“Kinderveiling”,
het klinkt als een verzinsel om als twijfelachtig opvoedkundig afschrikmiddel
te dienen. “Als je nu niet luistert, brengen we je naar de kinderveiling!”.
Maar helaas is er niets fictioneel aan deze term. Het verwijst naar een
praktijk waarin zogenaamde bestedelingen, meestal weeskinderen, uitbesteed
werden aan particulieren, wat soms gebeurde doormiddel van een heuse veiling. De
geschiedenis van deze bestedelingen wordt uitgebreid beschreven door Menno
Lanting, in zijn boek De Bestedeling. De geschiedenis van kinderveilingen in
Nederland.
Het systeem van
bestedelingen bestond in Nederland van de 17de eeuw tot aan de
Tweede Wereldoorlog. Lanting laat zien hoe de praktijk hiervan was ingebed in
de Nederlandse samenleving van die tijd. Door grote armoede nam de druk op
weeshuizen en armenzorginstellingen toe. Het was simpelweg niet mogelijk alle
behoeftigen op te vangen. Het besteden van deze mensen, ofwel ze voor een klein
bedrag elders onderbrengen, moest deze druk verlichten. Daarbij kwam men tot
het houden van openbare veilingen van kinderen, ouderen en mensen met een
beperking. Bij het veilen van deze mensen ging het niet om de hoogste bieder,
maar in feite juist om de laagste. Dat wil zeggen, degene die tegen een zo laag
mogelijke vergoeding de bestedeling op wilde nemen, won de veiling.
Hoewel het gezin
of tehuis dat de bestedeling opnam de verplichting had goed voor het kind te
zorgen, liet de praktijk een grimmig beeld zien. Het opnemen van deze kinderen
draaide vaak meer om het gewin van degene die de bestedeling opnam, dan om het
welzijn van het kind zelf. Vaak werden deze kinderen gezien als goedkope
arbeidskrachten en wachtte hen een zwaar leven, waarin verwaarlozing en
mishandeling geen uitzondering waren. Hoewel
er vanuit onder andere intellectuele en religieuze kringen zorgen werden geuit
over het lot van deze bestedelingen, bleef de praktijk weerbarstig. Veranderingen
die het welzijn van weeskinderen moesten verbeteren kwamen slechts langzaam op
gang en waren aanvankelijk beperkt. Pas halverwege de twintigste eeuw werd
armenzorg geprofessionaliseerd met meer oog voor het belang van de
hulpbehoevende zelf.
Menno Lanting, De bestedeling. De
geschiedenis van kinderveiling in Nederland (S2uitgevers, Baarn, 2025)
Het vertrekpunt
voor Lanting’s boek is zijn eigen familiegeschiedenis. Zijn overgrootmoeder
Geesken Staal werd in 1877 op vijfjarige
leeftijd wees toen haar beide ouders overleden aan de vlektyfus. De kinderen Staal
werden als bestedeling ondergebracht bij verschillende gezinnen. Geesken kwam
op een boerderij terecht waar haar jaren van hard werken wachtten. Het verhaal
vormde de basis voor Lanting om in de geschiedenis van de bestedelingen en
kinderveilingen in geheel Nederland te duiken.
Hierbij komt ook
Noord-Brabant meerdere keren aan bod. Zo noemt de auteur Sint-Oedenrode, waar
alleen al in 1820 zeventien kinderen en ouderen op bovenstaande manier werden geveild.
Veel kinderen kwamen als bestedeling terecht in boerengezinnen. Ook werden
kinderen uitbesteed aan fabrieken, bijvoorbeeld in Tilburg met zijn levendige
textielindustrie, waar jonge kinderen welkome goedkope arbeidskrachten vormden.
Naast dat
bestedelingen vaak hard moesten werken, kwamen ze er vaak ook bekaaid af waar
het onderwijs betrof. Soms lag dit aan de pleegouders, maar er waren ook
scholen die deze kinderen discrimineerden. Zo weigerde een school in Breda
Amsterdamse bestedelingen, vanwege hun vermeende slechte invloed op de andere
kinderen. In Megen werden pleegkinderen juist gebruikt om het leerlingenaantal aan
te vullen, en zo aan een minimum aantal te voldoen. Wederom een beslissing waarbij
niet het belang van het kind voorop stond.
In sommige
gevallen was er sprake van zware mishandeling, zoals bij pleegmoeder Mina uit
Megen. De zusjes Annie en Everdine waren in 1935 bij haar in huis geplaatst voor
een vergoeding van 35 cent per kind per dag. Beide meisjes werden door Mina
mishandeld tot aan inwendige bloedingen toe en moesten uiteindelijk in de
rechtbank tegen hun pleegmoeder getuigen; ze waren toen pas negen en zes jaar
oud. Ook twee eerdere pleegkinderen van Mina getuigden tegen haar. Deze jongens
waren eerder bij Mina weggehaald en zeiden dat hun overplaatsing voelde alsof
ze “uit de hel en in de hemel waren gekomen”.
Overigens kwamen
niet alleen wezen in het systeem van bestedelingen terecht, soms konden of
wilden ouders niet meer voor hun kinderen zorgen. Zo vertelt Lanting het
verhaal van Hendrik de Wit die, nadat zijn vrouw was overleden en hij was
hertrouwd, de zorg voor zijn vier kinderen teveel geworden vond. Hij liet zijn
kinderen daarom aan het armenbestuur van Breda over met een briefje met daarop:
“doe ermee wat je wilt, ik heb er geen eten voor”. Dit gedrag bleef niet
onbestraft en Hendrik kreeg vier maanden gevangenisstraf voor het verwaarlozen
van zijn kinderen. Hij wist hier echter aan te ontkomen door samen met zijn nieuwe
vrouw te vluchten, waarbij hij zijn kinderen wederom aan hun lot overliet. Deze
kinderen hadden het geluk dat ze uiteindelijk door familie werden opgevangen en
hun het lot van de bestedelingen bespaard bleef in tegenstelling tot vele
anderen.
Door de vele
verhalen van individuele bestedelingen weet Menno Lanting deze mensen een
gezicht te geven. De auteur heeft hierbij niet alleen oog voor de bestedeling
zelf, maar ook voor de context waarin hun vaak schrijnende lot tot stand kon
komen. Hij laat zien hoe de maatschappij worstelde met de zorg voor arme,
kwetsbare groepen. Met zijn boek werpt Lanting licht op een deel van de
geschiedenis dat veel mensen waarschijnlijk nog niet bekend was, maar dat het
meer dan waard is om verteld te worden.
Vindplaats: NGE S3 LANT 2025