Over mij

Mijn foto
De Brabant-Collectie is in 1837 in 's-Hertogenbosch opgericht door het Provinciaal Genootschap van Kunsten en Wetenschappen in Noord-Brabant en wordt sinds 1986 beheerd door de bibliotheek van de Universiteit van Tilburg

maandag 10 december 2018

Diessen anno 1956 en 1970

Fotostichting Diessen heeft op deze dvd twee oude dorpsfilms uit 1956 en 1970 van Diessen samengebracht en van ondertitels en achtergrondmuziek voorzien. Beide zwart-witfilms zijn indertijd gemaakt door de Enschedese zakenman Johan Adolfs (1917-1977). Tussen 1948 en 1970  gaf hij opdracht tot het filmen van bijna 1.500 Nederlandse dorpen en plaatsen. Adolfs was geen geborgen filmmaker, maar wel een creatieve geest. Toen zijn handel in de Tweede Wereldoorlog stil kwam te liggen, moest hij op zoek naar een ander bestaansmiddel. Hij ontwikkelde het project "Heel Nederland op de film". Bijna 1.500 dorpen met minder dan 20.000 inwoners liet hij vastleggen op het betaalbare 8 mm formaat. Opdrachtgevers waren verenigingen zoals muziekkorpsen, plattelandsvrouwen en vanaf 1963 ook de Nederlandse Blindenbond. Het eigenlijke doel van deze films was reclame te maken voor de  muziekverenigingen. Maar voor de inwoners van de dorpen was het een mogelijkheid zich als een filmster op het witte doek te tonen. Iedere film werd volgens een vast stramien opgebouwd: Eerst is er de rondgang door het dorp, die de bewoners en hun dagelijkse bezigheden vastlegt. Dan volgt een optocht van de plaatselijke verenigingen. Ook alle scholen worden bezocht. De films bleven eigendom van de verenigingen, waardoor ze momenteel niet meer allemaal te traceren zijn.

Fotostichting Diessen heeft als doelstelling het op verantwoorde wijze vormen, beheren en raadpleegbaar maken van collecties foto's en ander beeldmateriaal met betrekking tot het leven in gemeente Diessen, in de ruimste zin van het woord. De stichting organiseert tevens tentoonstellingen en heeft sinds 1992 een fotorubriek in de tweewekelijkse lokale nieuwskrant Deusone. Hierin wordt een oude foto getoond en beschreven. Naast deze dvd heeft de stichting ook een aantal boeken uitgegeven.

De dvd is te bekijken op de raadpleegpc's van de universiteitsbibliotheek op niveau 0.
Vindplaats: BENG DVD DIES 2006

donderdag 6 december 2018

Geslaagde boekpresentatie 'In de Brabantse voetsporen van Van Gogh'

Vrijdag 30 november jl. werd in het Provinciehuis te ’s-Hertogenbosch het boek In de Brabantse voetsporen van Vincent van Gogh: Landschap, boerenleven en thuiswevers gefotografeerd van 1865–1920 gepresenteerd. Samenstellers Emy Thorissen (conservator Brabant-Collectie) en Ronald Peeters (voormalig hoofd Stadsmuseum Tilburg) roepen in dit boek met een groot aantal tekeningen en foto’s een beeld op van het Brabant uit de tijd van Vincent. De afbeeldingen zijn afkomstig van diverse erfgoedinstellingen en musea (o.a. Brabant-Collectie, Regionaal Archief Tilburg, Regionaal Historisch Centrum Eindhoven en Van Gogh Museum). De presentatie vond plaats in een passende omlijsting met tentoonstellingspanelen van de gelijknamige expositie in het Natuurmuseum Brabant (oktober 2015 – januari 2016). Na het welkomstwoord van Dré Stevens, directeur Gianotten Printed Media en uitgever van het boek, werd in het bijzijn van zo’n vijftig belangstellenden het eerste exemplaar overhandigd aan prof. dr. Wim van de Donk. Onze commissaris van de Koning gaf zijn reflectie op de publicatie en verwees tevens naar het Nationaal Van Gogh Park
V.l.n.r.: Ronald Peeters, Wim van de Donk, Emy Thorissen, Dré Stevens
© Paul Slot
Tentoonstellingspanelen hal Provinciehuis Noord-Brabant
© Paul Slot

© Paul Slot
Natuurlijk was er ook extra aandacht voor het opmerkelijke nieuws van de dag daarvoor: een alom gebruikte foto, waarvan altijd is aangenomen dat daarop de 13-jarige Vincent van Gogh te zien is, blijkt een afbeelding te zijn van zijn broer Theo, 15 jaar oud. Deze conclusie is getrokken na grondig onderzoek door het Van Gogh Museum. De media stonden er vol van; zie hiervoor o.a. het NOS-journaalitem en een bericht van Omroep Brabant.
Voor meer informatie over de boekuitgave, zie het artikel in het Brabants Dagblad.

Naast de Nederlandstalige versie (ISBN 978-90-6663-090-1) is een Engelse editie van In de Brabantse voetsporen van Vincent van Gogh (ISBN 978-90-6663-091-8) verkrijgbaar in de boekhandel.

maandag 26 november 2018

De allereerste Berlijnse reisgids voor toeristen

De rode reisgidsen van Karl Baedeker (1801-1859) genieten grote bekendheid. De eerste verscheen in 1828 en is een gids voor een reis langs de Rijn van Mainz naar Keulen. De Universiteitsbibliotheek Tilburg bezit er zo’n 58. De Baedekers zijn de vroegste echt toeristische gidsen en verschillen duidelijk van de vele stads- en landbeschrijvingen uit de 17e en 18e eeuw, in Brabant bijvoorbeeld over 's-Hertogenbosch, Breda of Bergen op Zoom.
De Afrikaansche (1694) en de Aziaansche Weg-wijzer (1695) van de Rotterdamse bakker-schrijver Gerrit van Spaan (1651-1711) waren door de auteur bedoeld als gids voor emigranten. Van Spaan had beide werelddelen echter nooit bezocht en putte uit eerder verschenen landbeschrijvingen. Van toeristische reisgidsen was en is dus geen sprake, zelfs niet als men de definitie van zo'n reisgids ruim hanteert.
Ook de bekende reis- en zakatlassen die in de tweede helft van de 18e eeuw verschenen bij onder anderen Loveringh, Mortier en Elwe, verdienen niet de typering toeristische reisgids. Een voorbeeld van een dergelijke zakatlas is de Volkomen reis-atlas van geheel Duitschland verschenen in Amsterdam bij J.B. Elwe in 1791, met 37 kaarten en 272 pagina's tekst. De UB Tilburg bezit verschillende van dit soort reisatlassen. Dichter in de buurt komt een boek als Verhandeling over den landbouw in de colonie Suriname uit 1786 van de plantagedirecteur en Surinamekenner Anthony Blom (1744-1807). Het is geen reisgids in strikte zin, maar Blom geeft zoveel praktische plaatselijke informatie dat de Oprechte Haerlemsche courant (22-01-1791) van mening was dat Bloms boek een "onontbeerlyk reisboek [is], voor elk die naar Surinamen gaat".
Dan verschijnt in 1792 bij de hierboven genoemde Amsterdamse uitgever Jan Barend Elwe het Algemeen reisboek door Berlyn en Potsdam, met naauwkeurige platte gronden dier beide koninglyk-pruissische residentiën; ten dienste van alle derwaards reizenden.


Titelpagina Algemeen reisboek door Berlyn en Potsdam
Te Amsterdam: by J.B. Elwe, 1792
Vindplaats: TRE 009 B 04
De anonieme schrijver richt zich in 536 bladzijden overduidelijk op de reiziger die Berlijn op toeristische wijze wil ontdekken. De verschillende genummerde opsommingen van de belangrijkste Berlijnse straten kunnen zonder meer beschouwd worden als wandelingen waarbij de wandelaar wordt gewezen op interessante gebouwen, monumenten en parken.
Het Algemeen reisboek door Berlyn en Potsdam verscheen op 16 november 1792 en kostte 2 gulden en 12 stuivers. Dat is voor een dergelijk boek met drie gravures, waarvan twee uitklapbaar, zeker niet duur. Ter vergelijking: de roman Sara Burgherhart uit 1782 kostte 4 gulden en 16 stuivers. In het voorwoord benadrukt uitgever Elwe dan ook dat hij de prijs van de reisgids heel bewust laag gehouden heeft, opdat het boek voor een grote groep belangstellenden bereikbaar zou zijn.
De tekst wordt voorafgegaan door het portret van Frederik II, koning van Pruissen (1712-1786), alias Frederik de Grote en door het volk liefdevol "Alter Fritz" genoemd. Het is een kopergravure (128 x 77 mm) van Johann Christian Gottfried Fritzsch († 1802) naar Daniel Niklaus Chodowiecki (1726-1801).

Algemeen reisboek door Berlyn en Postdam
Vindplaats: TRE 009 B 04
De reisgids is in twaalf onderdelen ingedeeld. De auteur start met de beschrijving van de straten, pleinen en gebouwen van Berlijn en vervolgt met een karakterisering van de bewoners van de stad. Boeiend onderdeel daarvan is de beschrijving van de Joodse bevolking in de stad. De hoofdstukken vervolgen met een beschrijving van de regeringsgebouwen, de kerkelijke gebouwen, de scholen, bibliotheken en de wetenschappelijke instellingen, boekwinkels en drukkerijen. Verder een opsomming van de Berlijnse festiviteiten en de lusthoven. Tenslotte krijgt Potsdam de ruimte in de laatste 115 bladzijden.
Elwe's reisgids bevat twee handige plattegronden, gegraveerd door de befaamde Amsterdamse graveur en cartograaf Jan van Jagen (1709-1800): een plattegrond van Berlijn (276 x 351 mm) en een plattegrond van Potsdam (210 x 379 mm).
Plattegrond van Berlijn in Algemeen reisboek door Berlyn en Postdam
Vindplaats: TRE 009 B 04

Plattegrond van Potsdam in Algemeen reisboek door Berlyn en Postdam
Vindplaats: TRE 009 B 04
De boekband heeft een kalfsleren rug met fraai bruin sierpapier over kartonnen platten; de kapitaalbandjes zijn wit en bruin en de sneden zijn gespikkeld in rood en blauw. Het geheel verkeert in buitengewoon goede staat.
Boekband Algemeen reisboek door Berlyn en Potsdam
Vindplaats: TRE 009 B 04
Het heeft er alle schijn van dat dit Algemeen reisboek door Berlyn en Potsdam de allereerste toeristische reisgids is, 36 jaar eerder verschenen dan de eerste Baedeker. De eerste Baedeker over Berlijn en Potsdam werd overigens pas gepubliceerd in 1878, 86 jaar na Elwe's reisgids.
Van onze reisgids zijn slechts drie exemplaren bekend: één exemplaar bevindt zich in een Duitse bibliotheek, een ander exemplaar bevindt zich San Antonio in de bibliotheek van de University of Texas. Het enige exemplaar in een Nederlandse bibliotheek bevindt zich in de Brabant-Collectie.

Vindplaats: TRE 009 B 04

maandag 12 november 2018

De fabriek in de etalage. De Gruyter: opkomst, bloei en ondergang van een systeem.

Ter ere van het tweehonderdjarig bestaan van de Gruyterfabriek werd het boek ‘De fabriek in de etalage’ opnieuw uitgegeven. Het vertelt de bijzondere geschiedenis van grootgrutter De Gruyter, ooit de grootste werkgever van ’s-Hertogenbosch. Het verhaal begint in 1818 met de oprichting van een grutterijhandel die de basis werd van het kruideniersconcern, bekend als De Gruyter. Het werd de grootste kruidenier van het land en stond bekend om zijn prachtige, gedecoreerde winkels met luxe interieurs in de centra van de steden en het ‘Snoepje van de Week’. Het ging lang goed met De Gruyter, maar begin jaren zestig, met de opkomst van de supermarkten, gaat het mis. De aansluiting met de veranderende omstandigheden wordt gemist en het concern gaat ten onder. In 1982 sluit de fabriek aan de Veemarktkade. De rode draad die door het boek loopt is ‘Wat waren de eigenschappen van het bedrijf die de succesfactoren en valkuil konden zijn’. Ook is er aandacht voor de hedendaagse Gruyterfabriek als creatieve hotspot die sinds 2012 huisvesting biedt aan meer dan 185 bedrijven en kunstenaars. Het is een voorbeeld van industrieel erfgoed dat een nieuwe bestemming gevonden heeft. 

Vindplaats: BRA V3 GAAL 2018

maandag 29 oktober 2018

Tijdschrift: Sprokkelingen

Sprokkelingen is het tijdschrift van Heemkundekring Uden. De kring is september 1958 opgericht en bestaat dit jaar dus 60 jaar. Tot de gemeente Uden behoren de kernen Uden, Volkel en Odiliapeel. Het doel van deze heemkundekring is het bevorderen van belangstelling voor de eigen leefomgeving en het vergroten van kennis over die omgeving in het verleden en heden. In 1941 bestond al een Bond voor Heemkunde in Uden, opgericht op voorstel van de pastoor van Alphen, Willem Binck, om zo te voorkomen dat de NSB de geschiedenis van Nederland zou manipuleren en misbruiken voor hun eigen ideologie. Deze heemkundige bond moest daarom de echte geschiedenis van Uden gaan belichten. Door de Duitse bezetter werd de vereniging echter snel verboden. In 1958 werd de Kring Uden als onderdeel van de koepelorganisatie Brabants Heem opgericht. In 1961 werd geprobeerd een eenvoudig clubblad onder de naam Sprokkelingen samen te stellen. Dit lukte echter niet en een tweede poging in de jaren 70 van de vorige eeuw mislukte eveneens. In 1987 werd uiteindelijk onder die naam een kwartaalblad opgericht, dat wel levensvatbaar bleek. Het blad onderging in 1990 een facelift en het eenvoudige uiterlijk werd veel professioneler en daardoor aantrekkelijker.
Het periodiek verschijnt 4 keer per jaar. In het septembernummer van 2018 staat een artikel van Adriaan Sanders over de oprichting van de heemkundekring 60 jaar geleden. Ook verscheen in dit nummer deel 34 van de serie ‘”Bijdrage tot een geschiedenis van Uden” door Piet de Groot (1890-1968), een Udens amateurhistoricus. Verder worden er in het blad regelmatig artikelen gepubliceerd over bijzondere personen en gebeurtenissen uit Uden in heden en verleden. De serie “Jeugdvermaak op de Mullehei” van Luciën Bressers sr., gepubliceerd in het blad van 2010 tot 2012, geeft een goed beeld van hoe de jeugd zich vermaakte in Uden op de Molenheide (tegenwoordig een natuurgebied) begin jaren 30 van de twintigste eeuw. De familie Bressers woont al sinds 1698 in Uden. Nadat Luciën Bressers sr. (1917-1991) de eerste ansichtkaarten van Uden kocht, werd de geschiedenis van Uden zijn grote passie. Zijn verzameling groeide snel en zijn zoon Luciën Bresser jr. besloot in overleg met de andere leden van de familie Bressers in 1983 hiervoor de Stichting Het Uden-Archief van Bressers op te richten. Zo zou de collectie als eenheid bewaard blijven. Deze stichting werkt nauw samen met de Heemkundekring Uden en heeft dezelfde doelen. Uit dit archief zijn tal van artikelen over de geschiedenis van Uden van de hand van Luciën Bressers sr. in Sprokkelingen gepubliceerd, vaak met foto’s uit het Uden-Archief van Bressers.

Sprokkelingen is aanwezig en raadpleegbaar op niveau 0 van de universiteitsbibliotheek.
Vindplaats: T 08804

donderdag 25 oktober 2018

Mini-expositie ‘Menno van Coehoorn en de Zuiderwaterlinie’

 In de Maand van de Geschiedenis met het thema ‘Opstand’ presenteert de Brabant-Collectie een mini-expositie in de universiteitsbibliotheek. In tijden van oorlog en opstand diende de Republiek der Verenigde Nederlanden goed verdedigd te worden.
Door inundatie van laaggelegen delen en bestaande vestingwerken te versterken en te verbinden door linies, werd de oudste, langste (150 km) en meest benutte aaneengesloten militaire verdedigingslinie van Nederland gemaakt.

Bedenker van dit innovatieve systeem was de Friese vestingbouwer, belegeraar en infanterist Menno van Coehoorn (1641-1704). Hij ontwierp een Oosterfrontier (van Nieuweschans tot Nijmegen) en Zuiderfrontier (van Sluis tot Grave) met de Spaanse Linies in Zeeuws-Vlaanderen. Het Brabantse deel van het Zuiderfrontier wordt tegenwoordig de Zuiderwaterlinie genoemd. Bergen op Zoom, Steenbergen, Willemstad, Klundert, Breda, Geertruidenberg, Heusden, ’s-Hertogenbosch, Megen, Ravenstein en Grave zijn de vestingsteden die met forten, schansen en linies hiervan deel uitmaken.

Zijn ideeën over vestingbouw, later bekend geworden als het Nieuw-Nederlandse stelsel, legde Menno van Coehoorn in 1685 vast in het werk Nieuwe vestingbouw op een natte of lage horisont.
Titelpagina
Minno Baron van Koehoorn, Nieuwe vestingbouw op een natte of lage horisont..,
Leeuwarden: by de erfgen. van de wed. wijl. Hendrik Rintjens, 1702
Vindplaats: TRE 020 G 16
Hierin bespreekt hij drie manieren waarop zijn bouwconcept kan worden uitgevoerd bij een regelmatige zes-, zeven- en achthoek. Hij maakt een vergelijking met het Franse stelsel van Vauban. Voor beide methoden beschrijft hij het verloop van een aanval. Dit nieuwe systeem maakt het makkelijker aanvallen op bastions af te slaan en vestingen als geheel te verdedigen. Voordeel is ook dat het geschikt is voor de Nederlandse terreingesteldheid. Afhankelijk daarvan kunnen ingenieurs een van de drie manieren kiezen voor een vestingontwerp. Met dit belangrijke werk verwierf Van Coehoorn ook in het buitenland bekendheid. In 1695 werd hij benoemd tot ‘Ingenieur-Generaal der fortificatiewerken deser landen’.

Menno van Coehoorn maakte gebruik van al bestaande kleinere linies, zoals de Linie 1629 rond ’s-Hertogenbosch en de Linie van Eendracht uit 1582. Deze laatste is de eerste echte waterlinie in Nederland en is later vervangen door de West-Brabantse Waterlinie. Op de onderstaande kaart is deze linie met de vesting Steenbergen, een aantal hoger gelegen forten, de vesting Bergen op Zoom en de lager gelegen inundatiegebieden te zien.
TABVLA | Bergarum ad Zomam | Stenbergae | et novorum ibi operum
getekend door Franciscus van Schooten en gedrukt door Willem Blaeu
in: Hugo Grotius, Grollae obsidio cvm annexis, Amsterdam: Willem Blaeu, 1629
Vindplaats: KOD 025 C 13
Onder invloed van dreiging van de legers van Lodewijk XIV vanuit het zuiden krijgt Van Coehoorn de opdracht van de Raad van State het grondgebied beter te beveiligen. Hij voert hiertoe in 1698 een inspectiereis uit en bedenkt een bouwprogramma om de vestingen in een goed verdedigbare staat te brengen. Dit programma gaat nog datzelfde jaar van start. Van de meeste vestingsteden wordt de helft tot een derde vernieuwd. Onmisbare onderdelen waren de Linie van Den Hout, Linie van de Munnikenhof en het retranchement bij Waspik, omdat deze de niet te inunderen gebieden afsloten.

Grave en Bergen op Zoom zijn voorbeelden van vestingsteden die volgens zijn Nieuw-Nederlands Stelsel zijn ontworpen. Hieronder is een plattegrond van Grave te zien uit ca. 1751. De bastions met hol gebogen flanken, de ravelijnen en het Kroonwerk Coehoorn aan de overzijde van de Maas kunnen worden onderscheiden. Rond 1700 ontwierp Menno van Coehoorn dit buitenwerk met twee halve bastions en een hele in het midden.
Grondtekening | der Stad | GRAAVE
In: Jan Wagenaar, Hedendaagse historie, of tegenwoordige staat van alle volkeren (XII deel),  
Amsterdam: by Isaak Tirion, 1751
Vindplaats: TRE 051 G 01/12
De grootste verandering vond plaats aan de verdedigingswerken van Bergen op Zoom, dat als het meesterwerk van Van Coehoorn wordt gezien. Bastions werden gewijzigd volgens zijn concept. De vesting werd van een groot aantal ravelijnen en lunetten voorzien. Ook werd een droge gracht aan de zuid- en oostkant aangelegd. De voltooiing van de werken in 1744 heeft hij niet meer meegemaakt.
Nouveau Plan de Bergen op Zoom & de ses Environs / Plan van Bergen op den Zoom, met desselfs Forten Linie van Communicatie en environs
D. Zijnen, 1757
Vindplaats: B 46.2 / 1747 (45)
T/m vrijdag 14 december 2018 is in de vitrine op niveau 0 en 1 de mini-expositie ‘Menno van Coehoorn en de Zuiderwaterlinie’ te zien.

Literatuur:
  • H. van den Eeden, 'De Zuiderwaterlinie: veldtocht van de verbeelding', in: Brabeau (2017) nr. 2, p. 36-39
  • J. van Hoof, Menno van Coehoorn, 1641-1704: vestingbouwer, belegeraar, infanterist, Utrecht: Matrijs, 2004

dinsdag 23 oktober 2018

Een luxe en uniek Officie van Onze Lieve Vrouw

Van het Officie van Onze Lieve Vrouw, gedrukt in Antwerpen (Officina Plantiniana) in 1622, bezit de Universiteitsbibliotheek Tilburg als enige Nederlandse bibliotheek een compleet exemplaar: Officivm Beatæ Mariæ Virginis. Het is een prachtig en echt luxe 17e-eeuws gebedenboek, volledig gedrukt in rood en zwart en het bevat 94 schitterende, ongesigneerde, grote en kleine kopergravures. Ze zijn van de Zuid-Nederlandse graveur Karel van Mallery (1571-na 1635). Mallery woonde in Antwerpen in de Keyserstraet en was een leerling – en vanaf 1598 ook schoonzoon - van de befaamde Philip Galle (1537-1612).


Officivm Beatæ Mariæ Virginis [...]. Antverpiæ, 1622
Vindplaats: CBC TFH B 6888
De grote gravures meten 170 x 115 mm, de kleine 74 x 114 mm. De kleine gravures plaatsen Maria in een opmerkelijk huiselijke, bijna ontroerende sfeer. Van de grote gravures zijn in het bijzonder die van Maria’s dood en ten hemelopneming van een uitzonderlijke schoonheid.




Het voorwerk bevat drie kleine gravures, waarvan de tweede en de derde herhaald worden op p. 153 respectievelijk p. 341. De gravure op p. 22 is overgeplakt met het frontispice (166 x 117 mm) uit Anton Ginthers Currus Israel (Augsburg 1726). Dat is jammer en ook tamelijk onbegrijpelijk, omdat het frontispice van G.H. Schifflin lang niet zo mooi is als de onderliggende gravure van Karel van Mallery. Overigens bezit de UB Tilburg twee exemplaren van Currus Israel en het zou wel heel bijzonder zijn als in één van beide exemplaren het frontispice ontbreekt.
In het Officie is niet alleen de tekst gedrukt in twee kleuren, ook veel van de initialen zijn gedrukt in rood en zwart. Zij zijn dus, net als de tweekleurige bladzijden, twee keer door de drukpers gegaan. Meerkleurige tekst kon immers niet in één drukgang op papier gezet worden. Veel bladen zijn zelfs drie keer door de drukpers gegaan, aangezien veel van de kopergravures te vinden zijn op bladzijden met tekst. Tekst, hoogdruk, en gravures, diepdruk, konden alleen in aparte drukgangen worden geproduceerd. Voor de boekdrukker is dit fraaie Officie dus een bijzonder arbeidsintensieve klus geweest.


Een latere bezitter van dit gebedenboek heeft teksten uit andere werken in de kneep van enkele katernen geplakt, zoals het gedicht ‘Zij is Onze Moeder’ uit 1875 van de in vergetelheid geraakte B.H. Pierson en p. 265-272 uit L. Neesens, Supplementum Theologiæ, dl. 2 (Mechelen 1758). Van Neesens boek bezit de UB Tilburg twee exemplaren en ook hier zou het opmerkelijk zijn als in een van de twee exemplaren nou net die pp. 265-272 ontbreken.
Dit Officie is in 1629 gebonden in geitenleer over houten platten met vergulde sneden en één forse messing sluiting. De letters die de eigenaar van de boekband aanduiden, konden nog niet worden verklaard: I.P.A. BIK: D.IN.H. De laatste eigenaar, voor het Officie in de UB Tilburg belandde, was het Grootseminarie Haaren. Hoewel platten en het boekblok tamelijk aangetast zijn door boekwurmen, blijft het hoe dan ook een prachtig, luxe gebedenboek. De UB Tilburg bezit overigens vijf Officiën van Maria, drie gedrukt in Antwerpen (1622, 1662 en 1700), één gedrukt in Keulen (1674) en één gedrukt in Maastricht (1731).