Over mij

Mijn foto
De Brabant-Collectie is in 1837 in 's-Hertogenbosch opgericht door het Provinciaal Genootschap van Kunsten en Wetenschappen in Noord-Brabant en wordt sinds 1986 beheerd door de bibliotheek van de Universiteit van Tilburg

maandag 23 november 2020

De Vierschaer van de HKV van Wouw

Ter gelegenheid van het 750-jarig bestaan van Wouw werden in 1982 in het dorp uiteraard allerhande activiteiten georganiseerd. Hieruit ontstond ook het idee om een heemkundevereniging op te richten. Vanaf 1983 ging deze van start met het periodiek De Vierschaer dat anno 2020 nog steeds ieder kwartaal verschijnt. Er werd een logo ontworpen dat samen met de doelstellingen van de vereniging in het eerste nummer werd toegelicht. De hoofddoelstelling werd omschreven met: ‘Wouw en omgeving op elk gebied, dat onder heemkunde valt te bestuderen en te onderzoeken’. Het logo is opgebouwd uit het silhouet van de kaart van Wouw met daarin (de grenzen van) de vier kerkdorpen waaruit Wouw bestaat. Het logo en de kaart van West-Brabant met Wouw als middelpunt, sieren vanaf het eerste nummer de voorzijde van het tijdschrift. Het binnenwerk heeft sindsdien wel een moderner jasje gekregen.

Binnenwerk nr. 1 De Vierschaer
met uitleg van 'vignet'
Diverse leden van het eerste uur zijn nog steeds actief bij de vereniging en het heemkundetijdschrift betrokken. Henk Hellegers (behalve burgemeester van Uden is hij ook voorzitter van Brabants Heem) roept vanaf de eerste jaargang de veelkleurige Wouwse nieuwsmomenten van een eeuw eerder in herinnering. René Hermans verzorgt al vele jaren ieder jaar een terugblik in woord en beeld op Wouw van het voorafgaande jaar. En aan de hand van 142 geboorteaktes uit het jaar 1900 tekende Frank Schijven – nog heel recent – even zoveel Wouwse familiegeschiedenissen op met een schat aan genealogische gegevens. Van ook andere auteurs verschenen en verschijnen er interessante artikelen over een breed scala aan heemkundige onderwerpen: huizen, straatnamen, bedevaart, taal, rechtspraak, de Tweede Wereldoorlog etc., alsmede boeiende levensbeschrijvingen van historische personen. Elk kwartaal valt het in sober zwart-wit uitgevoerde tijdschrift van bijna honderd pagina’s bij de 360 leden op de mat: een prestatie van formaat. Via de website van de heemkundevereniging worden belangstellenden geïnformeerd over alle andere activiteiten. En dat zijn er heel wat.

Op de website van de Brabant-Collectie zijn momenteel ruim 500 artikelen die in De Vierschaer zijn verschenen met trefwoorden ontsloten. Voor de Wouw-liefhebbers zijn er in de databank van de Brabant-Collectie ook bijna honderd lokale topografische afbeeldingen te vinden: historische foto’s van bijvoorbeeld de Sint-Lambertuskerk, en zeventiende- en achttiende-eeuwse prenten en tekeningen van Wouw.

Vindplaats: T 07436

Wouw buijten Bergen op Zoo(m)
Maker onbekend
Pen gekleurd; penseel, gekleurd
15.9 x 20.3 cm
Vindplaats: W 87.1 / 010 (1)

maandag 9 november 2020

Randverschijnselen

Afgelopen maart verscheen het biografie-achtige boek van Bestenaar Rob Kemps, het gezicht van de Snollebollekes. Na deelname aan het televisieprogramma De Lama’s in 2007 werd Kemps bekend bij het publiek. Pas in 2013 kreeg hij grote bekendheid met de feestact Snollebollekes en de carnavalskrakers Links/Rechts en Springen Nondeju. De muziekgroep bestaat verder uit Jurjen Gofers en Maurice Huismans. Met zijn drieën produceren ze de muziek, maar alleen Kemps staat als Snollebollekes op het podium. 
Randverschijnselen gaat echter niet alleen over de Snollebollekes, maar ook over het leven van Kemps, zijn voorliefde voor Parijs, begraafplaatsen (m.n. begraafplaats Père Lachaise), Jacques Brel en Eddy Wally. In het boek probeert Kemp de vele kanten van zijn leven te vatten. Entertainen en verhalen vertellen is het liefste wat hij doet.

Vindplaats: BRA J3 KEMP 2020

donderdag 29 oktober 2020

Weemoed en werkelijkheid in Het Groene Woud

Best / Oirschot, 1991. (Foto: Noud Aartsen | Brabant-Collectie, Tilburg University)
Best / Oirschot, 1991. 
(Foto: Noud Aartsen | Brabant-Collectie, Tilburg University)

In het kader van de Landschapstriënnale organiseert de Brabant-Collectie (Tilburg University) samen met Pennings Foundation en Brabants Landschap een fototentoonstelling over Het Groene Woud. De Landschapstriënnale, gericht op heden, verleden en toekomst van het Nederlandse landschap, kiest iedere keer een ander gebied om de aandacht op te vestigen. In 2021 wordt de focus gericht op het Van Gogh Nationaal Park. Het Groene Woud, het gebied tussen de stedendriehoek Tilburg, Den Bosch en Eindhoven, maakt hiervan onderdeel uit. Hierbinnen liggen onder andere de natuurgebieden het Bossche Broek, de Kampina, de Oisterwijkse Bossen en Vennen, de Loonse en Drunense Duinen, de Mortelen en de Scheeken.

Poëtische, nostalgische beelden
De Brabant-Collectie beheert het oeuvre van fotografen als Nard Vogels (1900-1973), Martien Coppens (1908-1986) en Noud Aartsen (1932-2010), die in genoemd gebied hebben gefotografeerd.
Zij legden in de twintigste eeuw het kleinschalige agrarische cultuurlandschap vast, met keuterboeren, oude boerderijen met rieten daken, handenarbeid, begroeide sloten, weilanden met bomen erom heen en zandpaden met bermen. Met het (angstige) voorgevoel dat dit zou verdwijnen. Daarnaast hadden zij oog voor bos en ongerepte natuur, zoals moeras, heide en vennen. Veelal zijn het poëtische, nostalgische beelden.

Landschap in beweging
Het accent van de expositie ligt op de foto’s van Noud Aartsen, dé fotograaf van Het Groene Woud. Ook hij maakte prachtige poëtische foto’s van slingerende beken, sloten, oude boerderijen en houtwallen met doorkijkjes naar koeien in de wei. Maar hij zag ook dat steeds vaker de natuur werd aangetast door en opgeofferd aan economische groei en welvaart. In de jaren zestig en zeventig fotografeerde hij de komst van nieuwbouw en vervuilende industrie en midden jaren tachtig de verbreding van de A58. Als een ware milieuactivist streed hij tegen waterverontreiniging veroorzaakt door afvalwater van de industrie en overbemesting en bestrijdingsmiddelen van de landbouw.
Ook de ruilverkaveling en schaalvergroting documenteerde hij. Hij ageerde tegen het kanaliseren van beken voor een betere afwatering, het weghalen van houtwallen en het verdelgen van onkruid in wegbermen. In zijn ogen waren het onnodige ingrepen. En hij heeft gelijk gekregen. Door toedoen van milieuactivisten zoals hij vond vanaf de jaren tachtig een tegenbeweging plaats. Beken zijn weer meanderend gemaakt, nu juist om het water langer vast te houden. Om vogels terug te halen zijn houtwallen hersteld en wordt minder gif gespoten op de akkers. En om vlinders en bijen een leefgebied te gunnen, mogen in randen van akkers en wegbermen ‘onkruiden’ ontstaan of worden veldbloemen ingezaaid. Ook fotografen Karel Tomeï (1941) en James van Leuven (1961), een leerling van Noud Aartsen, fotografeerden deze transitie, de een vanuit de lucht, de ander van dichtbij.
Is nu alle leed geleden? Nee, we zijn er nog niet. Hedendaagse fotografen protesteren tegen de zogenaamde ‘verdozing’ van het landschap. Het landschap wordt ontsierd door loodsen van (internet) bedrijven, grote kassen en door megastallen, die ook nog eens voor luchtverontreiniging zorgen. De foto’s van Piet den Blanken (1951) getuigen hiervan.

Schuldig 
Er worden ook poëtische landschappen getoond waarmee ogenschijnlijk niets aan de hand is, maar waar zich een vuilnisbelt onder blijkt te bevinden, zoals verbeeld door Hetty de Groot (1950). Of waar zich in het verleden iets gruwelijks heeft afgespeeld, zoals een executie. Bert Creyghton (1954) vond zo’n desolate plek en wist een unheimliche sfeer in zijn foto te leggen. ‘Schuldige’ landschappen zou je ze kunnen noemen.

Beleving
De expositie laat ook zien hoe hedendaagse beeldend kunstenaars de natuur beleven. Marc Mulders (1958) heeft zijn atelier op Landgoed Baest, omringd door bloemenweiden, waar hij de idylle fotografeert. Hij werpt zich echter ook op als milieuactivist, omdat de rust en de idylle worden verstoord door vliegtuigen die af- en aanvliegen van Vliegveld Eindhoven.
Ook Margriet Luyten (1952) toont de schoonheid van het landschap. Haar foto’s dienen als basis voor geweven wandtapijten. Bijzonder is dat zij in de weeftechniek dezelfde lichtval weet te behouden als in de foto. Noortje Haegens (1985) zoekt de rust in de natuur, onder andere op de Kampina en de Moerputten en maakt foto’s en videowerken die onthaastend en meditatief werken op de toeschouwer. Anke van Iersel (1980) zoekt de vergankelijkheid in de natuur.
Maar er is ook plaats voor humor, zoals te zien is aan de modderpoelen van Paul Bogaers (1961), waarbij je goed moet kijken waar de (foto van de) waterplas ophoudt en de rand van modder (papier-maché) begint. 
In de expositie over Het Groene Woud wordt de nadruk gelegd op mooie, poëtische beelden, maar er is ook ruimte voor een kritische noot. Weemoed en werkelijkheid, ernst en humor wisselen elkaar af.

De ochtendzon over de net gebluste heidebrand bij Bosven op de Kampina, 2011.
(Foto: L.J.A.D. Creyghton)

De expositie ‘Weemoed en werkelijkheid in Het Groene Woud’ is te zien van 13 december 2020 t/m 20 februari 2021 bij Pennings Foundation, Geldropseweg 63 in Eindhoven. Open: wo t/m za van 12.00 tot 17.00 uur. www.penningsfoundation.com

 

maandag 26 oktober 2020

Velduil

Velduil in:
C. Nozeman, M. Houttuyn, C. Sepp, J.C. Sepp:
Nederlandsche vogelen volgens hunne huishouding, aert en eigenschappen beschreeven
KOD 041 G 01

 Strix, Ulula of Uil

Een aantal afbeeldingen in de boekenreeks Nederlandsche vogelen van Cornelis Nozeman e.a. roept vragen op over welke vogel er nu precies is afgebeeld. Het zijn ontegenzeglijk prachtige afbeeldingen die we hier zien, echter voldoen ze niet aan de maatstaven van hedendaagse vogelgidsen met hun zeer nauwkeurige weergaven van soorten en ondersoorten. Neem bijvoorbeeld de vogel die in dit blogbericht centraal staat: de Velduil. In de facsimile-uitgave uit 2014 van Uitgeverij Lannoo en de Koninklijke Bibliotheek lezen we hier meer over in de inleiding van M. van Delft, E. van Gelder en A.J.P. Raat. Zij schrijven: "De belangrijkste oorzaak van de problemen bij de identificatie is dat de vogels vaak zijn getekend naar opgezette exemplaren. De houding en de lichaamsverhoudingen van de vogels zijn vaak niet natuurlijk weergegeven. Ook de kleuring en tekening van verenkleed, staart, kop en borst leveren soms moeilijkheden op voor de herkenning. Verschillen tussen mannelijke en vrouwelijke exemplaren, het zomer- en winterkleed en juveniele en volwassen vogels waren destijds ook nog onvoldoende bekend. De volgende voorbeelden illustreren dit probleem. De Velduilen op platen 34 en 35 hebben uiterlijke kenmerken van Bosuilen. De kleine kop, de staart en de witte vlekken op de vleugels wijzen er echter op dat Velduilen zijn afgebeeld. Ook het nest past bij de Velduil, want de Bosuil broedt niet op de grond."

Naast een uitgebreide beschrijving van het uiterlijk van de Velduil, lezen we in de paragraaf Aentekeningen van Nozeman het volgende: "Deeze Uilen sleepen in 't laest van Mey een weinig zagt stroo by een tusschen 't gras in 't veld, en broeden in 't begin van Juny. De man verpoost het wyf. Hun broed is gemeenlyk van 5 Eijeren, die in het gehele wit zyn. In zoogezegde Muizenjaeren verneemt men deeze Velduilen by uitstekendheid. Zy leeven van ratten, veldmuizen, kikvorschen, en allerley gevogelte welk zy Overvallen kunnen. Geen kat muist beter dan zy; waer toe hun snel gezicht by avond en nacht, wanneer zy hun aes zoeken, hen wonderlyk dienstig is. Zy gaen, even als de Katten, in 't veld te loeren zitten, en zelden loopt een rat of muis van hunne klaeuwen vry. Ik heb 'er by sommige boeren aengetroffen, die zeer tam over huis liepen, en hun voor muizenvangers dienden."
De vergelijking die Nozeman hier maakt met een kat zien we ook terug in de benaming Katuil voor deze vogelsoort. Zijn felgele ogen en het blazen als een kat dragen hier aan bij. Een volksnaam die op Ameland wordt gebruikt is Katteuul.
Nozeman besluit zijn vertoog als volgt: "Over dag zyn zy zeer weinig in beweeging, zittende of aen de slootkanten of op de knotstooven der willigen. Zy blyven 's winters over, houdende zig in dat saizoen op hooge landen en aen de Dyken. Onder 't vliegen maeken zy somtyds een diep en zuchtend geluid."

In de jaren 70 van de vorige eeuw werden in Nederland nog circa 130-185 broedparen geteld. Meer recent schommelt dat getal rond de 20, waarvan het merendeel zich op de Waddeneilanden en in Noord-Groningen bevindt. Het is dan ook niet verwonderlijk dat de Velduil op de Rode Lijst van Nederlandse broedvogels staat, met als droevige status 'ernstig bedreigd'.

Vindplaats: KOD 041 G 01

maandag 5 oktober 2020

Pestvogel

Pestvogel in:
C. Nozeman, M. Houttuyn, C. Sepp, J.C.Sepp:
Nederlandsche vogelen volgens hunne huishouding, aert en eigenschappen beschreeven
KOD 041 I 01

 

Ampelis Garrulus: Beemer, Zydestaart, Pestvogel

De herfst is voor menig vogelliefhebber een van de hoogtepunten van het jaar. Miljoenen trekvogels vliegen over ons land, op weg naar warmere oorden. De piek ligt in oktober. Zeldzame soorten kunnen zo maar opduiken, zangvogels vormen massale groepen. En als je dan heel veel geluk hebt, kun je zo maar oog in oog komen te staan met de kleurrijke pestvogel. Deze vogel bewoont de taiga's van Noord-Rusland en de Scandinavische bossen. In Nederland zie je hem dan ook uitsluitend in de wintermaanden, met name in november en december, en dan voornamelijk in het noorden van ons land. Heel soms is er sprake van een zogenaamd invasiejaar, als er in het hoge noorden te weinig bessen zijn om te eten. Dan kunnen ze zo maar met duizenden tegelijk aankomen. Je bent dan met recht een geluksvogel als je ze ziet zitten in bijvoorbeeld een meidoorn of andere vruchtdragende struik. 

De pestvogel werd in de middeleeuwen beschouwd als voorbode van de naderende pest, mede ingegeven door zijn soms invasieachtige komst. De pest oftewel "zwarte dood" bezorgde deze vogel ook de volksnaam Zwarte Mantel. Bekijk voor een uitgebreidere uitleg van deze en andere vogelnamen vooral eens de online Etymologiebank.

De pestvogel is opgenomen in deel 3 van de kloeke boekreeks Nederlandsche vogelen en hier lezen we: "Wy schroomen niet, deezen sierlyken Vogel, die in 't voorleeden Jaar in zulk een menigte hier te Lande gevangen werdt, en waar van men ook de Eyeren heeft bekomen, in dit Nederlandsche Vogelen-Werk te plaatzen. Immers, hoewel zyn Vaderland eigentlyk Boheme schynt te zyn, wordt hy ook in Engeland, ja zelfs in Sweeden, alwaar hy in de Bosschen huisvest, en tegen de Winter aankomt, gevonden; verhuizende in de Zomer, of nestelende, in de Noordelyke Landen, zo Linnaeus verhaalt."

Ook de naamgeving komt aan bod. "Niet minder verschil is 'er onder de Autheuren ten opzigt der zo oude als hedendaagsche benaamingen van deezen Vogel. Dat Aldrovandus hem met den Griekschen naam Ampelis, van het eeten der Druiven, die hy boven andere Bessen en Vrugten bemint, afleidelyk, bedoeld hebbe, is zeker. Hy noemt denzelven in 't Latyn, Garrulus Bohemicus, en hadt deezen verwonderlyken Vogel, toen die in zeker Jaar menigvuldig in Italie was komen overvliegen, en als een voorteken van Pest aangemerkt werdt, omstandig beschreeven. Uit dit denkbeeld, hoe ongegrond ook, zal buiten twyfel de thans heerschende benaaming, van Pestvogel, gesprooten zyn, en mogelyk bekragtigd door de roode Pyltjes der Wieken, of den vuurigen glans zyner Oogen; weshalven men hem Incendiaria Avis getyteld vindt en Microphoenix, of kleine Purpervogel."

Dat de pestvogel indertijd zowel levend als geserveerd op het bord gewaardeerd werd, blijkt uit het slot van het betoog: "By gelegenheid, dat, in de voorleeden Herfst van 't Jaar 1788, een menigte van deeze Pestvogels hier te Lande is overgekomen, heeft men dezelven nader leeren kennen... Zy zyn of in Lyster-Strikken, of met Slagnetten onder de Vinken gevangen, en sommigen eenigen tyd leevendig gebleeven... Zy worden dus zeer gemeenzaam, en neemen het Aas uit de hand aan, dat zy onderling elkander mededeelen. Jammer is 't, dat men by deeze gelegenheid niet meer moeite aangewend heeft, om ze in 't leven te houden. 't Geluid, dat zy maaken, zweemt naar Ziziri, met zekere klapachtigheid, gelyk de Gaaijen. Geplukt en gebraden zyn zy niet minder smaakelyk dan de Lysters en Vinken."

Vindplaats: KOD 041 I 01

maandag 14 september 2020

Het schetsboek van Deurne

Afgelopen mei verscheen Het Schetsboek van Deurne, een lijvig boekwerk met schetsen van Deurne getekend door Henry van den Berkmortel. Van den Berkmortel tekent al heel zijn leven en geschiedenis is zijn passie. In 2019 maakte hij elke dag een schets van een plek, gebouw of gebeurtenis in de gemeente Deurne. Deze schetsten waren op social media een grote hit en daarom besloot hij ze te bundelen tot een boek. Van den Berkmortel trekt er elke dag op uit om herkenbare plekken uit de hele gemeente vast te leggen in aquarel. Ter plekke maakt hij meestal een schets in een klein boekje en thuis werkt hij het dan verder uit. Daarna plaatst hij de schetsen op zijn Facebook-pagina met verhalen gebaseerd op historische feiten of eigen ervaring. Voor historische informatie raadpleegt hij vaak de website DeurneWiki

Vindplaats: TRE 090 F10

maandag 31 augustus 2020

(Bio)grafische bijzonderheden: Hultman en de Physionotrace

Op 15 april 1820 hield notaris Jan F.M. Ganderheyden (1787-1851) voor de Bossche afdeling van de Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen een toespraak. Deze werd gehouden ter nagedachtenis van Carl Gerard Hultman (1752-1820) die op 7 maart was overleden. Hultman was een veelzijdig man die in verschillende delen van het land en op uiteenlopende posities zijn sporen had verdiend. Hoewel zijn naam tegenwoordig weinigen bekend in de oren zal klinken, was het in zijn tijd toch een man van naam en faam. Wij kunnen een goed beeld van hem krijgen dankzij de toespraak van Ganderheyden die door de Bossche drukker en uitgever Hendrik Palier (1785-1853) in 1820 werd uitgebracht. Hultman werd in 1814 aangesteld als de eerste Commissaris van de Koning (‘Gouverneur’) van de nieuwe provincie Noord-Brabant. Dat deze niet-Brabander het hoogste ambt ging bekleden in de provincie waar katholieken en protestanten opnieuw moesten uitvinden hoe ze zich tot elkaar moesten verhouden, lijkt een ‘polder-oplossing’ avant la lettre. Hij heeft zich in die eerste jaren van Noord-Brabant vooral beziggehouden met de inrichting van het lokale en provinciale bestuur. In 1819 ging echter zijn gezondheid achteruit en in januari 1820 werd hij eervol uit zijn ambt ontslagen. Twee maanden later overleed Hultman. Bij leven was Hultman een verwoed verzamelaar van (post)incunabelen. Diverse door Hultman met de hand geschreven bronnen, maar ook gedrukte publicaties uit zijn tijd als gouverneur bevinden zich in de bibliotheek van Tilburg University.

Een postuum (fictief) portret van Hultman hangt in de zaal van Gedeputeerde Staten van het Provinciehuis in ’s-Hertogenbosch. Een eigentijds portret treffen we aan op de titelpagina van de publicatie van de toespraak van Ganderheyden. Deze pagina is, net als een geïsoleerd portret van Hultman, opgenomen in de Topografisch Historische Atlas van de Brabant-Collectie die via BCFinder te raadplegen is (vindplaatsen: P / H 91 (2) en P / H 91 (1)). Voor deze portretten is een bijzondere grafische techniek gebruikt waar de rest van dit blog over gaat: de physionotrace (= gelaatstekenaar). Hoe gaat deze techniek in zijn werk en waar komt ze vandaan?

Titelpagina van de redevoering ter nagedachtenis van C.G. Hultman.
Bij de opmaak van de titelpagina was geen rekening gehouden
met de buitenrand van de koperplaat. Vindplaats: P / H 91 (2)

De detaillering van dit tweede portret van Hultman is ten
opzichte van het eerste anders uitgewerkt. Vindplaats: P / H 91 (1)

Eeuwenlang is een geschilderd portret voor de bovenklasse een belangrijk middel geweest om zich te onderscheiden van de rest van de bevolking. De betaalbaarheid van een goed gelijkend portret komt echter in de loop van de achttiende eeuw onder druk te staan en men – ook de bourgeoisie – gaat op zoek naar goedkopere mogelijkheden. Het gegraveerde portret wordt voor veel meer mensen bereikbaar. Maar ook binnen dit genre wordt gezocht naar met name tijdbesparende methodes. De physionotrace is zo’n oplossing. Met een mechanisch hulpmiddel, de ‘profielmachine’, wordt het portret van het model – altijd en profil – overgezet op een etsplaat. De afstand van het model tot het apparaat en de positie van de stift bepalen de schaal van het uiteindelijke beeld. Als het profiel met behulp van de etstechniek eenmaal op de koperplaat staat, kunnen details als ogen, kleding etc. worden aangebracht. Ook wordt de achtergrond bewerkt, waardoor de physionotrace in eerste instantie meer de indruk van een gewassen pentekening krijgt. Het grote voordeel van deze techniek is dat één keer model zitten voldoende was.

De gedachte achter de physionotrace en de totstandkoming ervan zijn uitgedacht door Gilles-Louis Chrétien (1754-1811) in 1787. Hij was aanvankelijk muzikant in de kapel van de koning in Versailles, maar legde zich later toe op de grafische kunst. Hij werkte vanuit Parijs, wat ook staat vermeld in het randschrift van het portret van jonkheer Mr. F.X. Verheijen: ‘Dess. et. gr. p. Chretien inv. du Physionotrace rue St. honoré en face de l'Oratoire No. 152’.

Jonkheer Mr. F.X. Verheijen liet zich op jonge leeftijd (ca. 30 jaar)
in de techniek van physionotrace vastleggen. Vindplaats: P / V 39.5 (1)

Dit portret (vindplaats: P / V 39.5 (1)) is in de Brabant-Collectie aanwezig omdat Verheijen (1779-1851) van 1814 tot aan zijn dood griffier was van Provinciale Staten van Noord-Brabant. In het randschrift maakt Chrétien nadrukkelijk reclame voor zichzelf als bedenker van de physionotrace; hij noemt zelfs de straat waar je zijn zaak kunt vinden. Opvallend genoeg blijft de plaatsnaam (Parijs) achterwege. Na enkele jaren samengewerkt te hebben met Edmonde Quenedey (1756-1830) gaan beiden voor zichzelf verder. Na de dood van Gilles-Louis Chrétien wordt diens zaak voortgezet door (Etienne?) Bouchardy (werkzaam van 1808-1840). En het is Bouchardy die we in het randschrift van het portret van Hultman aantreffen.

Het is aanlokkelijk te bedenken dat Hultman en Verheijen, die in dezelfde periode actief waren voor de Provincie Noord-Brabant, met elkaar gesproken hebben over die in Frankrijk in zwang zijnde manier van portretteren. Want de techniek van de physionotrace heeft in de eerste decennia van de negentiende eeuw behoorlijk wat aanhang gekend, ook in Nederland. Het betekende voor velen toch de relatief eenvoudige en goedkopere mogelijkheid tot het verkrijgen van een eigen portret. Vanaf ongeveer 1830 werd de physionotrace ingehaald door de lithografie en niet veel later door de fotografie, een nog meer gemechaniseerde mogelijkheid om je portret vast te laten leggen.

Bronnen:

maandag 17 augustus 2020

Hop

Hop in:
C. Nozeman, M. Houttuyn, C. Sepp, J.C. Sepp:
Nederlandsche vogelen volgens hunne huishouding, aert
en eigenschappen beschreeven

KOD 041 H 01

Upupa, Epops, Hoppe: Hop
Deze kleurrijke vogel kun je haast niet met een andere vogel verwarren. Zijn fraaie rozebruine verenkleed, de zwart-wit gebandeerde vleugels en de zwartgepunte kuif die hij kan oprichten als een indianentooi, maken hem onmiskenbaar. In de tijd van Nozeman kwam de hop, in tegenstelling tot nu, nog regelmatig tot broeden in ons land.
"In de jaeren 1745, 46, en 47 veel verkeerende aen onze Duinkanten van de Egmondsche, Bergensche, en Schoorler landstreeke, en dikwils in de Lenten de laenen en bosschen der hoeven aldear bezoekende, zag ik 'er meermaelen, somtyds op het duin, somtyds op den platten grond der wegen, en somtyds in het geboomte, deezen anders hieromstreeks niet dagelyks voorkoomenden vogel; zonder toen ontdekt te hebben, het welk echter by my uit hoofde des saizoens voor vry waerschynelyk werdt gehouden, dat hy 'er broedde. Sedert heb ik de Hoppen niet weêr aengetroffen voor in het begin van July 1778, wanneer ik hier by Rotterdam, op de aengenaeme Buitenplaets van mynen zeer geëerden vrind, den Heere M. Viruly, aen den Hoogen Dyk onder Kralingen, dagelyks een paer derzelve uit het geboomte van dien Lusthof af en aen zag vliegen op het daer nevens geleegen weiland. Aldaer had dit paer gebroed, gelyk my de tuinlieden verzekereden."
Bovenstaande afbeelding liet Nozeman vervaardigen door N. Muis: "... en thands is my uit het quartier van Breda een broedend paer Hoppen, te gelyk met een gedeelte van hun nest, en met hunne eijeren, aengebragt geworden; waervan ik zonder uitstel, door den Konstschilder N. Muis, de nette afbeelding naer het leeven heb laeten vervaerdigen, gelyk zy hiernevens in de natuurlyke koleuren vertoond staen." Een handelswijze die in onze tijd ondenkbaar is. De hop staat nu immers op de Rode Lijst van Nederlandse broedvogels. We mogen blij zijn met een zeer incidenteel broedgeval, zoals dit voorjaar in de Amsterdamse Waterleidingduinen. Andere recente broedgevallen dateren uit 2012 en 1995. Dit jaar werden in de periode juni - half juli op ongeveer 22 locaties hoppen gemeld, hetgeen ongewoon veel is. Een mannetjes hop heeft zelfs wekenlang zitten zingen in De Brand, nabij de Loonse en Drunense Duinen. Mogelijk zal de klimaatsverandering voor meer broedgevallen in ons land gaan zorgen de komende jaren.
Nozeman vertelt het volgende over het nest van de hop. "Geene andere holte (meest der Ypenboomen) wordt hier te Land tot eene broedplaets, door deeze vogelen uitgekoozen, dan zulk eene, wier toegang door een klein gat in de schors is. De stank lokt zeer vermoedelyk sommige vliegen en schallebyters of torren naer deeze plaets, in de welke zy eene gunstige geleegenheid kunnen aentreffen om haere eijertjens te leggen; terwyl ook de drek zelf bereids, door de vliegen, aleer de Hoppe hem opneemt, bezet mag zyn geworden met haere zaeden." Verder vermeldt Nozeman dat sommigen de vogel Drekhaen noemen. Dat is niet zo verwonderlijk, want het nest van de hop stinkt behoorlijk. Zowel het vrouwtje als de jongen verdedigen zich tegen indringers door ze te besproeien met een stinkende vloeistof. Er circuleren allerlei streeknamen voor deze vogel, in Noord-Brabant onder andere Schijthop en Stinkhaan (bron: H. Blok, H. ter Stege: De Nederlandse vogelnamen en hun betekenis, 2000).
De naam hop verwijst overigens naar het geluid dat de vogel maakt: een hobo-achtig, ver dragende baltsroep tijdens de broedtijd: hoep-hoep-hoep. Ook al onmiskenbaar.

Vindplaats: KOD 041 H 01

maandag 20 juli 2020

Kleine geschiedenissen van Dussen. Deel 3

Vorige maand verscheen het derde deel van de reeks ‘Kleine geschiedenissen van Dussen’ van de hand van Ton Lensvelt. In de reeks die 5 eeuwen omvat (1460-1960), vertelt hij historische verhalen over Dussen en de Dussenaren. Aan bod komen in dit deel onder andere drie eeuwen gezondheidszorg, de pest, de Spaanse griep, de Tweede Wereldoorlog en verder nog meer verhalen over het bestuur, de inwoners, hun werk, vermaak en andere gebeurtenissen. Dussen valt sinds 1 januari 2019 onder de gemeente Altena.

Vindplaats: BRA Y LENS 3
De andere delen hebben als vindplaats: 
BRA Y LENS 1 
BRA Y LENS 2

Meer plaatselijke geschiedenis is te vinden in de rubriek Y.

maandag 6 juli 2020

Tijdschriften en corona

De Brabant-Collectie ontvangt als abonnementhouder iedere maand een grote hoeveelheid heemkundige en vakinhoudelijke tijdschriften en periodieken. Wanneer je deze op een rij legt, kan een goed beeld worden verkregen hoe ze omgaan met en welke aandacht ze besteden aan grotere thema’s, in dit geval de coronacrisis. Bladen die ieder kwartaal of vaker verschijnen hebben nu – geteld vanaf het moment dat de coronapandemie begin maart uitbrak – allemaal al een nummer het licht doen zien. Voor de bladen met een lagere verschijningsfrequentie gaat waarschijnlijk hetzelfde op: niemand kan er omheen om redactionele of inhoudelijke woorden te wijden aan datgene wat ons al maanden bezighoudt en nog wel geruime tijd zal bezighouden. De twee het vaakst terugkerende, redactionele onderdelen met een relatie tot corona, met name in de heemkundige tijdschriften, zijn de volgende: een overzicht van alle activiteiten (excursies, lezingen, ledenvergaderingen, openstelling van het verenigingsgebouw etc.) die niet doorgaan of anders georganiseerd moeten worden, en – zeer verdrietig – een lijstje van namen van leden die de voorbije periode zijn overleden. In meerdere gevallen wordt met nadruk gesteld dat het een aanzienlijk aantal betreft. De vele, dramatische berichten over de impact van corona in Brabant zoals die ons via de lokale media bereikten, deden in die zin al het ergste vrezen.

Ook inhoudelijk zijn er in de voorbije periode (al) artikelen verschenen waarin referenties aan corona voorkomen. Een artikel over de Tweede Wereldoorlog en de oorlogsslachtoffers van Hooge en Lage Zwaluwe wordt, met name vanwege de vergelijkbare gevolgen voor onze vrijheid van bewegen, gekoppeld aan corona (De Bùrt, jrg. 34, nr. 101, p. 7: Voorwoord).
Het directe effect van de verschillen in aanpak van de diverse landen is waarschijnlijk nergens zo goed te merken als in Baarle-Nassau en Baarle-Hertog. De grens tussen Nederland en België ging dicht en grensverkeer was gedurende vele weken niet mogelijk. Dit levert behalve nieuwe, veelgehoorde woorden als coronatoerisme en grensvignet, ook nieuwe verhalen op waarin de grens een hoofdrol speelt. Van Wirskaante (jrg. 35, nr. 2, p. 6-13, 14-24, 26-37) van Heemkundekring Amalia van Solms gaat hier uitgebreid op in, maar ook andere crises waar de grenzen van enclaves van invloed zijn op het beloop van de geschiedenis komen aan bod.
Dat corona betekent dat veel activiteiten dit jaar niet door kunnen gaan, is vooral voor de mensen die er direct bij betrokken zijn enorm vervelend. Dat het corsoseizoen met een jaar is uitgesteld, betekent niet dat de Stichting Corsief in Zundert stilzit. Hun kleurrijke magazine Corsief besteedt in het juninummer van 2020 (jrg. 25, nr. 1) uitgebreid aandacht aan de negatieve en de positieve gevolgen van de coronabesluiten voor de corsowereld. Het landelijke tijdschrift Geografie (jrg. 29, nr. 6, p. 6-10, 18-22, 26-29) biedt artikelen over een eerder virus, de Spaanse griep, over het feit dat “samen” een kans én een bedreiging is in crisistijd, en over de bestuurlijke beperkingen die optreden als de landsgrenzen gesloten worden. Het Archievenblad (jrg. 124, nr. 3, p. 6-8) kijkt nadrukkelijk vooruit in een artikel over archiveren in crisistijd, oftewel: hoe leg je als archiefdienst de coronacrisis vast?

Twee in het oog springende artikelen ter afsluiting. In het Vlaamse tijdschrift voor heraldiek Heraldicum Disputationes (jrg. 25, nr. 2, p. 45-50) treffen we een beeldend overzicht aan van coronaverwijzingen in, al dan niet ludiek bedoelde, heraldische toepassingen.
© Cortés
Het wapen van Brabant van cartoonist Cortés, met wc-papier als banier, leeuwen met beschermende kleding en het coronavirus als wapenkroon is hierin ook opgenomen. En in Devotionalia (jrg. 39, nr. 230, p. 64-65) bespreekt Ivo de Wijs datgene wat bekend is over de heilige Corona.
Schilderij, maker onbekend
Biblioteca Apostolica Vaticana, Rome
Hij stelt dat de naam door de eeuwen heen niet aan het hoofddeksel maar aan het betaalmiddel kroon werd gekoppeld. En het was daarom dat de heilige Corona zou zijn aangeroepen door deelnemers aan loterijen, schatgravers én zakenmensen, vooral bij financiële problemen. Dit laatste werpt, voor hen die erin willen geloven, een interessant licht op de economische problemen die het coronavirus tot gevolg heeft. 

Vanwege corona zijn onze boeken en tijdschriften in de universiteitsbibliotheek onder strikte voorwaarden toegankelijk. Zodra de openstelling wordt verruimd, kunt u dit lezen op de websites van Brabant-Collectie en Tilburg University

Vindplaatsen: De Bùrt: T 07854 / Van Wirskaante: T 08913 / Corsief: T 10958 / Geografie: T 08947 / Archievenblad: T 09800 / Heraldicum Disputationes: T 11009 / Devotionalia: T 07406

donderdag 25 juni 2020

Brabants indrukwekkendste oorlogsfoto’s bij NM Kamp Vught

Foto A. van Beurden | fotoalbum Wick Bannenberg | Brabant-Collectie, Tilburg University
Eindhoven, september 1944
© A. van Beurden, fotoalbum Wick Bannenberg 
Brabant-Collectie, Tilburg University
Van de Sonse burgemeester Schoepp achter het prikkeldraad van Kamp Vught tot een polonaise door de straten van Eindhoven na de bevrijding: de 50 indrukwekkendste foto’s van de Tweede Wereldoorlog in Noord-Brabant zijn deze zomer te zien bij Nationaal Monument Kamp Vught. Directeur Jeroen van den Eijnde is in zijn nopjes met de nieuwe pop-up tentoonstelling. “Deze foto’s brengen de oorlog echt dichterbij. In deze expositie worden we geconfronteerd met 50 gebeurtenissen die de impact van de oorlogsjaren op onze provincie verbeelden én samenvatten. Daarnaast is het fijn om de bezoekers, die gelukkig ook in deze tijden ons herinneringscentrum weten te vinden, iets extra’s te kunnen bieden.”
Foto Jan van de Ven
© Jan van de Ven
De tijdelijke tentoonstelling komt voort uit het landelijke project De Tweede Wereldoorlog in 100 foto’s, dat onder meer resulteerde in een gelijknamig fotoboek. Aan de basis hiervan stonden de zoektochten op provinciaal niveau. In Noord-Brabant is de selectie gemaakt door een werkgroep bestaande uit Jan van Oudheusden (oud-provinciaal historicus), Patrick Timmermans (directeur Erfgoed Brabant) en Emy Thorissen (conservator van de Brabant-Collectie/Tilburg University). Het mondde uit in een pop-up tentoontstelling die als onderdeel van de ‘Vrijheid-express’-bus in april en mei door de gehele provincie had moeten reizen, tot het coronavirus die plannen doorkruiste. Dat de expositie nu alsnog te zien is, is een geluk bij een ongeluk, legt Van den Eijnde van NM Kamp Vught uit. “Omdat we tot 1 september geen groepsactiviteiten mogen organiseren, staat ons gloednieuwe auditorium leeg. Als je daar de stoelen uithaalt, blijkt het zeer geschikt voor een tentoonstelling zoals deze. Zo krijgt deze fraaie tentoonstelling toch nog het podium die het verdient.”
Foto Jan van de Ven
© Jan van de Ven
De 50 indrukwekkendste foto’s van de Tweede Wereldoorlog in Noord-Brabant zijn tot en met zondag 30 augustus te zien in het auditorium van NM Kamp Vught. Een regulier toegangsbewijs volstaat om de tentoonstelling te bezoeken. Bezoekers dienen in lijn met de RIVM-richtlijnen vooraf wel een ticket te reserveren via de website van NM Kamp Vught.

De Tweede Wereldoorlog in 100 foto’s is een project in het kader van 75 Jaar Vrijheid dat wordt uitgevoerd door het NIOD, in opdracht van Platform WO2, en is mede mogelijk gemaakt door het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en het vfonds. Het gelijknamige boek is te koop in de museumwinkel van NM Kamp Vught of te bestellen via deze link.

maandag 22 juni 2020

Koekoek

Koekoek in:
C. Nozeman, M. Houttuyn, C. Sepp, J.C. Sepp:
Nederlandsche vogelen volgens hunne huishouding, aert en eigenschappen beschreeven
KOD 041 H 01

Cuculus, Canorus: Koekoek

Cornelis Nozeman roemde de koekoek als de aankondiger van de lente: "Zie hier den Uitroeper van 't saizoen, waerin de Natuur, door de koude van den Winter als verstyfd en werkeloos gemaekt, alles opnieuw verlevendigt. Naeulyks begint ons de Lieve Lente aen te lagchen, of men hoort den Koekoek zyn' ouden zang vernieuwen, bynae in alle oorden van de wereld." Als je geluk hebt, kun je de roep van de koekoek nu misschien nog horen. Vanaf een hoge zitplaats roept het mannetje zijn eigen naam om zijn territorium te claimen. Maar de kans is groot dat hij op dit moment alweer vertrokken is naar Afrika. In Nozemans tijd was overigens nog niet zoveel bekend over de verre reis die deze vogel aflegt. Hij schrijft: "Men ziet hier ten lande de vliegende Koekoeken geene groote einden wegs afleggen: schynende zy 't met vliegen niet lang achter een te kunnen uithouden. In de maend Mey passeeren (schryft de Heer Godeheu de Riville aen den Heere De Reaumur) de Koekoeken het Eiland Maltha; uit welk bericht sommigen dan besluiten, dat deeze Vogelen weezenlyk naer warmer Landen verhuizen."
Maar er is iets bijzonders aan de hand met die koekoek. Het vrouwtje broedt niet zelf haar eieren uit, maar legt deze in het nest van een zogenaamde waardvogel aan wie de verdere verzorging voor het nageslacht wordt overgelaten. Belangrijkste 'pleegouders' zijn in Nederland momenteel de kleine karekiet, heggenmus, graspieper, en witte en gele kwikstaart. De koekoek wordt in dit kader ook wel een broedparasiet genoemd. Het is niet zo verwonderlijk dat in Nozemans tijd vreemd tegen dit gedrag werd aangekeken.
Nozeman schrijft: "... een verschynsel anders, naer 't oordeel van den beroemden Heer Willughbey zo ongerymd en wandrochtelyk, dat hy de waerheid daervan niet geloofd zou hebben, indien hy de zelve niet met eigen' oogen had aenschouwd: Het was by hem eene volslagen afwyking van de zoo eindeloos wys verordende Natuurwet, volgens welke was vastgesteld, dat de Moedervogelen, is 't noodig, een Nest maeken, ten minsten haere eigenen Eijeren uitbroeden, en voorts haere uitgekoomene jongen opbrengen. - De dagelyksche ondervinding leert standvastig, dat de Koekoeken eene uitzondering op die Natuurregel maeken." 
Maar Nozeman vindt het ook een slimme zet van de koekoek: "En het is aenbiddelyk wys, en in de gadeloos heerlyke en schoone Huishoudinge der Natuur verwonderlyk welgeschikt, dat een vogel, die, om andere redenen, werdt onbekwaam gelaeten tot de Broeding, met een overleg werdt begiftigd om dat gebrek te verhelpen, en langs den zoo even gezegden weg de voortzetting van zyn geslacht door den dienst van anderen te bevorderen en geregeld te onderhouden."
Dat de tactiek van de koekoek overigens niet altijd succesvol is, constateerde Nozeman zelf:
"Op den grond, in 't gras, naest een bynae voltooid nestje van een Haverkneu, vond ik omtrent het einde van Meymaend het hier afgetekend Ey der Koekoek, en korte stonden daer nae lag ter zelfder' plaets het tweede. De Haverkneu of Gors had, denklyk, deeze Eijeren, in zyn afweezen in het nest gelegd, daer buiten geworpen. Het paer Koekoeken, welk dus vruchteloos zyn broed aen dit vogeltje had willen opdringen, hieldt zig omstreeks het nest zeer onrustig op, vliegende, onder een vreemd geluid, en onder den dreigenden aenval der Gorzen, van den eenen tak op den anderen."

Vindplaats: KOD 041 H 01

maandag 8 juni 2020

Een ramp met vele gezichten

In de bibliotheek van de Brabant-Collectie worden duizenden jaargangen van enkele honderden tijdschriften bewaard. Vanzelfsprekend hebben ze allemaal een link met Brabant. Sommige zijn echter meer thematisch dan topografisch van aard. Zo is het door de grote collectie cartografie in de Brabant-Collectie logisch dat ook hieraan gerelateerde tijdschriften worden verzameld. In het Tijdschrift voor Waterstaatsgeschiedenis (vindplaats T 09404) verschijnen met enige regelmaat artikelen met een Brabantse insteek. Het kan daarin bijvoorbeeld gaan over de optekening van een van de watersnoodrampen waar de provincie in de voorbije eeuwen mee te kampen heeft gehad.
Een artikel dat in december 2019 in dit tijdschrift verscheen, legt indirect een link met een interessant object uit de Topografisch-Historische Atlas van de Brabant-Collectie, maar daarover later meer. Eerst iets over het artikel zelf: 'Zingen om het hoofd boven water te houden. Overstromingen en de Nederlandse literatuur'. Hoogleraar Lotte Jensen geeft aan de Radboud Universiteit in Nijmegen leiding aan een NWO-onderzoek naar onder andere historische watersnoodliederen. In Dealing with disasters wordt de rol onderzocht die rampen hebben gespeeld bij lokale en nationale identiteitsvorming in de periode 1421-1890. Het eerste jaartal is te koppelen aan de Sint-Elisabethsvloed; 1890 is gekozen omdat het jaar werd gekenmerkt door een heel strenge winter. In Dealing with disasters staat de culturele verbeelding van natuurrampen vóór de opkomst van televisie centraal. In het genoemde artikel, dat naar aanleiding van dit Nijmeegse onderzoek is verschenen, komen ook Brabantse natuurrampen voorbij. Een van de meest in het oog springende rampen is de watersnood bij Nieuwkuijk, bijna anderhalve eeuw geleden. Als gevolg van een doorbraak van de Vlijmense Dijk ten zuiden van Nieuwkuijk, in de nacht van 29 op 30 december 1880, kwam een groot deel van die plaats en Het Land van Heusden en Altena onder water te staan. Drie doden en een onbekende hoeveelheid vee kwamen bij de ramp om het leven; de materiële schade was enorm. Voor de slachtoffers werd op 18 februari 1881 een groots benefiet georganiseerd in het Paleis voor Volksvlijt in Amsterdam. Ondanks de treurige aanleiding werd er een fraai Feestblad samengesteld, waarvan een exemplaar bewaard is in de collectie van de Universiteitsbibliotheek van Leiden. Talrijke bekende Nederlanders, onder wie dichter Nicolaas Beets en architect Pierre Cuypers, droegen eraan bij, maar het meest bijzondere onderdeel was misschien wel een speciaal Watersnood-Wilhelmus, opgedragen aan koning Willem III (niet de laatste vorst die zich met watermanagement bezighield). Het lied telt negen coupletten en met name in het eerste couplet klinkt het vertrouwde Wilhelmus door:

Wilhelmus van Nassouwe
Ben ick van Dietschen bloet,
Den Waterlant ghetrouwe
Blijf ick tot in den doedt.
Oranjevorst met eere
Ben ick vrij onverveert,
Want plassen groot als meiren
Heb ik geannexeert.


Jensen merkt op dat in dit lied, waarin koning Willem III de ik-figuur is en tot ons lijkt te spreken, liefdadigheid en nationale saamhorigheid op een unieke wijze samen komen, hoewel er in het lied ook kritische kanttekeningen worden geplaatst bij het falende centrale bestuur. In een online publicatie van dezelfde auteur wordt nader ingegaan op enkel dit bijzondere Wilhelmus.


Via de universiteiten van Nijmegen en Leiden belanden we nu weer bij de Brabant-Collectie. De Nieuwkuijkse watersnood in de winter van 1880-1881 is behalve literair ook visueel verbeeld en voorbeelden hiervan bevinden zich in de Topografisch-Historische Atlas. Het betreft een aantal contemporaine foto’s van de situatie ter plekke, kort na de overstromingen. Foto’s met ondergelopen boerderijen, huizen en straten, weggevaagde bomen en huizen, soms met mensen die voor het maken van de foto even lijken te zijn gestopt met hun reddings- en opruimwerkzaamheden.

Watersnood Nieuwkuijk
Foto, 10 x 15 cm. Maker onbekend
Vindplaats: N 35.2 / 1880 (11)
Maar er is meer. Voor de verslaglegging in De Katholieke Illustratie zijn destijds houtgravures gemaakt met soortgelijke voorstellingen. De meest opvallende in die reeks is een prent met ‘Het overbrengen der Heilige Vaten’.
De watersnood te Nieuwkuik - Het overbrengen der Heilige Vaten
Houtgravure, 15 x 22 cm. Maker onbekend
Vindplaats: N 35.2 / 1880 (3)
Behalve mensen en vee moesten namelijk ook kostbaarheden in veiligheid worden gebracht, zoals het liturgisch vaatwerk (kelken, monstransen en reliekhouders) van de parochiekerk. In De Katholieke Illustratie worden de gebeurtenissen en ervaringen, zo ook het ophalen van de ‘heilige vaten’, tot in detail beschreven en met prenten geïllustreerd. Een gedetailleerd verslag van de ramp is in 2014 opgetekend door Bert Meijs in De ramp van Nieuwkuijk 1880-1881 (vindplaats: BRA T3 Meij 2014).

Doorbraak van den Vlijmenschen Dijk ten zuiden Nieuwkuik etc.
A.B. van Lieshout
Lithografie, 50 x 84.5 cm
Vindplaats: N 35.2 / 1880 (1)
Het vanwege grootte en inhoud meest in het oog springende beelddocument is een litho met de titel Doorbraak van den Vlijmenschen Dijk te zuiden Nieuwkuik ten 2 ure des nachts van 29 op 30 December 1880. De litho herbergt een grote hoeveelheid informatie, uiteenlopend van karakter. Onder de titel zijn feitelijke gegevens opgenomen over oppervlakte en inwoneraantal van Nieuwkuijk, maar ook van het grotere, overstroomde gebied: Het Land van Heusden en Altena. Daaronder is plaats ingeruimd voor 'Huizen onder Nieuwkuik en Vlijmen', die als blokjes langs de hoofdstraten zijn weergegeven. Deze zijn voorzien van de naam van de eigenaar én een symbool dat duidelijk maakt of het huis bij de overstroming geheel is weggespoeld (41 stuks), zwaar is beschadigd (18 stuks), is beschadigd (50 stuks) of onbeschadigd is gebleven. Een aantal huizen gaat vergezeld van een letter (A t/m P) die aan de linkerzijde wordt uitgelegd. Het betreffen 'reddings-voorvallen'. Met een persoonlijke pen wordt de penibele situatie beschreven waarin geredde gezinnen of individuele personen zich hadden bevonden en waar de getroffenen na de ramp werden ondergebracht. In de kaart is verder met stippellijnen en pijlen aangegeven hoe de hevigste waterstromen liepen. Onder de kaart is verder een reeks 'Gemengde Aanteekeningen' opgenomen, zoals de volgende: 'Een veulen, dat op een opkamer gevlucht was en van den honger het hout van de deuren en kozijnen afgeknabbeld en de matten uit de stoelen opgepeuzeld had, is na eenige dagen nog levend gered'. In deze aantekeningen staat ook een datum vermeld: 24 januari. Dit is wellicht de dag in 1881 waarop de gegevens voor deze kaart zijn verzameld. Verder wordt de Konijnenberg aan de rand van Nieuwkuijk genoemd, waar 300 mensen tijdens de overstroming heen zijn gevlucht. Deze is rechts op de prent weergegeven als 'toevluchtsoord van menschen en vee'. Wat hier opvalt is de vermelding dat 'G. van Son President der Commissie van den Konijnenberg, huist in een daarop geplaatste tent.' De meeste vluchtelingen verbleven de eerste dagen en nachten na de ramp onder de blote hemel. Anderen hadden op de Konijnenberg waarschijnlijk een meer dan tijdelijke verblijfplaats, getuige de beschrijvingen bij de twee portretten die de kaart completeren: 'M. Heymans, Nachtwaker der gemeente Nieuwkuik. Heeft door het slaan der noodklep de inwoners gewekt en van de doorbraak verwittigd. Huist in een hol op de Konijnenberg' en 'B. v.d. Lee, bijg: de Stoker, Jager van den Heer van Onsenoort. Huist met vrouw en vijf kinderen in een uitgegraven holte op den Konijnenberg'.

Deze kaart, met een schat aan informatie, is uitgegeven bij P.C. Baijens in Waalwijk – met name actief met de uitgave van prentbriefkaarten – en vervaardigd door A.B. van Lieshout (1802-1885). Een uitgebreid artikel over Van Lieshout verscheen in 1997 in tijdschrift De Klopkei (jaargang 21, p. 127-136, vindplaats T 07471). Deze Waalwijkse kunstenaar genoot zijn opleiding aan de Koninklijke School voor Nuttige en Beeldende Kunsten in 's-Hertogenbosch. Als zoon van een meester-timmerman kwam hij in aanraking met secuur meet- en tekenwerk. Tijdens zijn opleiding behaalde hij prijzen in de bouwkunde en ornamentkunde. Uiteindelijk kwam hij te werken bij het Kadaster in 's-Hertogenbosch. Zijn bekendste werk is een kaart van Noord-Brabant, bestaande uit twaalf delen, die ook in de Brabant-Collectie aanwezig is (vindplaats: Provincie Noord-Brabant / 1842 (1)). Deze kaart van Noord-Brabant kreeg na verschijnen veel waardering. In 1881, Van Lieshout was al bijna tachtig jaar en – zo staat vermeld op de kaart – 'Oud Ambtenaar van het Kadaster', was hij belast om de situatie en de verhalen in Nieuwkuijk na de watersnood op te tekenen.

Aan de hand van de veelzijdige bronnen uit diverse collecties die hierboven zijn beschreven, kan een goed beeld worden geschetst van een ramp, een zwarte bladzijde uit de geschiedenis van een klein Brabants dorp. De impact van rampen laat voor altijd sporen na. Benieuwd hoe over anderhalve eeuw wordt teruggekeken op de coronacrisis in onze tijd en welke literaire en visuele bronnen daarvan bewaard zijn gebleven…

maandag 25 mei 2020

Wandelen in de omgeving van ’s-Hertogenbosch; 10 dagwandeltochten tussen de Maas en Boxtel, Rosmalen en Vlijmen


In deze coronatijd aandacht voor een onlangs verschenen wandelgids met 10 wandelingen van de Paadjesmakers rondom ’s-Hertogenbosch. Het is een gevarieerd aanbod van wandelingen door de omgeving van ’s-Hertogenbosch met ook aandacht voor de geschiedenis van het landschap en zijn bebouwing. De routes gaan door natuurgebieden en agrarische gebieden, door moderne maar ook door typisch Bossche wijken, door rustige en bijzondere plekken en eindigen veelal in of vlakbij de Bossche binnenstad. Het moerassig gebied rond de stad en de beekdalen van de Aa en de Dommel vormen een mooi decor voor de wandelroutes. 

Vindplaats: BRA H4 PAAD 2020

maandag 11 mei 2020

Blauwborst

Blauwborst in:
C. Nozeman, M. Houttuyn, C. Sepp, J.C.Sepp:
Nederlandsche vogelen volgens hunne huishouding, aert en eigenschappen beschreeven
KOD 041 K 01
Sylvia Suecica, het Blaauwborstje

We pakken weer even de draad op van onze blogreeks over de Nederlandsche vogelen van Cornelis Nozeman (1721-1786) e.a., met vandaag aandacht voor de Blauwborst. Over de naamgeving wordt het volgende geschreven:
"Het Mannetje, heeft een schoone, hemelblaauwkleurige keel en borst, van waar zijn naam ontleend is, bij Linnaeus, is deze Vogel bekend onder den naam van Montacilla Suecica, wat hiertoe aanleiding gegeven hebbe, is niet wel optesporen, want hoe zeer geheel Europa hun ter woonplaats strekt, is het tog Zweden, en de verdere Noordelijke deelen niet, in welke hij zijnen hoofdzetel vestigd."
Tegenwoordig onderscheidt men twee ondersoorten van deze trekvogel: de Witsterblauwborst (Latijnse naam Luscinia svecica cyanecula) en de Roodsterblauwborst (Latijnse naam Luscinia svecica svecica). In ons land zien we met name de eerstgenoemde. Het zwaartepunt van de West-Europese verspreiding ligt zelfs in ons land en in West-Vlaanderen, aldus de Vogelatlas van Nederland van SOVON. Gelukkig is er steeds meer geschikt leefgebied voor deze vogel bijgekomen, waardoor hij zelfs van de 'Rode Lijst' is gehaald. Veel zeldzamer in ons land, maar daarentegen veel voorkomend in Noord-Europa, is de Roodsterblauwborst. Deze vogel, met een rode 'ster' in het blauwe borstgedeelte, is in ons land een zeldzame doortrekker in het voorjaar. Ook al doet de Nederlandse naam wellicht anders vermoeden, de Blauwborst is nauwer verwant aan de Nachtegaal dan aan de Roodborst. Die verwantschap komt ook tot uiting in enkele dialectnamen voor de Blauwborst: Poldernachtegaal, Rietnachtegaal en Waternachtegaal.

De Blauwborst laat zijn uitbundige zang vaak horen vanaf een goed zichtbare zangpost, op de top of op een tak van een struik in nat gebied. Hij richt dan zijn staart op en toont zijn felgekleurde blauwe borst in al zijn pracht. Ook in de baltsvlucht kun je zijn zang horen, die door vogelaars wordt vergeleken met het geluid van een startmotortje. De auteurs van Nederlandsche vogelen waren niet zo onder de indruk van de zang van de blauwborst, althans van de exemplaren die in hun tijd veelvuldig in gevangenschap werden gehouden:
"Er worden jaarlijks verscheiden gevangen, en in kooijen met meelwormen onderhouden; zij worden alsdan zeer tam, en leggen alle schuwheid af; het is echter alleen de schoone kleur, waardoor zich dit Vogeltje aanbeveelt, want zijn geluidt, is, juist niet strelende, bestaande alleen in enkelde en afgebrokene klanken, die op zichzelve dan tog niet verveelende of onaangenaam kunnen heeten."

Over biotoop en voedsel van de Blauwborst wordt het volgende geschreven:
"Het voorwerp waarover wij bij dezen handelen; en waarvan in het jaar 1810 twee of drie stuks te Harderwijk, gevangen werden, bewoond veelal, de struiken en wildernissen althans gedurende den zomer, alwaar dit Vogeltje zich alsdan, zoo hier als elders, aan oevers en andere waterachtige plaatsen, in het digtst van Heesterboschjes verschuilt, op de aarde een nest bouwt, en vijf à zes langwerpige groenachtige eijertjes legt... het voedsel bestaat in allerleij Insecten, inzonderheid in Water-Insecten, waarom hij gaarne aan waterachtige plaatsen zich nederzet, echter bezoekt hij ook in het najaar de Wijngaarden en Moestuinen, om aldaar van Druiven en andere Gewassen, Wormen en Rupsen, aftelezen."
Aldus zijn Blauwborsten "nuttig, wegens hun verslinden der Insecten en in het gezellige leven aardige beestjes en indien men zulks zouden kunnen verkiezen, ook tot spijze zeer goed te gebruiken."

Vindplaats: KOD 041 K 01

maandag 13 april 2020

Ginnekense wonderdokter

Portret F.J.M. Colson, vóór 1900. Poststempel d.d. 20-09-00
Prentbriefkaart. Foto: A. van Erp, Ginneken. Brabant-Collectie. Tilburg University
In 1904 kocht de Hagenaar François Joseph Marie Colson (1878-1911) een stuk grond met een houten huisje in het Ulvenhoutse bos. Al snel begon hij zijn praktijk als kruiden- of wonderdokter van Ginneken. Per paardentram kwamen de mensen vanuit het hele land, maar ook uit België. Colson beweerde over bijzondere gaven te beschikken. Zo zou hij zonder mensen aan te raken door hun lichaam kunnen kijken en zou hij weten aan welke kwalen ze leden.
Ierseksche en Thoolsche Courant, 25 februari 1905
www.delpher.nl
Op 30 september 1904 is vanuit Ginneken deze prentbriefkaart verstuurd naar de familie Van Dam te Rotterdam. De plaatselijke fotograaf A. van Erp heeft de praktijk van de wonderdokter op de gevoelige plaat vastgelegd. Op de beeldzijde staat een mooie anekdote over het bezoek van Anna aan dokter Colson met baard en pij (staand rechts van het midden).
Groepsportret bij wonderdokter F.J.M. Colson (staand rechts van het midden)
voor het houten keetje in het Ulvenhoutse bos
, 1904
Prentbriefkaart. Foto: A. van Erp, Ginneken. Brabant-Collectie. Tilburg University
De transcriptie van deze anekdote luidt als volgt:
Jans.
Ik bedank je wel voor je cadeau en vind het zeer mooi. Ook bedank ik Emma gelijk voor het geld dat ze mij gegeven heeft, haast was ik er aan vergeten. Nu heeft Filip gezegd, dat Sjaak van plan was zondag met Léon mee te komen. Dit willen wij graag vooruit weten. Anna is onderzocht, doch de Dr heeft niets gezegd. Hartelijke groeten aan Allen van ons Esther en Anna. Anna voelt zich zeer goed en haar longen hebben niet het minste geleden, door het wandelen. adieu Esther.
Zoo je Bernard Bouwman ziet bedankt hem dan voor zijn aanzichtkaarten. Als Sjaak mee komt laat hij dan zijn fiets mee brengen. De boer vraagt er alledag na misschien kan hij hem verkoopen. Het weer liet zich van morgen niet mooi aanzien. Het knap nu echter op. Misschien gaan we vanmiddag eens naar Breda. Nu dag tot Ziens Esther


De zaken gingen bijzonder goed. François Colson kon in 1905 een groot herenhuis aan de Ulvenhoutselaan nummer 7 huren. In zijn woonhuis ontving hij patiënten en bewonderaars, soms wel zeventig per dag. In het houten “Boschhuis” hield hij eveneens nog spreekuur. De kleine houten keet werd rond 1910 uitgebreid tot een groot zomerhuis. Het huis met verdieping en gaanderij werd door hemzelf “De Belvedère” oftewel uitkijktoren genoemd vanwege het mooie uitzicht over het bos. Helaas is het in 1913 afgebrand.

Ulvenhout. Ulvenhoutsch Bosch
Prentbriefkaart. Foto: A. van Erp, Ginneken; 63601. Brabant-Collectie. Tilburg University 
Ondanks zijn faam moest hij van de politie in maart 1906 stoppen met het "onbevoegd uitoefenen van de geneeskunst". Hij werd bestempeld als kwakzalver.
Dagblad van Noord-Brabant, 9 maart 1906
www.delpher.nl
Colson nam dr. Korteweg uit Breda als “assisterend geneesheer” in dienst en de praktijk werd alsnog voortgezet. De assistent, een oudere man, ontving de patiënten en noteerde hun klachten, waarna ze voorgeleid werden aan de ‘grote heler’ voor een consult. De mensen hoefden hun klachten niet meer op te sommen, want Colson wist al wat ze mankeerden. Hij trachtte met kruiden en hypnose de patiënten te genezen. Vooral goedgelovigen en vrouwen zochten de charismatische ‘dokter’ op, wellicht mede aangetrokken door zijn opmerkelijke levensstijl. Hij beschikte over een koets met span en een automobiel, waardoor hij ook huisbezoeken kon afleggen. In de Bredasche Courant van 7 juni 1907 wordt melding gemaakt van een auto-ongeluk, toen Colson en zijn assistent op weg waren naar Baarle-Nassau.
Bredasche Courant, 7 juni 1907
www.delpher.nl
Dagblad van Noord-Brabant, 25 juni 1907
www.delpher.nl
In de Bredasche Courant van 13 november 1909 staat een uitgebreid en kritisch stuk over de klandizie van de wonderdokter en zijn zogenaamde genezingen naar aanleiding van een artikel van G.W. Bruinsma in het Maandblad, uitgegeven door de Vereeniging tegen de kwakzalverij. Doordat François Colson zelf ernstig ziek werd, kwam er een einde aan zijn succes. Op 7 februari 1911 overleed de dan 32-jarige wonderdokter na een operatie in Den Haag. Grote belangstelling was er voor zijn begrafenis. Zijn bewonderaars plaatsten een gedenksteen (in de vorm van een obelisk) op zijn graf op het kerkhof van de Nederlands Hervormde Kerk in Ginneken.