Over mij

Mijn foto
De Brabant-Collectie is in 1837 in 's-Hertogenbosch opgericht door het Provinciaal Genootschap van Kunsten en Wetenschappen in Noord-Brabant en wordt sinds 1986 beheerd door de bibliotheek van de Universiteit van Tilburg

maandag 7 juni 2021

Genoeg te vertellen over Den Dungen

Momenteel loopt de zesenveertigste jaargang van het tijdschrift van heemkundevereniging ‘Op die Dunghen’, genaamd Het Griensvenneke. Het is natuurlijk geen jubileumjaar, maar er mag gerust bij stilgestaan worden dat een dorp met nog geen vijfduizend inwoners het al meer dan vijftig jaar presteert om ieder kwartaal een tijdschrift over het eigen verleden het licht te doen zien. Sinds 1967 zijn er al ruim 850 artikelen in Het Griensvenneke en zijn voorloper verschenen. Het hele brede spectrum van geschiedenis en heemkunde is in al die jaren aan bod gekomen. Wat in de recente jaargangen in het oog springt, is een reeks artikelen over de bakkers die vanaf ongeveer 1800 in Den Dungen actief zijn geweest. Harrie Maas en André Schoones hebben het allemaal op een rij gezet. In het eerste Griensvenneke van 2021 zijn we aangekomen bij hun achtste bijdrage over dit onderwerp. Hierin komen Grarus Goossens en zijn opvolgers aan bod, maar de hele reeks is de moeite waard. Dit komt omdat de artikelen behalve bedrijfsgeschiedenis tevens familiegeschiedenissen vertellen en ook de dorpsgeschiedenis erin verweven is. Het beeldmateriaal, vaak nog uit de bakkersfamilies zelf afkomstig, maken de bijdragen aantrekkelijk en compleet.
Henk van Gestel houdt een pleidooi voor een historisch verantwoorde herplaatsing van een grenspaal. Door infrastructurele projecten wist men zich geen raad meer met de tweehonderd jaar oude paal op de grens van de gemeenten Den Dungen en Berlicum en heeft men deze volgens Van Gestel een onjuiste plaats toebedeeld.
Veel heemkundigen zijn gefascineerd door de Tweede Wereldoorlog. Mede omdat het tot de recente geschiedenis behoort, biedt het mogelijkheden om er veel over vast te leggen. Dat er na de bevrijding van Den Dungen (oktober 1944) van februari tot en met mei 1945 nog zeven V1’s op Dungens grondgebied terecht zijn gekomen, is waarschijnlijk bij velen bekend. In een bijdrage worden de exacte locatie van de inslagen, context en persoonlijke ervaringen aan de historische feiten toegevoegd.
Van mensen die aan de (rafel)rand van de maatschappij verkeren, weten we vaak meer dan van de modale burger. Dat komt omdat ze in rechtbankverslagen en registers van gevangenissen vaak met naam en toenaam worden genoemd. In een boeiend artikel volgen we de levenswandel van Adrianus Kuijpers: zijn activiteiten als landloper in Tilburg en Breda, zijn veroordelingen en zijn gevangenschap in Veenhuizen.
Een korte bijdrage over de fotograferende kapelaan Frans van Hooff (1918-1995), met beeldmateriaal uit het parochie-archief dat in het BHIC in ’s-Hertogenbosch berust, sluit het veelzijdige nummer af.
Als het over Den Dungen gaat, heeft de Brabant-Collectie ook het nodige te bieden. Alle artikelen uit Het Griensvenneke zijn inhoudelijk ontsloten via BCfinder. Verder kan gemeld worden dat nu aan ruim 750 artikelen en boeken en 82 monografieën het geografisch trefwoord ‘Den Dungen’ is gekoppeld. In de Topografisch-Historische Atlas zijn 70 afbeeldingen, met name foto’s van boerderijen, van Den Dungen opgenomen. Kortom, er is genoeg te vertellen over Den Dungen.

Vindplaats: T 07450

maandag 24 mei 2021

Een weelde aan groen: vier kloostertuinen in Noord-Brabant

Vorig jaar verscheen een mooi boekje, in het formaat van een dwarsligger, met veel foto’s over kloostertuinen in de ‘kloosterbelt’ in het noordoosten van Brabant. In de loop van de 17de en 18de eeuw, in de nasleep van de Reformatie, vestigden zich daar een aantal abdijen en priorijen. Deze kloosters behoren tot de oudste van Nederland en achter de muren ervan bevinden zich verborgen parels van tuinen. De kruidentuin van Museum Krona te Uden, de ecologische tuin Hof van Lof in Megen, de groenten- en stiltetuin van het Emmausklooster in Velp (bij Grave) en de Engelse landschapstuin van Sint Agatha. Ze vertegenwoordigen ieder voor zich een bepaald aspect van een kloostertuin. Het boekje geeft een inkijk in de geschiedenis van het klooster en de aanleg van de tuin. Van elke tuin is een plattegrond gemaakt met uitleg. Het boekje bevat fietsroutes en andere praktische informatie.

Vindplaats: BRA W AREN 2020

maandag 10 mei 2021

Geelgors

Geelgors in:
C. Nozeman, M. Houttuyn, C. Sepp, J.C. Sepp:
Nederlandsche vogelen volgens hunne huishouding, aert en eigenschappen beschreeven
KOD 041 H 01

Emberiza Citrinella, Geelgerst, Haverkneu

In deel 2 van de kloeke boekenreeks Nederlandsche vogelen bespreekt Nozeman de geelgors: "Overal des zomers vindt men, zoo in onze weiden, als in 't hangen van onze Dyken, de Haverkneuen, gemeenlyk ook Geelgersten of, gelyk sommigen spreeken, Gorsen en Geelgorsen geheeten... 's Winters ziet men hen meermaelen in de naebyheid der landwooningen, vooral daer paerdenstallen zyn, en op de akkeren; en schoon men hen in den herfst mede vange onder de vinken-en leeuwrik-netten, kan men hen echter niet onder het eigenlyk trekgevogelte tellen: Zy zoeken in dat jaergety hun voedsel uit de mest der paerden, en aezen meest voorts, het geheele jaer door, op allerhande graenen en zaeden. Haver, inzonderheid, en Gerst, zyn hunne geliefde voedsel."
Op de site van de Vogelbescherming kunnen we lezen dat de geelgors inderdaad een stand- en zwerfvogel is. De Nederlandse broedvogels blijven voornamelijk in eigen land en vormen wintergroepen op voedselrijke plekken. Ze komen voornamelijk in het oosten van het land voor, maar ook in onze provincie kun je ze spotten. Niet alleen de opvallende gele kleur (met name van het mannetje), maar ook zijn karakteristieke zang kunnen je hierbij op weg helpen.

In een goede vogelgids tref je doorgaans een omschrijving in woorden aan van hoe de zang van de vogel klinkt. Dat is vaak al een kunst op zich om te ontcijferen. Zo omschrijft Lars Svensson in ANWB Vogelgids van Europa de zang van de geelgors als volgt: "Zang welbekende strofe van 5-8 snel herhaalde korte noten met verschillend einde, si-si-si-si-si-si-SUUUUUU; voorlaatste noot vaak hoger en laatste lager, sre-sre-sre-sre-sre-sre SIIII-suuuu; klank soms meer herinnerend aan Krekelzanger, dzre-dzre-dzre...". Of een beginnend vogelaar hier veel mee opschiet, kun je je afvragen. En wat wordt er precies bedoeld met "welbekende strofe"? Voor de diehards is er sinds 2017 een boek op de markt dat geheel gewijd is aan de zang van vogels: Veldgids Vogelzang van Dick de Vos (KNVV Uitgeverij, Zeist). Iedere vogel krijgt hier 1 pagina toebedeeld om de zang, en ook de roep (ja, daar zit een verschil tussen), te definiëren. In dit boek wordt gelukkig het mysterie van de "welbekende strofe" opgehelderd. De zang van de geelgors komt namelijk dicht in de buurt van een strofe uit de Vijfde Symfonie van Beethoven! Maar de Engelsen horen weer iets anders in de zang van de geelgors, aldus de Etymologiebank, namelijk: "little bit of butter but no... cheese". En in het Belgische Merkplas hoort men: "daar zit een beest in mijnen kop en ze steekt subiet". Overigens erg handig die ezelsbruggetjes om vogelzang te onthouden.
Gelukkig zijn er tegenwoordige ook fantastische apps te downloaden die het herkennen van de zang een stuk makkelijker maken. 

Nog even terug naar Nozeman die, naast een uitgebreide beschrijving van het uiterlijk van de geelgors, nog enkele regels wijdt aan zijn dieet. "By C. Gesnerus wordt wel uit Albertus aengeteekend, dat de Gorsen animal nullum attingunt, op geen gedierte aezen, maer van zaeden leeven. Doch nevens Turnerus, die by denzelfden Gesnerus zegt, dat dit gevogelte,  behalven gewormte, gerst en haver eet, meldt ons de groote Linnaeus dat de Haverkneu des zomers op de Ruspen der Koolplanten aest: En 'k heb zelf meermaelen aen de beplantte Dyken, alwaer tusschen het opslag uit de stoelen van het geboomte gewoon zyn te broeden, hen op ruspjens aezende gevonden; schoon 't teffens waer zy, dat graenen en zaeden wel meest van hunne gading zyn."

Vindplaats: KOD 041 H 01

maandag 26 april 2021

Tijdschrift: Effe Lùstere

Het periodiek met deze vrolijke, en toch ook stellige titel ‘Effe Lùstere’ wordt drie keer per jaar verzorgd door de Historische Vereniging Werkendam en De Werken c.a. In 1997 zag het blad het levenslicht, na aanvankelijk – vanaf 1992 – als mededelingenblad van de vereniging te zijn uitgebracht. In een prettige opmaak laat ieder nummer een diversiteit aan onderwerpen zien, uitgewerkt in goed leesbare artikelen. In het jongste nummer (jaargang 30, maart 2021, nummer 83; helaas vermeldt de voetregel nog: april 2019, jaargang 28, nummer 77) staat het levensverhaal beschreven van de drie laatste Joden die in Werkendam woonden. Zij werden in 1943 via Westerbork naar Sobibor getransporteerd en zijn aldaar vermoord. De Stolpersteine (herdenkingsstenen die worden geplaatst bij huizen waar ooit Joden, Sinti of Roma woonden) die in 2010 voor Joseph, Elizabeth Johanna en Johanna Sientje de Vries in de Hoogstraat in Werkendam werden gelegd, krijgen met dit artikel een passende historische context.
Artikelen die de lokale toestand van bijvoorbeeld honderd of honderdvijftig jaar geleden beschrijven, bevatten vaak leuke feitjes en vormen regelmatig aanknopingspunten voor ander onderzoek. Mede door het beschikbaar komen van gedigitaliseerde kranten en tijdschriften in Delpher heeft de toegang tot en het gebruik van deze bronnen de afgelopen jaren een enorme vlucht genomen. Een bijdrage met een hoog kroniekgehalte is ook in dit nummer van ‘Effe Lùstere’ opgenomen.
Bijzondere aandacht vraagt het artikel met het persoonlijke en aangrijpende verhaal van Leen Versluis (1934-2019) over zijn oorlogservaringen, opgetekend op verzoek van zijn broer en diens dochter. Het is weliswaar geen tijdens de oorlog geschreven dagboek, maar mede door de familiefoto’s en foto’s van persoonlijke documenten kom je als lezer heel dichtbij Versluis’ oorlogsbelevenissen en de -beleving. Tot slot wordt stilgestaan bij het verschijnen van het boek ‘Van ijzeren tjalk tot stalen binnenvaartschip. Drie generaties Dirk Christiaan Hovestadt’, geschreven voor Martin van der Stelt. Verhalen over schippersfamilies en maritieme bedrijven zijn aan de inwoners van het schippersdorp Werkendam natuurlijk goed besteed. Het is belangrijk dat deze (familie)geschiedenissen nu te boek zijn gesteld. Vanwege corona en de zeer beperkte mogelijkheid tot samenkomen is ook het jaarverslag 2020 van de vereniging in het tijdschrift opgenomen, maar evenals de andere korte berichten is dit in het geheel niet storend.
Gezicht op Werkendam
Andries Schoemaker, 1750
Gewassen pentekening, 13 x 21 cm
Vindplaats: W 48.1 / 010 (3)
De website van Historische Vereniging Werkendam en De Werken c.a. is ook de moeite van het bezoeken waard. Je vindt er uiteenlopende informatie over onder andere activiteiten van de vereniging en de geschiedenis van Werkendam. De collectie van de bibliotheek staat er beschreven en is online doorzoekbaar.
Ook in de Brabant-Collectie kan men het nodige over Werkendam vinden. In BCFinder zijn momenteel 120 boeken opgenomen en zijn ruim 350 artikelen, die in verschillende tijdschriften en boeken over Werkendam verschenen, ontsloten. Verder treft men er een bescheiden aantal topografische afbeeldingen en kaarten van het aan Boven- en Nieuwe Merwede én aan de Biesbosch gelegen dorp. Al dit materiaal is bij de Brabant-Collectie te raadplegen; veel van de boeken zijn uitleenbaar. In verband met corona is er wel een beperkte dienstverlening.

Vindplaats: T 09356

maandag 12 april 2021

Olifantenpaadjes in Meierijstad: een weg door de wandel geschapen

Vorig jaar december verscheen een boek met foto’s en verhalen over de vele olifantenpaadjes in Meierijstad. Olifantenpaadjes zijn paadjes die spontaan ontstaan zijn. Ze worden ook wel afsnijpaadjes of afstekertjes genoemd. Sommige paadjes zijn er al sinds mensenheugenis en iedereen maakt er wel eens gebruik van. Olifantenpaadjes zijn vernoemd naar de olifanten in Afrika en Azië, die slingerend door het landschap op zoek gaan naar voedsel, schaduw en water. Dat doen ze altijd via de kortst mogelijke weg. Ook andere dieren maken daarna gebruik van de ontstane routes. Olifantenpaadjes komen niet alleen bij kruisingen en splitsingen van wegen voor, maar vooral bij scholen, bushaltes, speelvelden en parkeerplaatsen. En zelfs bij parken waar officiële paden zijn aangelegd. Vaak zijn ze korter dan het officiële pad en ook veiliger, omdat er drukke afslagen of kruisingen vermeden worden. Jan Verhagen fotografeerde de vele olifantenpaadjes al een hele tijd tijdens zijn wandel- en fietstochten in Meierijstad en besloot er een boek van te maken. Hierin worden ook de locatiegegevens en afmetingen van de olifantenpaadjes genoemd.

Vindplaats: BRA H4 VERH 2020

maandag 29 maart 2021

Winterkoning

Winterkoning in:
C. Nozeman, M. Houttuyn, C. Sepp, J.C. Sepp:
Nederlandsche vogelen volgens hunne huishouding, aert en eigenschappen beschreeven
KOD 041 H 01


Motacilla, Troglodytes; Trochlodytes, Regulus; Winterkoning

De Winterkoning is in Nederland het op een na kleinste vogeltje; alleen de Goudhaan is kleiner. In Nederlandsche Vogelen kunnen we dit ook lezen, al wordt hier een andere naam gehanteerd voor het Goudhaantje:
"Wy hebben hier ten Lande slegts één Vogeltje, welk kleiner dan dit tegenwoordig voorwerp is, t.w. het Goudsbloems- of  St. Maertens-Vogeltje; met het welk de Winterkoning meermaelen verward wordt; als zynde beiden hier en daer in het Latyn Regulus, d.i. Koningje, geheeten geworden. Het eene nogtans is van het andere zoo merkelyk verschillende, dat al wie ze beiden maer ééns, zelfs met eenige oppervlakkige opmerking, by elkanderen gezien heeft, het zeer groot onderscheid, welk 'er tusschen het eene en het andere is, niet ligtelyk vergeeten zal."
Hedendaagse vogelaars noemen bruine vogeltjes als de Winterkoning wel eens een kbv-tje: een klein bruin vogeltje. Best makkelijk zo'n verzamelterm als je in "het veld" bent en niet direct de naam weet van, uiteraard, een klein bruin vogeltje. Herken je de vogel dan als zijnde een Winterkoning, dan kun je je mede-vogelaars erop attenderen door te roepen: "Kijk, een wiko". Dat vogelaars gek zijn op afkortingen moge duidelijk zijn.

Ondanks zijn kleine formaat heeft deze algemene broed- en standvogel een luide zang, die hij laat horen terwijl zijn staartje parmantig rechtop staat. Zelfs in de winter klinkt zijn lied, wellicht dankt hij daaraan zijn naam. Maar zijn naam is ook verweven met een Griekse sage over de koningskeuze, later verworden tot een volksverhaal. De Latijnse naam Troglodytes troglodytes betekent letterlijk "holbewoner", een verwijzing naar het bolvormige nest van deze vogel. In Nederlandsche vogelen lezen we hierover het volgende:
"[...] het welk naementlyk in de muuren der land- en tuinwooningen geen gat, aen den voet of de stammen van bemoscht geboomte geene opening, tusschen de takkebosschen en heggen geene holte, onbezocht laet, zoo, om daer in zyn aes van opgeschoolene spinnen en andere Insekten zeer vlytig op te spooren, als, om tegen zynen broeityd de bekwaemst-mogelyke Nestelplaets uittezoeken.[...] Doch waer ook de Nesten aengelegd zyn, zy zyn altoos vry kort boven de aerde, en wonderlyk konstig gemaekt; zynde 'er, wanneer zy in eenige hegge zyn; altoos die oplettendheid by in acht genomen, dat ze om de takken heen hier en daer zyn vastgemaekt, om bestand te zyn tegen de rukwinden en 't heen en weer slingeren. Gants aenmerkelyk zyn die Nesten uit hoofde van hun maeksel. Nog nooit is 'er my één voorgekoomen, het welk anders dan van eene Horizontale richtinge, of het welk anders dan van het zachtste Boommosch samengesteld was. [...] Deeze broedkamer is met het allerfynste mosch, dons, of zeer zacht haeir van binnen gestoffeerd, beide tot beveiliging der zeer dungeschaelde Eijeren, en tot warmte van de even tedere jongen, die waerlyk in dit nest, even als in een' pelsrok, tegen alle koude zyn beschut."

Bestand tegen lange vorstperiodes zijn Winterkoninkjes overigens allerminst. Niet verwonderlijk dat ze elkaar onder zulke omstandigheden in groten getale opzoeken in bijvoorbeeld een nestkast of een boerenschuur. Ze kruipen dan dicht tegen elkaar om de nacht door te brengen. Een groep van 10 vogels is niet ongewoon, zelfs slaapgroepen van 60 exemplaren worden genoemd.

Vindplaats: KOD 041 H 01

maandag 15 maart 2021

Jules David: een Franse fotograaf, actief in Noord-Brabant

Soms word je door het lezen van een artikel aangespoord om in de Brabant-Collectie te gaan zoeken naar raakvlakken met het onderwerp van het gelezen artikel. Dit was het geval met een artikel van Ingrid M.H. Evers. De auteur werd geboren in de voormalige gemeente Roosendaal en Nispen, maar is wat haar veelzijdige onderzoek en publicaties betreft met name in Limburg actief. Geschiedenis van de fotografie is een van haar speerpunten. Ze schreef een artikel over negentiende-eeuwse schoolfoto’s van de Franse fotograaf Jules David dat verscheen in De Maasgouw (jaargang 139, 2020, nr. 4, 120-125), het kwartaalblad van het Koninklijk Limburgs Geschied- en Oudheidkundig Genootschap. In de bijdrage, met uiteraard vooral aandacht voor Limburgse aspecten en voorbeelden, zijn ook Brabantse aanknopingspunten opgenomen. Deze trokken onze aandacht; de vraag die na lezing van het artikel direct opborrelde, was of van deze fotograaf ook werk in de Brabant-Collectie is opgenomen. En dat bleek het geval… Maar eerst iets meer over de fotograaf.

De bijdrage van Evers leert dat fotograaf Jules David (1848-1923) het grootste deel van zijn carrière werkzaam was in en vanuit Levallois bij Parijs. David reisde voor zijn werk door heel Europa en was, getuige de grote hoeveelheid negatiefnummers, bijzonder productief. Hij werkte in de meeste gevallen in opdracht. Belgische bisschoppen, paus Leo XIII in het Vaticaan, maar ook Noorse brandweerlieden, Zweedse spoorwegambtenaren en zijn beroemde plaatsgenoot Gustave Eiffel verschenen voor zijn camera. Hij introduceerde in het schooljaar 1879-1880 de professionele schoolfotografie in Nederland. Zijn fotografische specialisme bracht hem ook in Noord-Brabant. In het artikel van Evers is een voorlopige lijst opgenomen van Nederlandse plaatsen waar David actief is geweest. De Brabantse opleidingen waar hij gefotografeerd heeft zijn de Rijksleerschool in Den Bosch (1880), pensionaat Nazareth in Uden (1896-1897), en in Breda kleinseminarie De Ypelaar (1880), de Departementale School voor meisjes (1908) en de Koninklijke Militaire Academie.


Binnenplaats van de KMA in Breda (1890-1891)
Fotograaf: Jules David
Vindplaats: pbk-B 83 / 231.12 (4)

Achterzijde van de prentbriefkaart

Van deze laatste locatie, de KMA in Breda, zijn in de Brabant-Collectie twee voorbeelden te vinden van werk van Jules David. In beide gevallen betreft het echter geen groepsportretten, maar zijn het documentaire foto’s met onderdelen van het KMA-gebouw. Op een prentbriefkaart is de binnenplaats gefotografeerd. Linksonder is aangegeven wie de fotograaf is: ‘J. David, phot. Levallois-Paris’. Rechts van de afbeelding is de voorzijde helemaal volgeschreven. De achterkant is volledig bestemd voor de adressering. De prentbriefkaart is op 18 november 1901 gestempeld. Afgaande op een gedateerde groepsfoto in het Rijksbureau voor Kunsthistorische Documentatie in Den Haag waarop het bestuur van de cadettensociëteit van de KMA is vastgelegd, was David in ieder geval in 1890-1891 bij de KMA.
Wapenkamer van de KMA in Breda (1890-1891)
Fotograaf: Jules David
Vindplaats: B 83 / 231.21 (5)

Interessanter is bovenstaande foto waarop een interieur te zien is met op de vloer, in vitrinekasten en aan de muur tal van wapentuig (pistolen, sabels, harnassen, kleine affuiten, etc.). Vijf mannen in uniform zijn zodanig tussen de wapens opgesteld dat het totaalbeeld het karakter van een pronkfoto heeft. Rechtsonder, tussen de wielen van een voertuig voor zwaarder geschut, staat het negatiefnummer 304382, dat op de achterzijde nogmaals wordt vermeld. Rechtsboven is een amandelvormig blindstempel aangebracht. Op de rand is te lezen: ‘Reproduction Interdite’. Centraal wordt de fotograaf bekend gemaakt: J. David. Hoewel op de achterzijde in potlood ‘1912’ staat vermeld, mag worden aangenomen dat deze foto tijdens hetzelfde bezoek in 1890-1891 is gemaakt.

De Franse prentbriefkaart en foto in de Brabant-Collectie smaken, samen met de voorbeelden in andere archieven, naar meer. Wellicht dat er bij nadere inspectie en diepere ontsluiting meer Brabantse foto’s van Jules David opduiken. Ingrid Evers zet haar onderzoek naar de fotograaf in ieder geval voort en wordt graag (via een reactie op dit blog) geïnformeerd.

Vindplaats: T 07330