Over mij

Mijn foto
De Brabant-Collectie is in 1837 in 's-Hertogenbosch opgericht door het Provinciaal Genootschap van Kunsten en Wetenschappen in Noord-Brabant en wordt sinds 1986 beheerd door de bibliotheek van de Universiteit van Tilburg

maandag 4 juli 2022

Archievenblad: sinds 1892!!

Een tijdschrift dat al meer dan 125 jaar verschijnt; dat kunnen niet veel periodieken zeggen. Het Archievenblad, een uitgave van de Koninklijke Vereniging Archiefsector Nederland, is deze mijlpaal inmiddels gepasseerd. Het wordt op de website gepositioneerd als ‘hét vakblad van, voor en door de archiefsector’. Het verschijnt zes keer per jaar en biedt een keur aan artikelen, interviews en actualiteit over alles wat met archieven te maken heeft. Voor iedereen die in de sector werkzaam is, staat er altijd wel een bijdrage in die van belang is voor zijn of haar archiefwerk van nú. Of het nou gaat om de allernieuwste innovaties op het terrein van digitalisering die het stadium van ‘kinderziektes’ nog niet zijn ontstegen of de gevolgen van (weer) veranderde wetgeving, in het Archievenblad komt het aan bod. Maar een periodiek uit de archiefwereld zou geen knip voor de neus waard zijn als het niet via de website een uitgebreid digitaal artikelenarchief zou aanbieden. Dat is dus ook het geval; via deze link kom je op de startpagina. De laatste drie jaar blijven steeds digitaal buiten schot (een tijdschrift moet ook worden verkocht), maar de overige jaargangen vanaf 1892 (toen heette het nog Nederlandsch Archievenblad) zijn allemaal raadpleegbaar. En daar kun je met gerichte zoekopdrachten de archiefzaken vinden waar je naar op zoek bent. Het feit dat in de archiefwereld de nieuwe mogelijkheden en veranderingen soms over elkaar heen struikelen, maakt een website als deze op het eerste gezicht misschien snel tot een verzamelplaats van achterhaalde ideeën. Maar niets is minder waar. De duurzaamheid van veel artikelen is verrassend groot en als je geïnteresseerd bent in de geschiedenis van het archiefwereldje kun je helemaal niet om deze rijke website heen. En ondertussen kun je in de jongste papieren nummers op de hoogte blijven van de nieuwste ontwikkelingen en de actualiteit.

Vindplaats: T 09700

woensdag 22 juni 2022

Openluchtzwembaden: ware lustoorden

Waterratten opgelet … de zomer doet zijn intrede! Bij hoge temperaturen gaan we massaal op zoek naar de nodige verkoeling. Zwemmen in de buitenlucht om te ontspannen en te genieten is een aangename vrijetijdsbesteding en van alle tijden.

Vroeger ging men in een rivier, kanaal, ven of waterplas ‘wildzwemmen’. Een raar woord, maar zwemmen in het openbaar werd destijds als zedenverwildering gezien. Om wildzwemmen en ook verdrinkingen tegen te gaan, besloten diverse gemeenten daarom een ‘zweminrichting’ in de open lucht aan te leggen. Onder toezicht van een badmeester zou men veilig kunnen zwemmen en bovendien zwemlessen kunnen nemen. En zo werden in de jaren 30 in het kader van de werkverschaffing overal natuurbaden aangelegd, door werklozen met de schop eigenhandig gegraven. Het gewonnen zand kon weer elders bij de bouw van woningen worden gebruikt. In de waterplas die overbleef, was gemengd zwemmen uit den boze. Er was sprake van een strikte scheiding tussen de seksen: mannen en vrouwen hadden een eigen ingang, aparte kleedhokjes en de bassins waren gescheiden door hoge houten schuttingen. Zo getuigt de opname uit 1938 van De IJzeren Vrouw in ’s-Hertogenbosch.

Na de Tweede Wereldoorlog raakten veel van deze buitenzwembaden in verval. Bovendien ontstond in de jaren 60 behoefte aan overdekte zwembaden door groeiende zwemclubs en toenemend school- en wedstrijdzwemmen. Veel van de openluchtzwembaden zijn nu gesloten en de gebouwen gesloopt, zoals De IJzeren Vrouw in ’s-Hertogenbosch en De Clarinet in Deurne (beide in 1969), alsook zwembad Ringbaan-Oost in Tilburg (1980). Recreatieoorden als De IJzeren Man in Vught, Staalbergven in Oisterwijk, Wolfslaar in Breda, De Warande in Oosterhout en het E3-strand bij Eersel (nu omgedoopt tot Landgoed Duynenwater) bestaan echter nog steeds en worden tijdens zomerse dagen druk bezocht. Speeltoestellen als glijbanen en duikplanken verhogen de waterpret voor jong en oud. Op de recreatieplas werd ook veelvuldig watersport bedreven, zoals roeien, kanoën, windsurfen, waterskiën en zelfs speedraces, maar er werden ook waterpolowedstrijden gehouden.

Trek alvast in gedachte je zwembroek of badpak uit de kast, want in dit beeldverhaal passeren enkele nostalgische beelden van Brabantse buitenzwembaden de revue: het zijn ware lustoorden!
Bekijk het beeldverhaal in het juninummer van In Brabant.
Badhuis Staalbergven aan de rand van de bossen, Oisterwijk, vóór 1930

Overvol strand met badgasten op het E3-strand Eersel, circa 1965
© Noud Aartsen | Brabant-Collectie, Tilburg University

maandag 20 juni 2022

Wandelen door de Brabant-Collectie: Van Soerendonk naar de Venbergse Watermolen

Etappe 9 Brabants Vennenpad (24,3 km)

We starten de wandeling vandaag in Soerendonk oftewel Zurrik in het plaatselijk dialect. De Brabant-Collectie bezit onderstaande gekleurde penseeltekening van een gestileerde kraanvogel, het wapen van deze plaats.
Wapen van Soerendonk. Gekleurde penseeltekening.
Maker en datering onbekend. Formaat: 31,5 x 42,5 cm.
Vindplaats: ML / 513 (144)
Deze tekening vormt een mooie aanleiding om nader in te gaan op het fenomeen overheidsheraldiek, een taak die valt onder de Hoge Raad van Adel. Op 5 januari 1815 verzoekt de Raad alle steden, dorpen, heerlijkheden, districten en corporaties die voorheen een wapen in gebruik hadden om een tekening of beschrijving daarvan in te dienen. De vorst bevestigt vervolgens deze wapens. Overheden en organisaties die geen wapen voeren, kunnen hun wens voor een nieuw wapen doorgeven aan de Raad. Burgemeester Andries van der Sanden van Soerendonk geeft gehoor aan deze oproep. Hij schrijft aan de gouverneur van de provincie dat de plaatsen Maarheeze, Soerendonk en Gastel, die voorheen gecombineerd waren onder de naam Baronie van Kranendonk, als algemeen wapen een kraanvogel hebben. De burgemeester verzoekt in het bezit daarvan te worden bevestigd. Aldus geschiedt: op 31 augustus 1818 wordt bij besluit van de Hoge Raad van Adel een wapen verleend met als beschrijving “Een schild van lazuur beladen met een kraanvogel in natuurlijke kleur”. Cranendonck, de gemeente waar Soerendonk sinds 1997 onder valt, herbergt in zijn naam de woorden kraan (kraanvogel) en donk (hoogte, heuvel in waterrijke omgeving). Deze naam is al eeuwen in gebruik en verwijst er ongetwijfeld naar dat kraanvogels massaal neerstreken in deze contreien tijdens hun voor- en najaarstrek. Ook nu nog kun je met een beetje geluk deze prachtige vogels in het voor- en/of najaar over zien vliegen tijdens je tocht op het Brabants Vennenpad. Dus kijk in die periodes van het jaar vooral ook eens naar boven en luister goed of je hun betoverende vluchtroep kunt horen.

We verlaten het dorp en lopen verder in westelijke richting naar natuurgebied Soerendonks Goor. In 1957 werd dit gebied ondanks hevig protest ontgonnen, maar dat draaide uit op een mislukking. Twintig jaar later werd de ingreep alweer teruggedraaid en inmiddels is er ruimte gemaakt voor de ‘natte natuur’. We lopen langs een grote waterplas genaamd Het Goor. Oktober 2020 startte Staatsbosbeheer hier met werkzaamheden om de waterkwaliteit te verbeteren en de 25 jaar oude vogelkijkhut Hou ut Moi te vervangen. Een jaar later waren de werkzaamheden afgerond en werd de nieuwe hut opgeleverd. Een mooie plek dus voor de vogelliefhebbers onder ons om deze plas, een belangrijke pleisterplaats voor trekvogels, af te turen.
Noud Aartsen maakte in 1992 onderstaande foto van het gebied waar we zijn.
Groote Heide. Foto. Maker: Noud Aartsen. Datering: 1992.
Formaat: 20,2 x 25,2 cm. Vindplaats: NA/BL/23/006
© Noud Aartsen / Brabant-Collectie, Tilburg University
Op de achterkant van deze foto heeft de fotograaf met pen geschreven: verschraling – vergrassing Groote heide – Gastelsche heide – Het Goor (nabij Soerendonk). Van vergrassing heeft dit natuurgebied nog steeds last, onder andere door stikstofdepositie. Dit kun je goed zien aan de alom aanwezige grassoort pijpenstrootje die andere planten verdringt.

We gaan verder en lopen een paar kilometer langs de grens met België tot we uitkomen bij de Sint-Benedictusabdij van Achel oftewel: Onze-Lieve-Vrouw-van-La-Trappe-van-de-Heilige-Benedictus. Meer bekend is de benaming Achelse Kluis, die verwijst naar de periode 1686-1798 toen hier een gemeenschap van kluizenaars gevestigd was.
St. Benedictus Abdij Achel - Gastenhuis. Prentbriefkaart.
Maker, datering, uitgever: onbekend. Formaat: 15 x 10 cm
Vindplaats: pbk-A 18 / 441.12 Trap (1)
De voormalige cisterciënzerabdij ligt deels op Belgisch, deels op Nederlands grondgebied: in België behoort het tot gemeente Hamont-Achel en in Nederland tot gemeente Heeze-Leende.
De grens Nederland-België bij de Achelse Kluis (augustus 2021)
© Jolanda van den Akker / Brabant-Collectie, Tilburg University
In 1846 stichten de trappisten van de abdij van Westmalle er een priorij in de geest van de cisterciënzerorde. In 1871 wordt de priorij tot abdij verheven en heet dan Sint-Benedictusabdij. Louis Philippona (1827-1879) verblijft acht dagen in de abdij en publiceert in 1863 een kort verslag van zijn retraite. Ten tijde van het verschijnen hiervan werkt hij als journalist en gebruikt de naam Multapatior (betekent: ik lijd veel).
Titelpagina van: Eene retraite bij de paters
Trappisten te Achel
van Louis Philippona.
Vindplaats: CBM B 47954
De abdij is volgens de auteur “rondom in die woestijn van heide en zand gelegen”. Ter plekke wordt hij hartelijk welkom geheten door de broeders: “Onder duizend vriendelijke woorden ging nu de Priester voort met ook voor mijn avondmaal te zorgen, en eene groote tinnen kan met overheerlijk, in het klooster gebrouwd bier prijkte weldra naast een hooge stapel sneden van een smakelijk zelfgebakken gruisbrood.” De vermelding van het heerlijke bier is een saillant detail, want enkele jaren later, in 1875, richt hij Multapatior’s Bond ter Bestrijding van Bedwelmende Dranken op. Maar goed, hij ageert met name tegen misbruik van sterke drank (jenever), zoals te lezen is zijn boekwerkje "Multapatior’s strijd tegen misbruik van sterken drank en openbare dronkenschap” (Amsterdam: Jan D. Brouwer, 1875). In die zin heeft hij een meer gematigde benadering vergeleken met soortgelijke organisaties die in die tijd opgericht worden.
Al in 1850 begonnen de broeders met het brouwen van Trappist Achel. Tussen de Eerste Wereldoorlog en 1998 lag de productie stil. In dat jaar wordt het brouwen nieuw leven ingeblazen. Wel onder het toeziend oog van de monniken van Westmalle, aangezien sinds eind 2020 er geen paters meer in de abdij wonen. Maar dat doet niets af aan de kwaliteit van het bier en zo blijft de Achelse Kluis met haar brasserie en abdijwinkel een prima pauzeplek.

Voordat we verder wandelen gaan we nog even terug in de tijd. Op de toegangsweg naar de abdij staat sinds 2015 een reconstructie van de Dodendraad, exact op de plaats waar deze was gesitueerd tijdens de Eerste Wereldoorlog. Voor deze reconstructie is gebruik gemaakt van een historische foto die zich in het archief van de Achelse Kluis bevindt.
Reconstructie van de Dodendraad bij de Achelse Kluis (augustus 2021)
© Jolanda van den Akker / Brabant-Collectie, Tilburg University
De Dodendraad (ook Draad des Doods, Dodenhek en Den Droad genoemd) was een 332 km lange, dodelijke draadversperring die de Duitsers tijdens de Eerste Wereldoorlog aanlegden langs de gehele Belgisch-Nederlandse grens. De draad, waarop 2.000 volt spanning stond, moest verhinderen dat mensen, maar ook smokkelwaar en spionageberichten, van bezet België naar neutraal Nederland zouden gaan. Voor die tijd was het een technisch hoogstandje een dergelijk hoge spanning over een grote lengte op te wekken. Bovendien was het een nieuw en ontzagwekkend wapen. Veel mensen hadden nog weinig ervaring met elektriciteit, laat staan met hoogspanning. Er mag dan ook aangenomen worden dat er veel slachtoffers vielen puur uit onwetendheid.
Bij de Achelse Kluis loopt de grens dwars door de abdij, en dat is een ongunstige positie voor de abdijbroeders tijdens de Eerste Wereldoorlog. De meesten van hen vluchten naar Valkenswaard en reizen van daaruit door naar ordegenoten in Tegelen en Diepenveen. Twee monniken en vijf lekenbroeders blijven achter. Intussen hebben de Duitsers de abdij bezet. Zij deinzen er niet voor terug een deel van de abdijmuur af te breken en de Dodendraad dwars door de kloostertuin te leggen. De kosten hiervoor worden bij de broeders neergelegd. In 1917 komen de broeders uit Diepenveen noodgedwongen weer naar Achel terug. De broeders die in Tegelen verblijven, kunnen pas aan het einde van de oorlog terugkeren.
De Dodendraad heeft naar schatting honderden mensenlevens gekost, maar kon niet verhinderen dat duizenden mensen toch de grens over kwamen. Wil je meer lezen over de Dodendraad, klik dan hier om onze collectie te raadplegen.

We laten de Achelse Kluis achter ons en lopen in noordelijke richting, langs het Leenderbos, en komen uit bij het vijvercomplex langs de Tongelreep.
Vijvers nabij de Tongelreep (augustus 2021)
© Jolanda van den Akker / Brabant-Collectie, Tilburg University
Zoals vermeld in het vorige blog viel de opkomst van de commerciële viskweek ongeveer samen met het einde van de valkerij. In 1900 verpacht gemeente Valkenswaard een gebied van 20 ha, gelegen ten noorden van de weg Valkenswaard-Leende en ten westen van de Tongelreep, aan de gebroeders Antoon en Jasper van Best. Deze sigarenfabrikant respectievelijk burgemeester van Valkenswaard leggen er visvijvers aan voor het kweken van karpers. Het water uit de Tongelreep voedt de onderling verbonden vijvers die door dijkjes van elkaar gescheiden zijn. In 1902 volgt Samuel John van Tuyll baron van Serooskerken (1874-1955) het voorbeeld van gebroeders Van Best. Hij laat iets noordelijker, aan de oostkant van de Tongelreep, 55 ha aan visvijvers aanleggen. Deze gebieden zijn mooi zichtbaar op een topografische kaart uit 1929. De kwaliteit van de consumptievis is overigens prima: op een landbouwtentoonstelling in Den Haag, september 1907, behalen de gebroeders Van Best een bronzen medaille. In 1920 eindigt hun pachttermijn en komt het gebied weer in handen van gemeente Valkenswaard, die het vervolgens verpacht aan de Nederlandse Heidemaatschappij. Deze maatschappij is hier geen onbekende, want zij heeft al jarenlang grote ontginningswerkzaamheden uitgevoerd rondom Valkenswaard. Op de beeldbank van het Nationaal Archief staan enkele mooie foto’s van de visteelt door de Heidemij.
Met de opkomst van de sportvisserij wordt na de Tweede Wereldoorlog in de vijvers pootvis gekweekt, die vervolgens wordt uitgezet bij hengelsportclubs. De exploitatie van de vijvers komt in 1957 in handen van de Organisatie ter Verbetering van de Binnenvisserij. Zij is in 1952 bij wet opgericht als kennis- en adviescentrum voor zoetwatervisserij en visstandbeheer. Om de visproductie te verhogen bemest de OVB de vijvers met afval van een slachthuis en een lijmfabriek. Dat afval wordt aangevoerd vanuit Valkenswaard en Eindhoven en ter plekke bij de visvijvers verwerkt tot visvoer. In 2004 stopt men op last van de overheid met de viskwekerij: dankzij de OVB is de visstand op orde en de verkoop van kweekvis wordt verder overgelaten aan commerciële kwekers. Het gebied met de visvijvers is momenteel grotendeels een voor het publiek niet-toegankelijk vogelreservaat onder beheer van Brabants Landschap. Interessante filmbeelden zijn te zien bij twee afleveringen van de tv-serie De Wandeling: een aflevering uit 1998 en eentje uit 2003.
Onze route loopt een stukje zuidelijker. Hier is in 1933, in het kader van de werkverschaffing, De Oase aangelegd: het eerste openluchtzwembad van Valkenswaard. Voor foto's hiervan kun je terecht op de beeldbank van Heemkundekring Weerderheem. Zo’n veertig jaar na de opening moest het zwembad sluiten, omdat waterkwaliteit en hygiëne niet aan de regels voldeden. Het bad werd gesloopt en omgezet in een hengelvijvercomplex. Verder 
liggen hier ook enkele voormalige viskweekvijvers die in 1970 zijn aangelegd ter uitbreiding van het bovengenoemde vijvergebied. Momenteel maakt het onderdeel uit van de herinrichting beekdal Tongelreep.

Na het passeren van Bruggerhuizen en het Brugven lopen we een stukje over de voormalige spoorlijn Hasselt-Valkenswaard-Eindhoven; het zogenaamde ‘Bels Lijntje’. Hier hebben we de vorige etappe al uitgebreid bij stil gestaan, maar de volgende anekdote is het vermelden waard. Elisabeth (‘Betje’) Heesterbeek en haar man Cornelis (‘Nellis’) wonen vanaf hun huwelijk in 1896 in spoorwegwachtershuisje nr. 30 aan de Parallelweg West 49 in Valkenswaard. Beiden werken bij de spoorwegen. Nellis houdt zich onder andere bezig met onderhoud van de spoorlijnen. Betje is in dienst als “wachteres”. Op het spoortraject bij De Sil en Zeelberg zijn op dat moment bedienbare spoorbomen in gebruik die op ongeveer 300 meter van elkaar verwijderd liggen. De taak van Betje is om met een toeter een signaal voor de machinist te geven zodra alles veilig is. Ze loopt dus continu heen en weer tussen de twee spoorwegovergangen. In de tussentijd krijgt Betje maar liefst 18 kinderen, waarvan 6 tweelingen, en bereikt de respectabele leeftijd van 87 jaar. Op de beeldbank van Heemkundekring Weerderheem staat een afbeelding van het spoorwachtershuisje nr. 30.

En zo komen we aan bij het eindpunt van de wandeling van vandaag, de Venbergse Watermolen. De volgende keer lopen we verder naar Luyksgestel.

Bronnen:
  • J. van Appeldorn (juni 2014): Van Bels-lijntje naar... Miljoenenlijntje. In: 't Periodiekske; themanummer. Pag. 1-32. Vindplaats: T 07919
  • J. van Appeldorn: De natuur in Valkenswaard en de invloed van de mens op het landschap. Vianen: Optima; Valkenswaard; Heemkundekring Weerderheem, juli 2016. Vindplaats: BRA Y3 APPE 21
  • C.M. Bungenberg de Jong: Geschiedenis en ontwikkeling van het viskweekbedrijf "Valkenswaard". Utrecht: Vereniging ter Verbetering van de Binnenvisserij, 1964. Vindplaats: CBM 966 B 29
  • Multapatior: Multapatior's strijd tegen misbruik van sterken drank en openbare dronkenschap. Amsterdam: Jan D. Brouwer, 1875. Online resource
  • L. Philoppona: Eene retraite bij de pater Trappisten te Achel. Arnhem: Witz, 1863. Vindplaats: CBM B 47954
  • H. van Royen (2019): In ballingschap tijdens de Groote Oorlog: Belgische Trappisten in Nederland. In: De Kovel: monastiek tijdschrift voor Vlaanderen en Nederland. Jaargang 12, nr. 57, pag. 74-77. Vindplaats: T 10961

maandag 6 juni 2022

Noord-Brabant, de 25 mooiste fietsroutes

Onlangs verscheen een leuk fietsrouteboekje met 25 mooiste fietsroutes in Noord-Brabant. Het boekje kwam tot stand in samenwerking met fietsnetwerk.nlHet is een handzaam boekje met knooppunten, parkeerplekken, rustpunten en praktische informatie. Geschikt voor gewone en elektrische fietsen. Met leuke afstapplekken, interessante bezienswaardigheden, mooie natuurgebieden en knusse dorpjes onderweg. Het boekje geeft routes in West-, Midden-, Noordoost- en Zuidoost-Brabant met veel mooie foto’s. 

Vindplaats: BRA H4 REIS 2022

Meer fiets- en of wandelroutes in de provincie Noord-Brabant kunt U vinden in de kasten in open opstelling op niveau 0 bij de rubriek BRA H4. 

maandag 23 mei 2022

Wandelen door de Brabant-Collectie: Van station Heeze naar Soerendonk

Etappe 8 Brabants Vennenpad (23 km)

Startpunt van vandaag is het op 1 mei 1977 geopende station Heeze. Het verving het ruim een kilometer zuidwaarts gelegen oude station Heeze-Leende, waarvan de Brabant-Collectie onder andere deze twee prentbriefkaarten bezit.
Heeze Station (Voorzijde). Prentbriefkaart. Maker onbekend. Datering: 1914.
Uitg. G. v.d. Paal - v. Kessel, Heeze. Formaat: 8,7 x 13,7 cm.
Eigendom Brabant-Collectie, Tilburg University

Heeze Station (Achterzijde). Prentbriefkaart. Maker onbekend. Datering: 1914.
Uitg. G. v.d. Paal - v. Kessel, Heeze. Formaat: 8,7 x 13,7 cm.
Eigendom Brabant-Collectie, Tilburg University
Met de bouw van station Heeze-Leende, gelegen aan de amper 25 km lange spoorlijn Eindhoven-Weert, begint men in 1912. Op 30 oktober 1913 wordt het nieuwe treintraject in gebruik genomen, en daarmee ook de stations die er aan liggen. In De Maasbode staat de volgende dag een verslag. Tijdens de eerste feestrit over het traject, met aan boord veel hoogwaardigheidsbekleders, wordt onder andere station Heeze-Leende aangedaan: “Ook hier speelde bij aankomst de muziek. De burgemeester van Heeze, het woord voerende, zeide de totstandkoming der lijn toe te juichen voor de welvaart van Heeze en voor den bloei van dit gewest en bracht dank aan de regeering, aan de Exploitatie der S.S. (Staatsspoorwegen red.) en aan haar personeel en sprak de hoop uit, dat dit schoonste plekje van Noord-Brabant in welvaart zal toenemen.” De nieuwe spoorlijn haalt Heeze en omstreken uit haar isolement en zowel het personen- als het goederenvervoer maakt een fikse stap voorwaarts. Zo kan bijvoorbeeld het hout uit de bossen van Heeze, bedoeld voor de mijnbouw in Limburg, sneller vervoerd worden. Station Heeze-Leende is gesitueerd aan de zuidkant van de spoorwegovergang Leenderweg - Oude Stationsstraat. Op een eilandperron bevinden zich de wachtkamers en is een anderhalve verdieping hoog, asymmetrisch gebouw gezet. Het dak is deels tentdak, plat dak en schilddak. Guusje Veldhuizen laat in haar artikel in Heemkronijk (1993, jg. 32, nr. 1, p. 18-20) Giel Engelen aan het woord, die jarenlang met zijn gezin tegenover het station woonde: "Het station heette (tot 1960) officieel ‘Heeze-Leende'. In die dagen liep de conducteur met zijn pannekoek (sic) en fluitje langs de trein, riep de naam van het station en sloot de deuren met een stevige klap en zo'n grote koperen grendel. In Geldrop riep er altijd een als grapje: "Uitstappen, mun-geld-is-op, geld-is-op", en in Heeze zong hij altijd hetzelfde liedje: "Hete Leentje, hete Leentje"!" Op 22 mei 1977 valt het doek voor dit station en wordt het, tot verdriet van vele inwoners van Heeze, gesloopt.

We verlaten de bebouwing van Heeze en lopen richting Natuurgrenspark De Groote Heide dat zich uitstrekt van Eindhoven in het noorden tot over de grens met België in het zuiden. Dit natuurgebied is maar liefst 6.000 hectare groot en we hebben er al stukjes van doorkruist, zoals de vorige keer de Strabrechtse Heide en de Herbertusbossen bij Kasteel Heeze. Het ligt op grondgebied van de gemeentes Cranendonck, Eindhoven, Heeze-Leende, Valkenswaard en in België Hamont-Achel en Neerpelt. Rond 1900 was het één groot heidegebied (vandaar de naam uiteraard), totdat grote delen ontgonnen werden en er (vooral naald)bossen, weilanden, akkers en bebouwing voor in de plaats kwamen. Helaas is door de aanleg van autosnelwegen - met name de A2 en de A67 - het gebied nogal versnipperd geraakt. Maar gelukkig zijn er nog mooie, aaneengesloten stukken heidegebied met vennen overgebleven, zoals het gedeelte ten oosten van de A2 waar we nu doorheen lopen.
De Groote Heide (mei 2021)
© Jolanda van den Akker / Brabant-Collectie, Tilburg University
We komen uit bij De Oude Baan en stuiten op een stukje spoorwegnostalgie. In 1866 wordt de spoorlijn van Hasselt via Valkenswaard naar Eindhoven, ook bekend onder de naam ‘Bels Lijntje’, in gebruik genomen. Hiermee wil men een concurrerende verbinding tussen de Amsterdamse en Rotterdamse haven en het industrie- en mijnbouwgebied in de regio Luik creëren. Op het traject worden vooral goederen vervoerd en slechts op beperkte schaal personen. In 1948 komen de eerste signalen dat de spoorlijn in Eindhoven zou moeten verdwijnen. De stad is bezig met de wederopbouw en daar hoort een onrendabele spoorlijn niet bij. Maar de spoorwegen zitten vast aan een traktaat met België en kunnen de lijn niet zomaar opheffen; de Belgen willen de lijn namelijk wel behouden. Een oplossing wordt gevonden door het traject Valkenswaard-Eindhoven op te heffen en een aftakking te maken aan de oostkant. Vanaf 1959 loopt de spoorlijn van Valkenswaard via Geldrop naar Eindhoven. Onze wandelroute volgt een stukje van deze voormalige spoorlijn. In 1973 wordt het tracé alweer opgeheven, en ook het aansluitende gedeelte tussen Valkenswaard en Neerpelt wordt gesloten. In 1985 valt het doek voor het gehele baanvak. In 2016 is een fietspad geopend dat het oude spoorbaantracé Valkenswaard-Eindhoven volgt.

We steken de A2 over en komen aan bij Valkenhorst, een natuurgebied dat wordt beheerd door Brabants Landschap. Hier lopen we over een heidegebied waar al vanaf de 17e eeuw tijdens de voor- en najaarstrek valken, met name slechtvalken, werden gevangen. De vogels werden vervolgens getraind en verkocht aan adellijke hoven in het binnen- en buitenland. In 1925 werd de laatste valk door de laatste valkenier, Karel Mollen (1854-1935), gevangen. Over hem schreef zijn kleindochter Joke Peels-Mollen samen met enkele familieleden in 2021 een fraai geïllustreerd boek, gebruik makend van hun familiearchieven en bestaande publicaties. Het einde van de valkerij viel ongeveer samen met de opkomst van de commerciële viskweek. Maar meer daarover als we later op onze route van het Brabants Vennenpad langs de visvijvers van Valkenswaard lopen.


We passeren de Spinsterberg, een heuvelig bos- en heidegebied. Grondeigenaar Philips en gemeente Leende willen in 1986 hier een 18-holes golfbaan aanleggen. In een boekwerk met groot formaat kleurenfoto’s getiteld “Spinsterberg” wordt uiteengezet waarom die golfbaan “van internationale standaard en allure” er moet komen. Dat de ambities hoog zijn, blijkt wel uit dit citaat (pag. 4): “Een gebied dat vanuit het westen – noorden en oosten (Duitsland) en zuiden (België) via snelwegen gemakkelijk bereikt kan worden! Vanuit Parijs naar “Spinsterberg” komt U maar één verkeerslicht tegen…!!" Onder andere de Brabantse Milieufederatie, IVN Natuureducatie en Brabants Landschap verzetten zich met hand en tand tegen het plan. Twintig gezamenlijke natuur- en milieuorganisaties komen met een (bescheiden) brochure, eveneens getiteld “Spinsterberg”, om hun argumenten kracht bij te zetten. Uiteindelijk sneuvelt het plan voor de golfbaan bij de Raad van State. Momenteel is Brabants Landschap eigenaar van dit natuurgebied.

We gaan verder zuidwaarts en komen aan in het Leenderbos. Onderstaande kaart uit de Brabant-Collectie toont grofweg het gebied waar we nu doorheen lopen.
Provincie Noordbrabant. Gemeente Leende. Maker: J. Kuiper. Datering: 1865-1870.
Uitgever: Hugo Suringa. Formaat: 18,3 x 27 cm. Vindplaats: L 33 / 020 (1)
Rond 1930 kocht Staatsbosbeheer een gebied bestaande uit heide en zandverstuivingen. In het kader van de werkverschaffing werden er ontginningsbossen aangelegd, en zo ontstond het Leenderbos. Ook nu nog levert dit bos hout op, toch is de oorspronkelijk functie van productiebos herzien; recreatie en natuurwaarden zijn nu minstens zo belangrijk. Dat komt bijvoorbeeld tot uiting in de status Natura 2000-gebied dat het Leenderbos heeft samen met De Groote Heide en De Plateaux.

We verlaten het bos en lopen het buurtschap Leenderstrijp binnen. Fraai zijn de vele langgevelboerderijen die hier te zien zijn. Middelpunt van Leenderstrijp is het Kaetsveld, een driehoekig plein. Uitermate geschikt om even te pauzeren tijdens deze lange wandeletappe. Hier stond tot zomer 2009 een zeer markante lindeboom met een geschatte ouderdom van tussen de 200 en 250 jaar, bijgenaamd Spokenboom. Het was een gekandelaberde boom in drie etages, waarin sommigen een verwijzing naar de Drievuldigheid (de Vader, de Zoon en de Heilige Geest) zagen. Een schimmelziekte werd de boom uiteindelijk fataal, maar december 2009 is er een nieuwe geplant op het Kaetsveld. Ook aan dit veld gelegen is Coöp. Sint Jan: een nostalgische kruidenierswinkel die teruggaat tot 1916 en die mooi beschreven is in het boek Met vereende kracht: een eeuw winkel en school in Leenderstrijp.

We lopen het buurtschap uit en volgen de Strijper Aa. Deze beek werd in 1973 in het kader van de ruilverkaveling Strijper Aa-Budel rechtgetrokken. Mede omdat dit toen een van de laatste nog vrijwel gave laaglandbeken van Nederland was, was hier veel weerstand tegen. Ook fotograaf Noud Aartsen (1932-2010) verfoeide de kanalisatie en de komst van de bio-industrie. Zijn foto’s zijn hier een stille getuigenis van en spreken voor zich.

De situatie vóór de kanalisatie van de Strijper Aa:
Leenderstrijp 1973. Contactafdruk. Maker: Noud Aartsen. Datering: 1973.
Formaat: 20,1 x 25,1 cm. Vindplaats: NA/BL/18/029
© Noud Aartsen / Brabant-Collectie, Tilburg University
De situatie na de kanalisatie van de Strijper Aa:
Strijper Aa 1975. Foto. Maker: Noud Aartsen. Datering: 1975.
Formaat: 17,9 x 23,9 cm. Vindplaats: NA/BL/18/019
© Noud Aartsen / Brabant-Collectie, Tilburg University
Helaas heeft Noud het niet meer mee kunnen maken, maar op 10 september 2021 is het project Herstel Beekdal Oude Strijper Aa officieel opgeleverd. Het beekdal is opnieuw ingericht, waardoor water beter vastgehouden kan worden en het gebied minder kwetsbaar is voor verdroging. De Strijper Aa heeft zijn meer natuurlijke loop teruggekregen, vergelijkbaar met de situatie van vóór 1973. Het oogt nu allemaal nog een beetje kaal, maar de nieuwe aanplant, passend bij deze omgeving, zal weldra een mooiere aanblik op gaan leveren.
Eindpunt van vandaag is Soerendonk. De volgende keer wederom een fikse etappe, dan lopen we naar de Venbergse Molen.

Bronnen:
  • J. van Appeldorn (juni 2014): Van Bels-lijntje naar... Miljoenenlijntje. In: 't Periodiekske; themanummer. Pag. 1-32. Vindplaats: T 07919
  • Brabantse Milieufederatie: Spinsterberg: informatie over het natuurgebied Spinsterberg, de waarde van het gebied en de bedreiging vanwege de plannen voor aanleg van een golfbaan. Tilburg: Brabantse Milieufederatie, 1986. Vindplaats: CBM B 33651
  • T. Caspers (2019): De Groote Heide. In: Brabeau. Nummer 3, pag. 28-33. Vindplaats: T 10855
  • Met vereende kracht: een eeuw winkel en school in Leenderstrijp. Leenderstrijp: Sint Jan Coöperatieve Verbruiksvereniging U.A., 2016. Vindplaats: BRA Y3 MET 2016
  • Spinsterberg. Leende: s.n., 1985. Vindplaats: CBM 039 H 45
  • A.L.M.Th. Veldhuizen-van Geffen (1983): De strijd om een spoorlijn: 70 jaar spoor Weert-Eindhoven 30 okt. 1913. In: Heemkronijk. Jaargang 22, nummer 3, pag. 76-81. Vindplaats: T 07475
  • G. Veldhuizen (1993): Bedankt voor de klandizie. Herinneringen aan het oude station van Heeze. In: Heemkronijk. Jaargang 32, nummer 1, pag. 18-20. Vindplaats: T 07475

maandag 9 mei 2022

Tijdschrift: Archeologie in Nederland

Naast alle lokale en regionale periodieken kun je bij de Brabant-Collectie ook diverse tijdschriften aantreffen met een bovenregionaal, landelijk of zelfs internationaal karakter. De redenen hiervoor laten zich raden. De ene keer is het de inhoud van een dergelijk tijdschrift die goed aansluit bij dat waar de Brabant-Collectie voor staat. Dat geldt bijvoorbeeld voor een tijdschrift over de Nederlandse taal. De andere keer hebben artikelen in zo’n tijdschrift meer dan eens het Brabantse grondgebied tot onderwerp. En dit duidt er dan meestal op dat Brabant op een bepaald onderwerp een belangrijk (onderzoeks)gebied is. Dit is bijvoorbeeld het geval als het de archeologie betreft en het tijdschrift Archeologie in Nederland is hiervan een treffend voorbeeld. Zeer regelmatig verschijnen in dit tijdschrift met een – inhoudelijk – landelijke spreiding bijdragen over de resultaten van archeologisch onderzoek over Noord-Brabant, een belangrijk gebied als het gaat om de nederzettingsgeschiedenis van Nederland.

Het colofon vermeldt dat het een tijdschrift is voor vrijwilligers (van de Archeologische Werkgemeenschap Nederland) en professionals. Archeologie in Nederland is de opvolger van Westerheem (gestart in 1952, in totaal 65 jaargangen!) en Archeobrief. Het tijdschrift, in 2022 toe aan de zesde jaargang, heeft tot doel de archeologische wereld te informeren over zaken betreffende archeologie en aanverwante terreinen. Het verschijnt viermaal per jaar en wordt uitgegeven bij Uitgeverij Matrijs.

De artikelen beslaan het hele spectrum van de archeologie (qua periode én onderwerp) en worden om die reden ook verzorgd door een breed scala aan auteurs. Nieuwe vondsten en specialistisch, archeologisch onderzoek wisselen elkaar af en maken ieder nummer tot een boeiend geheel. Dit komt ook omdat het tijdschrift prettig is opgemaakt en de bijdragen rijk zijn geïllustreerd. Andere archeologische publicaties, zoals rapportages, hebben vaak een andere uitstraling, maar zij dienen meestal een ander doel. Archeologie in Nederland is volgens het colofon voor de ‘actief geïnteresseerden’, maar door de artikelen en columns, archeologisch nieuws, de agenda en tentoonstellingskalender, is het interessant voor een veel groter publiek dan alleen die groep.

In de Brabant-Collectie is uiteraard veel meer te ontdekken over archeologisch Brabant. Via BCfinder zijn talloze boeken en tijdschriftartikelen, maar ook boeiend beeldmateriaal te vinden.


Vindplaats: T 11014

maandag 25 april 2022

Wandelen door de Brabant-Collectie: Van de Collse watermolen naar station Heeze

Etappe 7 Brabants Vennenpad (19,2 km)

Vanaf de weg zien we de Collse watermolen liggen, een dubbele onderslagmolen met rechts een koren- en links een oliemolen. De molen ligt, net als de Opwettense watermolen uit etappe 6, aan de Kleine Dommel.
Collse watermolen (maart 2021)
© Jolanda van den Akker / Brabant-Collectie, Tilburg University

Collse watermolen. Foto. Maker en datering onbekend.
Formaat: 15 x 24 cm. Vindplaats: E 21 / 842.11 Coll (4)
Het oudst bekende document waarin de molen wordt genoemd, dateert uit 1337. De Hertog van Brabant geeft de molen ‘te Colle’ in leen aan Rudolfus Rover van Hoescoet, die hem op zijn beurt verkoopt aan Otto van Cuyck, de heer van Cuijk en Mierlo. In 1680 brandt de molen geheel af, maar een jaar later herrijst hij weer en wordt tot 1859 verpacht. Dan komt de molen in handen van Jan Smulders, burgemeester en molenaar in Zesgehuchten. Vincent van Gogh woont vanaf december 1883 twee jaar in Nuenen. Lente 1884 schildert hij de Collse molen. Dit olieverfschilderij wordt november 2017 voor bijna 3 miljoen euro aangekocht door Het Noordbrabants Museum in 's-Hertogenbosch. De eerste helft 20e eeuw raakt de molen in verval, maar gelukkig komen in 1975 initiatieven op gang voor herstel. In 2003 is de reconstructie en restauratie afgerond en vanaf dan verhuurt gemeente Eindhoven de molen aan stichting De Eindhovense Molens.

Iets verderop aan de Collseweg ligt ‘t Huys te Coll. Molenaar Rombout Smits koopt in 1778 een huis naast de molen dat is ingericht als bierhuis. Negen jaar later bouwt hij tussen dat pand en de Collseweg een nieuw huis, ’t Huys te Coll, en dat wordt ook een bierhuis. Zijn nazaten zetten dit zo voort. In 1873 komt het in handen van koopman Jacob Neiszen. In 1918 is Johanna, ongehuwd en een van de vier kinderen van Jacob, de enige bewoonster van het huis. Ze leeft een teruggetrokken leven, met enkel een bok en wat kippen als gezelschap. Wordt ze eerst nog als tante Han aangesproken, al snel verandert dat in Collse heks en de kinderen uit de buurt roepen haar na met Hanneke Tanneke Toverkol. Het verhaal gaat dat ze zo mensenschuw was dat leveranciers de bestellingen door een luikje in een raam naar binnen moesten schuiven. In 1933 wordt ze ernstig ziek en komt in het ziekenhuis terecht waar ze niet veel later op 69-jarige leeftijd sterft. De gemeente heeft er een hele kluif aan haar zwaar vervuilde woning uit te mesten. Half Tongelre loopt uit bij het verbranden van al het afval.

Lopend door de prachtige, maar drassige Urkhovense Zeggen komen we uit bij het Eindhovens Kanaal, dat als een kaarsrecht lint in het landschap ligt. Dit kanaal is tussen 1843 en 1846 gegraven en vormt een verbinding tussen Eindhoven en de Zuid-Willemsvaart. Het heeft nu alleen nog een recreatieve functie. We lopen verder langs de Kleine Dommel en komen uit bij de tuinen van Kasteel Geldrop, die in 1870 in Engelse landschapsstijl zijn aangelegd.
Kasteel van Geldrop. Prentbriefkaart. Maker en datering onbekend.
Uitgever: Rembrandt. 
Formaat: 12,5 x 9 cm. Vindplaats: pbk-G 26.1 / 820.11 (1)  
Het kasteel zelf zien we op een afstandje liggen. Het bouwwerk is overigens geen middeleeuwse burcht, maar ontstaan uit de nieuwe edelmanswoning die kasteelheer Amandus I van Horne rond 1616, vlak voor zijn dood, heeft gesticht. Centraal stond een woontoren oftewel donjon die is afgebroken in 1840. De Brabant-Collectie bezit onderstaande aquarel, maar het is onbekend of het hier de woontoren betreft of de Burght, een ander kasteel in Geldrop. Beide torens raakten in verval in de 18e eeuw.
Ruïne van het Kasteel te Geldrop in Staats-Brabant. Aquarel.
Maker en datering onbekend. Formaat: 21,9 x 16,3 cm. Vindplaats: G 26 / 820.11 (2)
Tegenwoordig is het kasteel in handen van een stichting en worden er tal van evenementen georganiseerd. Aangekomen op de Heuvel in Geldrop loont het de moeite een klein uitstapje te maken naar de Sint-Brigidakerk. Architect Carl Weber maakte het ontwerp voor deze kerk, die in 1891 wordt ingezegend. Het eindresultaat is een forse kruiskerk met een achtzijdige koepel in neoromaanse stijl.
Geldrop. R.K. Kerk. Prentbriefkaart. Maker onbekend. Datering: vóór 1917.
Uitgever: G. Thielens-Cappers. Formaat: 14 x 9 cm. Vindplaats: pbk-G 26.1 / 411.11 Brig (4) 
Op deze plaats stond eerst een andere kerk. In de 14e eeuw bouwt men hier een dorpskerk die is toegewijd aan O.L. Vrouw en Brigida. Als deze te klein wordt bevonden, wordt halverwege/eind 19e eeuw het plan opgemaakt een nieuwe kerk te bouwen mét behoud van de toren. Maar een zware storm verwoest op 30 oktober 1887 de toren dusdanig dat deze alsnog gesloopt wordt. Onderstaande tekeningen tonen de oude kerktoren vóór en na het instorten.
Toren te Geldrop Noord-Braband 30 Oct. 1887. Fotolithografie. Maker: G.J. Thieme.
Datering: 1887. Formaat: 32,9 x 22,7 cm. Vindplaats: G 26 / 411.11 Brig (4)
Deze afbeeldingen horen bij een artikel uit 26 november 1887, gepubliceerd in De Opmerker (jaargang 22, nr. 48). Dit eerste architectuur- en bouwtijdschrift van Nederland verscheen van 1866 tot 1919 en was van 1883 tot 1892 het orgaan van architectuurgenootschap Architectura et Amicitia. In het artikel lezen we: “Zoo weinig beteekenend de kerk zelve was, zoo flink zag de toren eruit. (…) Het plan was dan ook den toren te behouden, reden waarom men, alvorens de kerk geheel te sloopen, den toren verankerde volgens orders van een architect.” Maar dit mocht niet baten; genoemde storm verwoestte de toren. De auteur van het artikel had geen goed woord over voor degenen die verantwoordelijk waren voor het beheer van de toren: “De man echter, die met den toestand goed bekend moest zijn, had nog kort te voren verklaard, dat er hoegenaamd geen gevaar bestond, waarom dan ook des Zondagsmorgens nog de klokken geluid werden. En dit alles niettegenstaande veertien dagen te voren reeds een van de nieuwe ankers gesprongen was, reeds brokken metselwerk bij den traptoren hadden losgelaten, en sedert acht dagen het torenuurwerk was blijven stilstaan!” Volgens de auteur was er sprake van verzwakking van de muren en had men vóór het slopen van de kerk dit eerst moeten herstellen. En de aangebrachte ankers hadden helemaal geen nut, integendeel, ze verminderden eerder de stabiliteit. De auteur besluit als volgt: “Uitgenomen de spits, die slechts als een noodkap dienst deed, was de kolossus een sieraad voor de gemeente; hij getuigde van schoonheidszin, offervaardigheid en geloof der Geldropsche voorvaderen. Aan de roekeloosheid, onbedachtzaamheid en onkunde van de deskundigen onzer eeuw, heeft Geldrop het verlies van dien dierbaren reliek en groote financiëele schade daarenboven te wijten. (…) Ware zoo iets voorgevallen, bijv. in Duitschland, den architect ware voorzeker zijn brevet van bekwaamheid ontnomen. Dat te onzent hierop geen acht wordt geslagen, pleit niet voor vrijheid, maar getuigt van ordeloosheid.”

We lopen verder en zien nog net, voordat we oevers van de Kleine Dommel volgen, de fraaie gevel van het Weverijmuseum in de Molenstraat. Hier was tot 1981 N.V. Wollenstoffenfabriek v/h A. van den Heuvel & Zoon gevestigd, die in zijn bloeiperiode werk bood aan 400 medewerkers. Vanuit het museum is de inpandige Geldropse watermolen te bezichtigen die vroeger in gebruik was als spinnerij. We laten de bebouwing achter ons, steken via het viaduct de A67 over en bereiken Natuurpoort De Plaetse en het Heidecafé. Een mooie gelegenheid voor een pauze, om daarna te genieten van de vergezichten op de Strabrechtse Heide. Hierna komen we bij het laatste stukje cultureel erfgoed van vandaag: Kasteel Heeze.

Kasteel Heeze N.B. Prentbriefkaart. Maker en datering onbekend.
Uitgever: H. Vollenberg. Formaat: 9,2 x 14 cm. Vindplaats: pbk-H 41.3 / 820.11 (1)
Het huidige bouwwerk is geheel omgracht en dateert uit 1662-1665. Architect Pieter Post kreeg van kasteelheer Albert Snouckaert van Schauburg de opdracht een grote, vierkante burcht te bouwen op de plaats van het middeleeuwse kasteel Eymerick. Maar al tijdens de bouw van de voorburcht werd duidelijk dat het gehele project te duur zou worden. Aldus bleef het bij deze voorbouw, die nog werd verhoogd met een extra verdieping. Kasteel Eymerick bleef staan. Overigens is de ligging strategisch gekozen aan de samenvloeiing van de Groote Aa met de Sterkselse Aa. Hierdoor is de watervoorziening van de grachten altijd op orde. Na het kasteel gaan deze twee beken verder als de Kleine Dommel oftewel Rul, al gedurende meerdere van onze wandeletappes een trouwe gezel. Sinds 1760 woont familie Van Tuyll van Serooskerken op Kasteel Heeze. Daarmee is het één van de laatst bewoonde kastelen van Nederland. Het gebouw is opengesteld voor rondleidingen en je kunt er terecht voor diverse zakelijke en/of feestelijke bijeenkomsten. Voor nu laten we het complex links liggen en lopen de 500 meter lange oprijlaan af. Achteromkijkend kunnen we nog even genieten van het uitzicht.
Kasteel Heeze met oprijlaan (mei 2021)
© Jolanda van den Akker / Brabant-Collectie, Tilburg University
Vanaf hier is het nog maar een klein stukje naar station Heeze, het eindpunt van vandaag. De volgende keer lopen we verder naar Soerendonk.

Bronnen:
  • E. Franken e.a.: Kasteel Geldrop: een edel verleden. Utrecht: Uitgeverij Matrijs, 2016. Vindplaats: BRA J FRAN 2016
  • W. van Heugten e.a.: Watermolen 't Coll Eindhoven. Eindhoven: Stichting 'De Eindhovense Molens', 2003. Vindplaats: BRA J3 HEUG 2003
  • J. van Hoek (1995): Vincent van Gogh, de Collse heks en het Rouwboerke. In: Gruun Buukske. Jaargang 24, nummer 3, pag. 98-101. Vindplaats: T 07410
  • J. Spoorenberg (1995): Nogmaals de Collse heks. In: Gruun Buukske. Jaargang 24, nummer 4, pag. 125-126. Vindplaats: T 07410
  • H. Verhees-Wouters: De geschiedenis van het Kasteel Geldrop & zijn bewoners. Heemkronyk, jaargang 36, nummer 2/3. Geldrop: Heemkundige Kring "De Heerlijkheid Heeze-Leende-Zesgehuchten", 1997. Vindplaats: BRA J VERH 1997