hoewel zijn naam tegenwoordig weinigen bekend in de oren zal klinken, was het in zijn tijd toch een man van naam en faam. Wij kunnen een goed beeld van hem krijgen dankzij de toespraak van Ganderheyden die door de Bossche drukker en uitgever Hendrik Palier (1785-1853) in 1820 werd uitgebracht. Hultman werd in 1814 aangesteld als de eerste Commissaris van de Koning (‘Gouverneur’) van de nieuwe provincie Noord-Brabant. Dat deze niet-Brabander het hoogste ambt ging bekleden in de provincie waar katholieken en protestanten opnieuw moesten uitvinden hoe ze zich tot elkaar moesten verhouden, lijkt een ‘polder-oplossing’ avant la lettre. Hij heeft zich in die eerste jaren van Noord-Brabant vooral beziggehouden met de inrichting van het lokale en provinciale bestuur. In 1819 ging echter zijn gezondheid achteruit en in januari 1820 werd hij eervol uit zijn ambt ontslagen. Twee maanden later overleed Hultman. Bij leven was Hultman een verwoed verzamelaar van (post)incunabelen. Diverse door Hultman met de hand geschreven bronnen, maar ook gedrukte publicaties uit zijn tijd als gouverneur bevinden zich in de bibliotheek van Tilburg University.

Een postuum (fictief) portret van Hultman hangt in de zaal van Gedeputeerde Staten van het Provinciehuis in ’s-Hertogenbosch. Een eigentijds portret treffen we aan op de titelpagina van de publicatie van de toespraak van Ganderheyden. Deze pagina is, net als een geïsoleerd portret van Hultman, opgenomen in de Topografisch Historische Atlas van de Brabant-Collectie die via BCFinder te raadplegen is (vindplaatsen: P / H 91 (2) en P / H 91 (1)). Voor deze portretten is een bijzondere grafische techniek gebruikt waar de rest van dit blog over gaat: de physionotrace (= gelaatstekenaar). Hoe gaat deze techniek in zijn werk en waar komt ze vandaan?

Titelpagina van de redevoering ter nagedachtenis van C.G. Hultman.
Bij de opmaak van de titelpagina was geen rekening gehouden
met de buitenrand van de koperplaat. Vindplaats: P / H 91 (2)

De detaillering van dit tweede portret van Hultman is ten
opzichte van het eerste anders uitgewerkt. Vindplaats: P / H 91 (1)

Eeuwenlang is een geschilderd portret voor de bovenklasse een belangrijk middel geweest om zich te onderscheiden van de rest van de bevolking. De betaalbaarheid van een goed gelijkend portret komt echter in de loop van de achttiende eeuw onder druk te staan en men – ook de bourgeoisie – gaat op zoek naar goedkopere mogelijkheden. Het gegraveerde portret wordt voor veel meer mensen bereikbaar. Maar ook binnen dit genre wordt gezocht naar met name tijdbesparende methodes. De physionotrace is zo’n oplossing. Met een mechanisch hulpmiddel, de ‘profielmachine’, wordt het portret van het model – altijd en profil – overgezet op een etsplaat. De afstand van het model tot het apparaat en de positie van de stift bepalen de schaal van het uiteindelijke beeld. Als het profiel met behulp van de etstechniek eenmaal op de koperplaat staat, kunnen details als ogen, kleding etc. worden aangebracht. Ook wordt de achtergrond bewerkt, waardoor de physionotrace in eerste instantie meer de indruk van een gewassen pentekening krijgt. Het grote voordeel van deze techniek is dat één keer model zitten voldoende was.

De gedachte achter de physionotrace en de totstandkoming ervan zijn uitgedacht door Gilles-Louis Chrétien (1754-1811) in 1787. Hij was aanvankelijk muzikant in de kapel van de koning in Versailles, maar legde zich later toe op de grafische kunst. Hij werkte vanuit Parijs, wat ook staat vermeld in het randschrift van het portret van jonkheer Mr. F.X. Verheijen: ‘Dess. et. gr. p. Chretien inv. du Physionotrace rue St. honoré en face de l'Oratoire No. 152’.

Jonkheer Mr. F.X. Verheijen liet zich op jonge leeftijd (ca. 30 jaar)
in de techniek van physionotrace vastleggen. Vindplaats: P / V 39.5 (1)

Dit portret (vindplaats: P / V 39.5 (1)) is in de Brabant-Collectie aanwezig omdat Verheijen (1779-1851) van 1814 tot aan zijn dood griffier was van Provinciale Staten van Noord-Brabant. In het randschrift maakt Chrétien nadrukkelijk reclame voor zichzelf als bedenker van de physionotrace; hij noemt zelfs de straat waar je zijn zaak kunt vinden. Opvallend genoeg blijft de plaatsnaam (Parijs) achterwege. Na enkele jaren samengewerkt te hebben met Edmonde Quenedey (1756-1830) gaan beiden voor zichzelf verder. Na de dood van Gilles-Louis Chrétien wordt diens zaak voortgezet door (Etienne?) Bouchardy (werkzaam van 1808-1840). En het is Bouchardy die we in het randschrift van het portret van Hultman aantreffen.

Het is aanlokkelijk te bedenken dat Hultman en Verheijen, die in dezelfde periode actief waren voor de Provincie Noord-Brabant, met elkaar gesproken hebben over die in Frankrijk in zwang zijnde manier van portretteren. Want de techniek van de physionotrace heeft in de eerste decennia van de negentiende eeuw behoorlijk wat aanhang gekend, ook in Nederland. Het betekende voor velen toch de relatief eenvoudige en goedkopere mogelijkheid tot het verkrijgen van een eigen portret. Vanaf ongeveer 1830 werd de physionotrace ingehaald door de lithografie en niet veel later door de fotografie, een nog meer gemechaniseerde mogelijkheid om je portret vast te laten leggen.

Bronnen:

maandag 25 mei 2020

Wandelen in de omgeving van ’s-Hertogenbosch; 10 dagwandeltochten tussen de Maas en Boxtel, Rosmalen en Vlijmen


In deze coronatijd aandacht voor een onlangs verschenen wandelgids met 10 wandelingen van de Paadjesmakers rondom ’s-Hertogenbosch. Het is een gevarieerd aanbod van wandelingen door de omgeving van ’s-Hertogenbosch met ook aandacht voor de geschiedenis van het landschap en zijn bebouwing. De routes gaan door natuurgebieden en agrarische gebieden, door moderne maar ook door typisch Bossche wijken, door rustige en bijzondere plekken en eindigen veelal in of vlakbij de Bossche binnenstad. Het moerassig gebied rond de stad en de beekdalen van de Aa en de Dommel vormen een mooi decor voor de wandelroutes. 

Vindplaats: BRA H4 PAAD 2020

maandag 8 juli 2019

P.L. van Kessel, een spoorloos verdwenen belangrijke Brabander

Ex libris, geplakt in de Oeuvres complètes (1821) van J. Delille
TRE 11 B 5
'Eens, eens vergeldt de Heer hunne ondeugd aan de boozen;
Hunne eigen' snoodheid wordt hun graf:
Jehova, onze God, verplet die goddeloozen,

En wendt de geselroe van zijne dienaars af.'

Van de dichtregels van Petrus Ludovicus van Kessel zullen waarschijnlijk weinig lezers blijmoedig worden. De dichter gebruikt zinsneden als 'foltrend leven', 'moordend staal', 'jammerend geblaar' en 'zielverscheurend kermen'. Toch vond deze sombere poëzie kennelijk aftrek. In 1826 verscheen bij de Bossche uitgever J.J. Arkesteyn een eerste bundel van Van Kessels gedichten voor katholieken, in 1831 gevolgd door een tweede deeltje. De 2e, vermeerderde druk, werd in 1842 gepubliceerd door uitgever Petrus Stokvis (1803-1881): Gedichten voor Roomsch-Katholijken, door P.L. van Kessel, R.K. priester. Stokvis was werkzaam in Den Bosch, en wel in de Verwerstraat 28. Het boek kostte 1 gulden. Van Kessel liet zijn dichtbundel voorafgaan door een citaat over geloof en dichtkunst van de Franse dichter Édouard Turquety (1807-1867). Een opmerkelijke keuze, want de vrolijke, lichtvoetige poëzie van Turquety lijkt in niets op de zwaarmoedige teksten van Van Kessel. 
Petrus Ludovicus van Kessel werd in Eindhoven geboren op zaterdag 26 januari 1793, vrijwel exact negen maanden na het huwelijk van zijn ouders, Guilielmus van Kessel (1762-1822), dokter van beroep, en Theresia Pijpers (1766-1841).
Een belangrijke bron voor biografische gegevens over P.L. van Kessel is J.A. Coppens, Nieuwe beschrijving van het bisdom van 's Hertogenbosch dl.1, (1840). Volgens Coppens werd de 22-jarige Van Kessel in 1815 als 'eerste professor in de wijsbegeerte' aangesteld op het kleinseminarie Veebeek bij Berlicum dat door Antonius van Gils (1758-1834) was gesticht in april van dat jaar. Tot de eerste leerlingen behoorden G.P. Wilmer (1800-1877) uit Boxtel, de latere bisschop van Haarlem, en de hierboven vermelde J.A. Coppens (1800-1850). Mogelijk zijn beiden zelfs oudleerlingen van de jeugdige professor Van Kessel geweest. Het kleinseminarie verhuisde in 1817 naar een nieuw gebouw op het landgoed Beekvliet bij Sint-Michielsgestel.
Van Kessel is acht jaar als docent verbonden geweest aan het kleinseminarie. In 1823 gaat hij terug naar zijn geboortestad en wordt daar rector van de Latijnse school. Hij blijft er tot 1830. Over die jaren als Eindhovense rector is niets bekend. Van Kessel duikt vervolgens op in Oudenbosch, waar hij in 1830 een Latijnse school sticht die op 7 oktober opent, met lessen in Latijn, Grieks en Frans. Deze zogeheten 'kweekschool' was kennelijk een succes, want 'superior' Van Kessel moest door de aanwas van leerlingen in 1835 uitwijken naar een groter pand, en wel aan de Markt 68. Vier jaar later werd zijn school echter opgeheven. Het pand aan de markt werd overgenomen door het bisdom Breda dat er een kleinseminarie in vestigde. Op maandag 12 augustus 1839 nam de bevolking van Oudenbosch diep ontroerd afscheid van hun 'geliefden superior'. Hij ontving een zilveren tabaksdoos, waarin gegraveerd: 'Souvenir de vos disciples 1839'. Volgens Coppens is Van Kessel toen naar Den Bosch vertrokken. De groene treurbeuk die nu nog in het arboretum van Oudenbosch staat, is overigens nog door Van Kessel zelf in 1839 geplant.
In 1842 bewerkte Van Kessel een heruitgave van zijn in 1823 verschenen De voortreffelijkheid der katholieke godsdienst en in 1868 verscheen in Antwerpen zijn metrische bewerking van De imitatione Christi. Verder is tot nog toe geen spoor teruggevonden van deze dichtende priester die voor het Brabantse onderwijs toch bepaald niet onbelangrijk is geweest.
Petrus Ludovicus van Kessel, van wie dus vooralsnog geen sterftedatum bekend is, was een productief auteur, dichter en vertaler. Zijn eerste boek verscheen in 1817: Grondbeginselen der Latijnsche taal, Den Bosch, J. Coppens en Zoon, 1817 (alleen aanwezig in de UB Nijmegen). Daarna volgden nog twintig publicaties (inclusief herdrukken), alle, op twee na, aanwezig in de Universiteitsbibliotheek Tilburg.

De Brabant-Collectie bezit een heel bijzonder exemplaar van Van Kessels Gedichten voor Roomsch-Katholijken (2e druk, 1842).
Titelpagina
KOD 1842 'S HERT 4
Het is een fraaie uitgeversband (157x102x22 mm) van blindbestempeld rood calico. Op de randen van beide platten een verguld kader. De platkanten en de sneden zijn verguld en de kapitaalbandjes zijn in wit en blauw. De schutbladen zijn van bruin kiezelmarmer sierpapier.

Kiezelmarmer sierpapier
Op het voorplat centraal het alziend oog en op het achterplat een kelk met hostie in stralenkrans.
Uitgeversband van Gedichten voor Roomsch-Katholijken
KOD 1842 'S HERT 4
Het boek is een presentexemplaar van de auteur zelf! Op het voorste schutblad heeft de dichter geschreven: 'Uit achting, vriendschap en erkentelijkheid, P.L. van Kessel'. Wanneer hij het boek cadeau heeft gegeven, is niet bekend. Wel is de enige eigenares bekend omdat zij gelukkig de voorste en achterste schutbladen heeft vol gekliederd met haar naam: Anna van Rooij.
Door Anna de Rooij beschreven schutbladen 
Dankzij haar aantekening op het achterste schutblad dat zij 45 jaar oud was in 1881, is vrij zeker dat zij de Anna van Rooij moet zijn geweest die werd geboren op 2 maart 1836 in Vught. Anna was dus pas 3 jaar oud toen Van Kessel uit Oudenbosch vertrok. De vraag is natuurlijk: wat is de connectie Anna van Rooij en Petrus Ludovicus van Kessel? Is Anna slechts een latere eigenares van de bundel of kenden zij elkaar inderdaad? Zo ja, wanneer schonk hij haar dan zijn gedichtenbundel? Deed hij dat toen hij in Den Bosch woonde? Hoe kan het dat een priester die zo actief in het Brabantse onderwijs is geweest, op zijn 46e zo spoorloos is verdwenen?

maandag 12 november 2018

De fabriek in de etalage. De Gruyter: opkomst, bloei en ondergang van een systeem.

Ter ere van het tweehonderdjarig bestaan van de Gruyterfabriek werd het boek ‘De fabriek in de etalage’ opnieuw uitgegeven. Het vertelt de bijzondere geschiedenis van grootgrutter De Gruyter, ooit de grootste werkgever van ’s-Hertogenbosch. Het verhaal begint in 1818 met de oprichting van een grutterijhandel die de basis werd van het kruideniersconcern, bekend als De Gruyter. Het werd de grootste kruidenier van het land en stond bekend om zijn prachtige, gedecoreerde winkels met luxe interieurs in de centra van de steden en het ‘Snoepje van de Week’. Het ging lang goed met De Gruyter, maar begin jaren zestig, met de opkomst van de supermarkten, gaat het mis. De aansluiting met de veranderende omstandigheden wordt gemist en het concern gaat ten onder. In 1982 sluit de fabriek aan de Veemarktkade. De rode draad die door het boek loopt is ‘Wat waren de eigenschappen van het bedrijf die de succesfactoren en valkuil konden zijn’. Ook is er aandacht voor de hedendaagse Gruyterfabriek als creatieve hotspot die sinds 2012 huisvesting biedt aan meer dan 185 bedrijven en kunstenaars. Het is een voorbeeld van industrieel erfgoed dat een nieuwe bestemming gevonden heeft. 

Vindplaats: BRA V3 GAAL 2018

maandag 25 juni 2018

140 jaar geleden: de geliefdste bloemen

In 1876 startte de Duitse uitgever Moritz Ruhl in Leipzig met de uitgave van een boek over de populairste bloemen van dat moment. Het boek, Die beliebtesten Blumen und Zierpflanzen, verscheen in afleveringen. Vierentwintig afleveringen van gemiddeld 15 bladzijden met één gekleurde litho van de besproken bloem. Alleen de afleveringen 23 en 24, waarin de roos wordt beschreven en die als één geheel verschenen, bestaan uit 50 bladzijden en twee gekleurde litho’s.



In Nederland was de publicatie van de Duitse afleveringen niet onopgemerkt gebleven. Al op 19 september 1876 liet W.C. van Heusden zijn recht op de vertaling registreren bij de in Amsterdam gevestigde Commissie tot regeling van het vertalingsrecht. De registratie kostte hem 10 gulden. Willem Constant van Heusden (1836-1917) was drukker en uitgever in 's-Hertogenbosch. Zijn “magazijn en fabriek” stonden aan de Zuid-Willemsvaart, nr. C 353. Volgens de vanaf 1875 verschijnende advertenties, produceerde Van Heusden kantoor- en schrijfboeken, bijvoorbeeld agenda’s en bonboekjes. In een advertentie van 26 november 1875 somt Van Heusden zijn competenties op, waaronder drukken in kleur en het maken van stempelbanden. Dat laatste wekt de indruk dat in zijn fabriek ook een boekbinderij aanwezig was. Van Heusden publiceerde sinds 1868 ook het tijdschrift De Praktiserende Geneesheer, maar ook de werken van de conservatief-katholieke Bossche rechter Franciscus van Zinnicq Bergmann (1807-1879), onder andere diens proefschrift in 1862.
Voor het geplande boek over de populairste bloemen vond Van Heusden een vertaler in de Tilburger Antonius Hendrikus Kerstens (1846-1937). Over Kerstens is weinig of niets bekend. Vermoedelijk was hij gerelateerd aan de eigenaren van de Tilburgse firma J.A.A. Kerstens, een lakenfabriek aan de Langestraat 25. Vandaar waarschijnlijk dat het portret van Antonius Kerstens te vinden is in het TextielMuseum in Tilburg (objectnr. 05177; geen foto beschikbaar).
Kerstens vertaalde de Duitse afleveringen voortvarend, want al in januari 1877 begonnen de Nederlandse afleveringen bij Van Heusden te verschijnen. Bij intekening was de prijs 45 cent per aflevering.
In 1878 werd het geheel gebonden in een fraaie uitgeversband van lichtblauw calico (202 x 138 x 15 mm), voorplat in zwart en goud, achterplat blind bestempeld; kapitaalbandjes in rood en wit, sneden onbehandeld, beige dek- en schutbladen. Prijs f 4,50. De boekband bevat geen boekbindersetiket, is ook niet gesigneerd, maar zal ongetwijfeld in Den Bosch zijn vervaardigd, waarschijnlijk in de eerder vermoede boekbinderij van Van Heusden zelf.


Het boek, getiteld Keur van bloemen en sierplanten, is net als de Duitse editie anoniem verschenen. Het bevat tien afleveringen en dus ook tien prachtige, maar helaas niet gesigneerde litho’s. De afbeeldingen zijn identiek aan die van de Duitse uitgave.
Tot eind vorig jaar waren er slechts twee exemplaren van dit fraaie boek in het bezit van Nederlandse bibliotheken. De Brabant-Collectie verwierf vorig jaar het derde exemplaar! Keur van bloemen en sierplanten is niet alleen een erg mooi boek, maar ook een belangrijk boek. Het werpt licht op het boekenfonds en de werkzaamheden van de Bossche drukker-uitgever W.C. van Heusden en het licht mogelijk een sluier op van het tamelijk onbekende leven van een 19e-eeuwse Tilburgse lakenfabrikant en vertaler.
Het verhaal is hiermee gelukkig nog niet af. Want tijdens de zoektocht naar de juiste bibliografische gegevens van de Duitse editie, traceerden wij een compleet en gebonden exemplaar van dit zeer zeldzame boek bij een Duits antiquariaat. En sinds kort bevindt zich in de Brabant-Collectie het enige exemplaar in Nederlandse bibliotheken.


De Duitse editie werd voltooid na 24 afleveringen en bevat dus 14 litho’s meer dan de Nederlandse uitgave. Oorspronkelijke uitgave en Nederlandse vertaling kunnen nu naast elkaar bewonderd en bestudeerd worden.
Tot slot: Antonius Kerstens, die dit bloemenboek vertaalde, overleed op vrijdag 19 februari 1937. Hij was 91 jaar oud. Onderaan de rouwadvertentie stond: “Geen bloemen”.

woensdag 21 februari 2018

Maria van Lanschot: een elegante verschijning

Portret Maria Josephina Catharina van Rijckevorsel-van Lanschot, 1858
Geschilderd door J.H. Delin, gelithografeerd door J. Schubert en gedrukt bij Imp. Simonau & Toovey
Vindplaats: P / R 92 (1)
De Brabant-Collectie heeft vele fraaie portretten - beeltenissen van bekende en minder bekende Brabanders - in haar prentenkabinet. Deze portretten zijn gemaakt ter bevestiging van beroep of status, ter gelegenheid van een huwelijk of ter herinnering na een overlijden. Portretsoorten die daarbij onderscheiden kunnen worden, zijn die van één persoon, een dubbelportret (echtpaar of broers/zussen) en groeps- en zelfportretten van Brabantse schilders, tekenaars en fotografen. Dit negentiende-eeuwse memorieportret geeft Maria van Rijckevorsel-van Lanschot (’s-Hertogenbosch 3 april 1837 - ’s-Hertogenbosch 7 mei 1858) zittend weer. J. Schubert maakte deze steendruk naar een schilderij van de portretschilder Joseph Delin (1821-1892). Aan de hand van de kleding kan dit portret in de tijd en het milieu worden geplaatst.

De jonge vrouw heeft in haar rechterhand een fraaie shawl van Chantillykant, terwijl haar linkerhand rust op de leuning van een brede canapé. De kraag van wit kant is opgeluisterd met een broche. Deze kraag en de losse ondermouwen, die bijelkaar gehouden worden door een zwarte band met strikje, beschermden de zijden japon tegen vuil. De wijde, breed uitlopende mouwen zijn afgezet met verschillende stroken van geometrische vormen, afgewisseld met donker kant. Dergelijke stroken typeren de mode rond 1850. Zwart passement zien we meestal pas vanaf circa 1860. Maria is hiermee zeer modieus. Haar kapsel is eenvoudig. De hooggesloten japon met wijde rokomvang schept als het ware afstand. Een dame moest een toonbeeld van deugdzaamheid zijn en mocht geen vinger uitsteken. Dat kon ook niet in zo’n japon. Het lijfje sluit met knopen met hangertjes. Ongetwijfeld droeg Maria een strak korset met verticale baleinen. De extreme omvang van de rok wordt bereikt door een verstevigde onderrok: de crinoline, vroeger met paardenhaar, vanaf circa 1856 met ijzeren hoepels.

Deze litho is gemaakt ter gelegenheid van Maria’s overlijden op 7 mei 1858, zeven weken na de bevalling van haar eerste kind. Ze was pas 21 jaar oud. Haar chique japon benadrukt de rijkdom van haar echtgenoot, Jhr. Mr. Cornelis Richardus Edmundus van Rijckevorsel (1829 - 1876), met wie zij op 28 mei 1857 trouwde. Cornelis was griffier van het gerechtshof in ’s-Hertogenbosch. Als pendant bij dit portret liet hij drie jaar later ook zijn portret vervaardigen door Delin. Van Rijckevorsel stond op de lijst van de hoogstgeschatte inkomens van de stad ’s-Hertogenbosch in 1873-74, haar vader Augustinus Cornelis van Lanschot (1794 - 1874) voerde die lijst aan.
Detail
Vindplaats: P / R 92 (1)
Beide familiewapens staan onder het portret. Het linker wapen van Van Rijckevorsel toont twee kikvorsen en een fazant in de schildhoek, geplaatst over de derde kikvors. Rechts staat het wapen van Van Lanschot met drie bomen en een burcht voor de middelste boom. De kroon mocht een jonkheer of -vrouw  boven het familiewapen voeren als teken van adellijke rang. In de banderol staat de wapenspreuk ‘Condit opes virtus’ van Van Rijckevorsel: ‘Rechtschapenheid is de grondslag van welstand’. De Van Lanschots maakten deel uit van de Bossche bestuurlijke en financiële top. Dit huwelijk van Maria met een lid van de adellijke familie Van Rijckevorsel onderstreepte dat de Van Lanschots inmiddels bij de provinciale elite hoorden.

Van 1852 tot haar huwelijk woonde Maria met haar vader, moeder en vier broers in De Gulden Ketel aan de Markt in ’s-Hertogenbosch en had de familie een buitenplaats bij St. Michielsgestel, huize Zegenwerp. Van haar ouders, Maria Oomen (1809-1889) en August van Lanschot (1794-1874), bezit de Brabant-Collectie ook portretten. Maria’s oudste broer mr. F.A.J. van Lanschot was van 1881 tot 1886 voorzitter van het Provinciaal Genootschap van Kunsten en Wetenschappen in Noord-Brabant. Haar zoon Frans J.J.M. van Rijckevorsel (1858 - 1935) bekleedde diezelfde positie van 1916 tot 1926.