Over mij

Mijn foto
De Brabant-Collectie is in 1837 in 's-Hertogenbosch opgericht door het Provinciaal Genootschap van Kunsten en Wetenschappen in Noord-Brabant en wordt sinds 1986 beheerd door de bibliotheek van de Universiteit van Tilburg

donderdag 29 oktober 2020

Weemoed en werkelijkheid in Het Groene Woud

Best / Oirschot, 1991. (Foto: Noud Aartsen | Brabant-Collectie, Tilburg University)
Best / Oirschot, 1991. 
(Foto: Noud Aartsen | Brabant-Collectie, Tilburg University)

In het kader van de Landschapstriënnale organiseert de Brabant-Collectie (Tilburg University) samen met Pennings Foundation en Brabants Landschap een fototentoonstelling over Het Groene Woud. De Landschapstriënnale, gericht op heden, verleden en toekomst van het Nederlandse landschap, kiest iedere keer een ander gebied om de aandacht op te vestigen. In 2021 wordt de focus gericht op Het Groene Woud, het gebied tussen Tilburg, Den Bosch en Eindhoven. Daarin liggen onder andere de natuurgebieden het Bossche Broek, de Kampina, de Oisterwijkse Bossen en Vennen, de Loonse en Drunense Duinen, de Mortelen en de Scheeken.

Poëtische, nostalgische beelden
De Brabant-Collectie beheert het oeuvre van fotografen als Nard Vogels (1900-1973), Martien Coppens (1908-1986) en Noud Aartsen (1932-2010), die in genoemd gebied hebben gefotografeerd.
Zij legden in de twintigste eeuw het kleinschalige agrarische cultuurlandschap vast, met keuterboeren, oude boerderijen met rieten daken, handenarbeid, begroeide sloten, weilanden met bomen erom heen en zandpaden met bermen. Met het (angstige) voorgevoel dat dit zou verdwijnen. Daarnaast hadden zij oog voor bos en ongerepte natuur, zoals moeras, heide en vennen. Veelal zijn het poëtische, nostalgische beelden.

Landschap in beweging
Het accent van de expositie ligt op de foto’s van Noud Aartsen, dé fotograaf van Het Groene Woud. Ook hij maakte prachtige poëtische foto’s van slingerende beken, sloten, oude boerderijen en houtwallen met doorkijkjes naar koeien in de wei. Maar hij zag ook dat steeds vaker de natuur werd aangetast door en opgeofferd aan economische groei en welvaart. In de jaren zestig en zeventig fotografeerde hij de komst van nieuwbouw en vervuilende industrie en midden jaren tachtig de verbreding van de A58. Als een ware milieuactivist streed hij tegen waterverontreiniging veroorzaakt door afvalwater van de industrie en overbemesting en bestrijdingsmiddelen van de landbouw.
Ook de ruilverkaveling en schaalvergroting documenteerde hij. Hij ageerde tegen het kanaliseren van beken voor een betere afwatering, het weghalen van houtwallen en het verdelgen van onkruid in wegbermen. In zijn ogen waren het onnodige ingrepen. En hij heeft gelijk gekregen. Door toedoen van milieuactivisten zoals hij vond vanaf de jaren tachtig een tegenbeweging plaats. Beken zijn weer meanderend gemaakt, nu juist om het water langer vast te houden. Om vogels terug te halen zijn houtwallen hersteld en wordt minder gif gespoten op de akkers. En om vlinders en bijen een leefgebied te gunnen, mogen in randen van akkers en wegbermen ‘onkruiden’ ontstaan of worden veldbloemen ingezaaid. Ook fotografen Karel Tomeï (1941) en James van Leuven (1961), een leerling van Noud Aartsen, fotografeerden deze transitie, de een vanuit de lucht, de ander van dichtbij.
Is nu alle leed geleden? Nee, we zijn er nog niet. Hedendaagse fotografen protesteren tegen de zogenaamde ‘verdozing’ van het landschap. Het landschap wordt ontsierd door loodsen van (internet) bedrijven, grote kassen en door megastallen, die ook nog eens voor luchtverontreiniging zorgen. De foto’s van Piet den Blanken (1951) getuigen hiervan.

Schuldig 
Er worden ook poëtische landschappen getoond waarmee ogenschijnlijk niets aan de hand is, maar waar zich een vuilnisbelt onder blijkt te bevinden, zoals verbeeld door Hetty de Groot (1950). Of waar zich in het verleden iets gruwelijks heeft afgespeeld, zoals een executie. Bert Creyghton (1954) vond zo’n desolate plek en wist een unheimliche sfeer in zijn foto te leggen. ‘Schuldige’ landschappen zou je ze kunnen noemen.

Beleving
De expositie laat ook zien hoe hedendaagse beeldend kunstenaars de natuur beleven. Marc Mulders (1958) heeft zijn atelier op Landgoed Baest, omringd door bloemenweiden, waar hij de idylle fotografeert. Hij werpt zich echter ook op als milieuactivist, omdat de rust en de idylle worden verstoord door vliegtuigen die af- en aanvliegen van Vliegveld Eindhoven.
Ook Margriet Luyten (1952) toont de schoonheid van het landschap. Haar foto’s dienen als basis voor geweven wandtapijten. Bijzonder is dat zij in de weeftechniek dezelfde lichtval weet te behouden als in de foto. Noortje Haegens (1985) zoekt de rust in de natuur, onder andere op de Kampina en de Moerputten en maakt foto’s en videowerken die onthaastend en meditatief werken op de toeschouwer. Anke van Iersel (1980) zoekt de vergankelijkheid in de natuur.
Maar er is ook plaats voor humor, zoals te zien is aan de modderpoelen van Paul Bogaers (1961), waarbij je goed moet kijken waar de (foto van de) waterplas ophoudt en de rand van modder (papier-maché) begint. 
In de expositie over Het Groene Woud wordt de nadruk gelegd op mooie, poëtische beelden, maar er is ook ruimte voor een kritische noot. Weemoed en werkelijkheid, ernst en humor wisselen elkaar af.

De ochtendzon over de net gebluste heidebrand bij Bosven op de Kampina, 2011.
(Foto: L.J.A.D. Creyghton)

De expositie ‘Weemoed en werkelijkheid in Het Groene Woud’ is te zien van 13 december 2020 t/m 20 februari 2021 bij Pennings Foundation, Geldropseweg 63 in Eindhoven. Open: wo t/m za van 12.00 tot 17.00 uur. www.penningsfoundation.com

 

maandag 26 oktober 2020

Velduil

Velduil in:
C. Nozeman, M. Houttuyn, C. Sepp, J.C. Sepp:
Nederlandsche vogelen volgens hunne huishouding, aert en eigenschappen beschreeven
KOD 041 G 01

 Strix, Ulula of Uil

Een aantal afbeeldingen in de boekenreeks Nederlandsche vogelen van Cornelis Nozeman e.a. roept vragen op over welke vogel er nu precies is afgebeeld. Het zijn ontegenzeglijk prachtige afbeeldingen die we hier zien, echter voldoen ze niet aan de maatstaven van hedendaagse vogelgidsen met hun zeer nauwkeurige weergaven van soorten en ondersoorten. Neem bijvoorbeeld de vogel die in dit blogbericht centraal staat: de Velduil. In de facsimile-uitgave uit 2014 van Uitgeverij Lannoo en de Koninklijke Bibliotheek lezen we hier meer over in de inleiding van M. van Delft, E. van Gelder en A.J.P. Raat. Zij schrijven: "De belangrijkste oorzaak van de problemen bij de identificatie is dat de vogels vaak zijn getekend naar opgezette exemplaren. De houding en de lichaamsverhoudingen van de vogels zijn vaak niet natuurlijk weergegeven. Ook de kleuring en tekening van verenkleed, staart, kop en borst leveren soms moeilijkheden op voor de herkenning. Verschillen tussen mannelijke en vrouwelijke exemplaren, het zomer- en winterkleed en juveniele en volwassen vogels waren destijds ook nog onvoldoende bekend. De volgende voorbeelden illustreren dit probleem. De Velduilen op platen 34 en 35 hebben uiterlijke kenmerken van Bosuilen. De kleine kop, de staart en de witte vlekken op de vleugels wijzen er echter op dat Velduilen zijn afgebeeld. Ook het nest past bij de Velduil, want de Bosuil broedt niet op de grond."

Naast een uitgebreide beschrijving van het uiterlijk van de Velduil, lezen we in de paragraaf Aentekeningen van Nozeman het volgende: "Deeze Uilen sleepen in 't laest van Mey een weinig zagt stroo by een tusschen 't gras in 't veld, en broeden in 't begin van Juny. De man verpoost het wyf. Hun broed is gemeenlyk van 5 Eijeren, die in het gehele wit zyn. In zoogezegde Muizenjaeren verneemt men deeze Velduilen by uitstekendheid. Zy leeven van ratten, veldmuizen, kikvorschen, en allerley gevogelte welk zy Overvallen kunnen. Geen kat muist beter dan zy; waer toe hun snel gezicht by avond en nacht, wanneer zy hun aes zoeken, hen wonderlyk dienstig is. Zy gaen, even als de Katten, in 't veld te loeren zitten, en zelden loopt een rat of muis van hunne klaeuwen vry. Ik heb 'er by sommige boeren aengetroffen, die zeer tam over huis liepen, en hun voor muizenvangers dienden."
De vergelijking die Nozeman hier maakt met een kat zien we ook terug in de benaming Katuil voor deze vogelsoort. Zijn felgele ogen en het blazen als een kat dragen hier aan bij. Een volksnaam die op Ameland wordt gebruikt is Katteuul.
Nozeman besluit zijn vertoog als volgt: "Over dag zyn zy zeer weinig in beweeging, zittende of aen de slootkanten of op de knotstooven der willigen. Zy blyven 's winters over, houdende zig in dat saizoen op hooge landen en aen de Dyken. Onder 't vliegen maeken zy somtyds een diep en zuchtend geluid."

In de jaren 70 van de vorige eeuw werden in Nederland nog circa 130-185 broedparen geteld. Meer recent schommelt dat getal rond de 20, waarvan het merendeel zich op de Waddeneilanden en in Noord-Groningen bevindt. Het is dan ook niet verwonderlijk dat de Velduil op de Rode Lijst van Nederlandse broedvogels staat, met als droevige status 'ernstig bedreigd'.

Vindplaats: KOD 041 G 01

maandag 5 oktober 2020

Pestvogel

Pestvogel in:
C. Nozeman, M. Houttuyn, C. Sepp, J.C.Sepp:
Nederlandsche vogelen volgens hunne huishouding, aert en eigenschappen beschreeven
KOD 041 I 01

 

Ampelis Garrulus: Beemer, Zydestaart, Pestvogel

De herfst is voor menig vogelliefhebber een van de hoogtepunten van het jaar. Miljoenen trekvogels vliegen over ons land, op weg naar warmere oorden. De piek ligt in oktober. Zeldzame soorten kunnen zo maar opduiken, zangvogels vormen massale groepen. En als je dan heel veel geluk hebt, kun je zo maar oog in oog komen te staan met de kleurrijke pestvogel. Deze vogel bewoont de taiga's van Noord-Rusland en de Scandinavische bossen. In Nederland zie je hem dan ook uitsluitend in de wintermaanden, met name in november en december, en dan voornamelijk in het noorden van ons land. Heel soms is er sprake van een zogenaamd invasiejaar, als er in het hoge noorden te weinig bessen zijn om te eten. Dan kunnen ze zo maar met duizenden tegelijk aankomen. Je bent dan met recht een geluksvogel als je ze ziet zitten in bijvoorbeeld een meidoorn of andere vruchtdragende struik. 

De pestvogel werd in de middeleeuwen beschouwd als voorbode van de naderende pest, mede ingegeven door zijn soms invasieachtige komst. De pest oftewel "zwarte dood" bezorgde deze vogel ook de volksnaam Zwarte Mantel. Bekijk voor een uitgebreidere uitleg van deze en andere vogelnamen vooral eens de online Etymologiebank.

De pestvogel is opgenomen in deel 3 van de kloeke boekreeks Nederlandsche vogelen en hier lezen we: "Wy schroomen niet, deezen sierlyken Vogel, die in 't voorleeden Jaar in zulk een menigte hier te Lande gevangen werdt, en waar van men ook de Eyeren heeft bekomen, in dit Nederlandsche Vogelen-Werk te plaatzen. Immers, hoewel zyn Vaderland eigentlyk Boheme schynt te zyn, wordt hy ook in Engeland, ja zelfs in Sweeden, alwaar hy in de Bosschen huisvest, en tegen de Winter aankomt, gevonden; verhuizende in de Zomer, of nestelende, in de Noordelyke Landen, zo Linnaeus verhaalt."

Ook de naamgeving komt aan bod. "Niet minder verschil is 'er onder de Autheuren ten opzigt der zo oude als hedendaagsche benaamingen van deezen Vogel. Dat Aldrovandus hem met den Griekschen naam Ampelis, van het eeten der Druiven, die hy boven andere Bessen en Vrugten bemint, afleidelyk, bedoeld hebbe, is zeker. Hy noemt denzelven in 't Latyn, Garrulus Bohemicus, en hadt deezen verwonderlyken Vogel, toen die in zeker Jaar menigvuldig in Italie was komen overvliegen, en als een voorteken van Pest aangemerkt werdt, omstandig beschreeven. Uit dit denkbeeld, hoe ongegrond ook, zal buiten twyfel de thans heerschende benaaming, van Pestvogel, gesprooten zyn, en mogelyk bekragtigd door de roode Pyltjes der Wieken, of den vuurigen glans zyner Oogen; weshalven men hem Incendiaria Avis getyteld vindt en Microphoenix, of kleine Purpervogel."

Dat de pestvogel indertijd zowel levend als geserveerd op het bord gewaardeerd werd, blijkt uit het slot van het betoog: "By gelegenheid, dat, in de voorleeden Herfst van 't Jaar 1788, een menigte van deeze Pestvogels hier te Lande is overgekomen, heeft men dezelven nader leeren kennen... Zy zyn of in Lyster-Strikken, of met Slagnetten onder de Vinken gevangen, en sommigen eenigen tyd leevendig gebleeven... Zy worden dus zeer gemeenzaam, en neemen het Aas uit de hand aan, dat zy onderling elkander mededeelen. Jammer is 't, dat men by deeze gelegenheid niet meer moeite aangewend heeft, om ze in 't leven te houden. 't Geluid, dat zy maaken, zweemt naar Ziziri, met zekere klapachtigheid, gelyk de Gaaijen. Geplukt en gebraden zyn zy niet minder smaakelyk dan de Lysters en Vinken."

Vindplaats: KOD 041 I 01

maandag 14 september 2020

Het schetsboek van Deurne

Afgelopen mei verscheen Het Schetsboek van Deurne, een lijvig boekwerk met schetsen van Deurne getekend door Henry van den Berkmortel. Van den Berkmortel tekent al heel zijn leven en geschiedenis is zijn passie. In 2019 maakte hij elke dag een schets van een plek, gebouw of gebeurtenis in de gemeente Deurne. Deze schetsten waren op social media een grote hit en daarom besloot hij ze te bundelen tot een boek. Van den Berkmortel trekt er elke dag op uit om herkenbare plekken uit de hele gemeente vast te leggen in aquarel. Ter plekke maakt hij meestal een schets in een klein boekje en thuis werkt hij het dan verder uit. Daarna plaatst hij de schetsen op zijn Facebook-pagina met verhalen gebaseerd op historische feiten of eigen ervaring. Voor historische informatie raadpleegt hij vaak de website DeurneWiki

Vindplaats: TRE 090 F10

maandag 31 augustus 2020

(Bio)grafische bijzonderheden: Hultman en de Physionotrace

Op 15 april 1820 hield notaris Jan F.M. Ganderheyden (1787-1851) voor de Bossche afdeling van de Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen een toespraak. Deze werd gehouden ter nagedachtenis van Carl Gerard Hultman (1752-1820) die op 7 maart was overleden. Hultman was een veelzijdig man die in verschillende delen van het land en op uiteenlopende posities zijn sporen had verdiend. Hoewel zijn naam tegenwoordig weinigen bekend in de oren zal klinken, was het in zijn tijd toch een man van naam en faam. Wij kunnen een goed beeld van hem krijgen dankzij de toespraak van Ganderheyden die door de Bossche drukker en uitgever Hendrik Palier (1785-1853) in 1820 werd uitgebracht. Hultman werd in 1814 aangesteld als de eerste Commissaris van de Koning (‘Gouverneur’) van de nieuwe provincie Noord-Brabant. Dat deze niet-Brabander het hoogste ambt ging bekleden in de provincie waar katholieken en protestanten opnieuw moesten uitvinden hoe ze zich tot elkaar moesten verhouden, lijkt een ‘polder-oplossing’ avant la lettre. Hij heeft zich in die eerste jaren van Noord-Brabant vooral beziggehouden met de inrichting van het lokale en provinciale bestuur. In 1819 ging echter zijn gezondheid achteruit en in januari 1820 werd hij eervol uit zijn ambt ontslagen. Twee maanden later overleed Hultman. Bij leven was Hultman een verwoed verzamelaar van (post)incunabelen. Diverse door Hultman met de hand geschreven bronnen, maar ook gedrukte publicaties uit zijn tijd als gouverneur bevinden zich in de bibliotheek van Tilburg University.

Een postuum (fictief) portret van Hultman hangt in de zaal van Gedeputeerde Staten van het Provinciehuis in ’s-Hertogenbosch. Een eigentijds portret treffen we aan op de titelpagina van de publicatie van de toespraak van Ganderheyden. Deze pagina is, net als een geïsoleerd portret van Hultman, opgenomen in de Topografisch Historische Atlas van de Brabant-Collectie die via BCFinder te raadplegen is (vindplaatsen: P / H 91 (2) en P / H 91 (1)). Voor deze portretten is een bijzondere grafische techniek gebruikt waar de rest van dit blog over gaat: de physionotrace (= gelaatstekenaar). Hoe gaat deze techniek in zijn werk en waar komt ze vandaan?

Titelpagina van de redevoering ter nagedachtenis van C.G. Hultman.
Bij de opmaak van de titelpagina was geen rekening gehouden
met de buitenrand van de koperplaat. Vindplaats: P / H 91 (2)

De detaillering van dit tweede portret van Hultman is ten
opzichte van het eerste anders uitgewerkt. Vindplaats: P / H 91 (1)

Eeuwenlang is een geschilderd portret voor de bovenklasse een belangrijk middel geweest om zich te onderscheiden van de rest van de bevolking. De betaalbaarheid van een goed gelijkend portret komt echter in de loop van de achttiende eeuw onder druk te staan en men – ook de bourgeoisie – gaat op zoek naar goedkopere mogelijkheden. Het gegraveerde portret wordt voor veel meer mensen bereikbaar. Maar ook binnen dit genre wordt gezocht naar met name tijdbesparende methodes. De physionotrace is zo’n oplossing. Met een mechanisch hulpmiddel, de ‘profielmachine’, wordt het portret van het model – altijd en profil – overgezet op een etsplaat. De afstand van het model tot het apparaat en de positie van de stift bepalen de schaal van het uiteindelijke beeld. Als het profiel met behulp van de etstechniek eenmaal op de koperplaat staat, kunnen details als ogen, kleding etc. worden aangebracht. Ook wordt de achtergrond bewerkt, waardoor de physionotrace in eerste instantie meer de indruk van een gewassen pentekening krijgt. Het grote voordeel van deze techniek is dat één keer model zitten voldoende was.

De gedachte achter de physionotrace en de totstandkoming ervan zijn uitgedacht door Gilles-Louis Chrétien (1754-1811) in 1787. Hij was aanvankelijk muzikant in de kapel van de koning in Versailles, maar legde zich later toe op de grafische kunst. Hij werkte vanuit Parijs, wat ook staat vermeld in het randschrift van het portret van jonkheer Mr. F.X. Verheijen: ‘Dess. et. gr. p. Chretien inv. du Physionotrace rue St. honoré en face de l'Oratoire No. 152’.

Jonkheer Mr. F.X. Verheijen liet zich op jonge leeftijd (ca. 30 jaar)
in de techniek van physionotrace vastleggen. Vindplaats: P / V 39.5 (1)

Dit portret (vindplaats: P / V 39.5 (1)) is in de Brabant-Collectie aanwezig omdat Verheijen (1779-1851) van 1814 tot aan zijn dood griffier was van Provinciale Staten van Noord-Brabant. In het randschrift maakt Chrétien nadrukkelijk reclame voor zichzelf als bedenker van de physionotrace; hij noemt zelfs de straat waar je zijn zaak kunt vinden. Opvallend genoeg blijft de plaatsnaam (Parijs) achterwege. Na enkele jaren samengewerkt te hebben met Edmonde Quenedey (1756-1830) gaan beiden voor zichzelf verder. Na de dood van Gilles-Louis Chrétien wordt diens zaak voortgezet door (Etienne?) Bouchardy (werkzaam van 1808-1840). En het is Bouchardy die we in het randschrift van het portret van Hultman aantreffen.

Het is aanlokkelijk te bedenken dat Hultman en Verheijen, die in dezelfde periode actief waren voor de Provincie Noord-Brabant, met elkaar gesproken hebben over die in Frankrijk in zwang zijnde manier van portretteren. Want de techniek van de physionotrace heeft in de eerste decennia van de negentiende eeuw behoorlijk wat aanhang gekend, ook in Nederland. Het betekende voor velen toch de relatief eenvoudige en goedkopere mogelijkheid tot het verkrijgen van een eigen portret. Vanaf ongeveer 1830 werd de physionotrace ingehaald door de lithografie en niet veel later door de fotografie, een nog meer gemechaniseerde mogelijkheid om je portret vast te laten leggen.

Bronnen:

maandag 17 augustus 2020

Hop

Hop in:
C. Nozeman, M. Houttuyn, C. Sepp, J.C. Sepp:
Nederlandsche vogelen volgens hunne huishouding, aert
en eigenschappen beschreeven

KOD 041 H 01

Upupa, Epops, Hoppe: Hop
Deze kleurrijke vogel kun je haast niet met een andere vogel verwarren. Zijn fraaie rozebruine verenkleed, de zwart-wit gebandeerde vleugels en de zwartgepunte kuif die hij kan oprichten als een indianentooi, maken hem onmiskenbaar. In de tijd van Nozeman kwam de hop, in tegenstelling tot nu, nog regelmatig tot broeden in ons land.
"In de jaeren 1745, 46, en 47 veel verkeerende aen onze Duinkanten van de Egmondsche, Bergensche, en Schoorler landstreeke, en dikwils in de Lenten de laenen en bosschen der hoeven aldear bezoekende, zag ik 'er meermaelen, somtyds op het duin, somtyds op den platten grond der wegen, en somtyds in het geboomte, deezen anders hieromstreeks niet dagelyks voorkoomenden vogel; zonder toen ontdekt te hebben, het welk echter by my uit hoofde des saizoens voor vry waerschynelyk werdt gehouden, dat hy 'er broedde. Sedert heb ik de Hoppen niet weêr aengetroffen voor in het begin van July 1778, wanneer ik hier by Rotterdam, op de aengenaeme Buitenplaets van mynen zeer geëerden vrind, den Heere M. Viruly, aen den Hoogen Dyk onder Kralingen, dagelyks een paer derzelve uit het geboomte van dien Lusthof af en aen zag vliegen op het daer nevens geleegen weiland. Aldaer had dit paer gebroed, gelyk my de tuinlieden verzekereden."
Bovenstaande afbeelding liet Nozeman vervaardigen door N. Muis: "... en thands is my uit het quartier van Breda een broedend paer Hoppen, te gelyk met een gedeelte van hun nest, en met hunne eijeren, aengebragt geworden; waervan ik zonder uitstel, door den Konstschilder N. Muis, de nette afbeelding naer het leeven heb laeten vervaerdigen, gelyk zy hiernevens in de natuurlyke koleuren vertoond staen." Een handelswijze die in onze tijd ondenkbaar is. De hop staat nu immers op de Rode Lijst van Nederlandse broedvogels. We mogen blij zijn met een zeer incidenteel broedgeval, zoals dit voorjaar in de Amsterdamse Waterleidingduinen. Andere recente broedgevallen dateren uit 2012 en 1995. Dit jaar werden in de periode juni - half juli op ongeveer 22 locaties hoppen gemeld, hetgeen ongewoon veel is. Een mannetjes hop heeft zelfs wekenlang zitten zingen in De Brand, nabij de Loonse en Drunense Duinen. Mogelijk zal de klimaatsverandering voor meer broedgevallen in ons land gaan zorgen de komende jaren.
Nozeman vertelt het volgende over het nest van de hop. "Geene andere holte (meest der Ypenboomen) wordt hier te Land tot eene broedplaets, door deeze vogelen uitgekoozen, dan zulk eene, wier toegang door een klein gat in de schors is. De stank lokt zeer vermoedelyk sommige vliegen en schallebyters of torren naer deeze plaets, in de welke zy eene gunstige geleegenheid kunnen aentreffen om haere eijertjens te leggen; terwyl ook de drek zelf bereids, door de vliegen, aleer de Hoppe hem opneemt, bezet mag zyn geworden met haere zaeden." Verder vermeldt Nozeman dat sommigen de vogel Drekhaen noemen. Dat is niet zo verwonderlijk, want het nest van de hop stinkt behoorlijk. Zowel het vrouwtje als de jongen verdedigen zich tegen indringers door ze te besproeien met een stinkende vloeistof. Er circuleren allerlei streeknamen voor deze vogel, in Noord-Brabant onder andere Schijthop en Stinkhaan (bron: H. Blok, H. ter Stege: De Nederlandse vogelnamen en hun betekenis, 2000).
De naam hop verwijst overigens naar het geluid dat de vogel maakt: een hobo-achtig, ver dragende baltsroep tijdens de broedtijd: hoep-hoep-hoep. Ook al onmiskenbaar.

Vindplaats: KOD 041 H 01

maandag 20 juli 2020

Kleine geschiedenissen van Dussen. Deel 3

Vorige maand verscheen het derde deel van de reeks ‘Kleine geschiedenissen van Dussen’ van de hand van Ton Lensvelt. In de reeks die 5 eeuwen omvat (1460-1960), vertelt hij historische verhalen over Dussen en de Dussenaren. Aan bod komen in dit deel onder andere drie eeuwen gezondheidszorg, de pest, de Spaanse griep, de Tweede Wereldoorlog en verder nog meer verhalen over het bestuur, de inwoners, hun werk, vermaak en andere gebeurtenissen. Dussen valt sinds 1 januari 2019 onder de gemeente Altena.

Vindplaats: BRA Y LENS 3
De andere delen hebben als vindplaats: 
BRA Y LENS 1 
BRA Y LENS 2

Meer plaatselijke geschiedenis is te vinden in de rubriek Y.