Over mij

Mijn foto
De Brabant-Collectie is in 1837 in 's-Hertogenbosch opgericht door het Provinciaal Genootschap van Kunsten en Wetenschappen in Noord-Brabant en wordt sinds 1986 beheerd door de bibliotheek van de Universiteit van Tilburg

maandag 12 april 2021

Olifantenpaadjes in Meierijstad: een weg door de wandel geschapen

Vorig jaar december verscheen een boek met foto’s en verhalen over de vele olifantenpaadjes in Meierijstad. Olifantenpaadjes zijn paadjes die spontaan ontstaan zijn. Ze worden ook wel afsnijpaadjes of afstekertjes genoemd. Sommige paadjes zijn er al sinds mensenheugenis en iedereen maakt er wel eens gebruik van. Olifantenpaadjes zijn vernoemd naar de olifanten in Afrika en Azië, die slingerend door het landschap op zoek gaan naar voedsel, schaduw en water. Dat doen ze altijd via de kortst mogelijke weg. Ook andere dieren maken daarna gebruik van de ontstane routes. Olifantenpaadjes komen niet alleen bij kruisingen en splitsingen van wegen voor, maar vooral bij scholen, bushaltes, speelvelden en parkeerplaatsen. En zelfs bij parken waar officiële paden zijn aangelegd. Vaak zijn ze korter dan het officiële pad en ook veiliger, omdat er drukke afslagen of kruisingen vermeden worden. Jan Verhagen fotografeerde de vele olifantenpaadjes al een hele tijd tijdens zijn wandel- en fietstochten in Meierijstad en besloot er een boek van te maken. Hierin worden ook de locatiegegevens en afmetingen van de olifantenpaadjes genoemd.

Vindplaats: BRA H4 VERH 2020

maandag 29 maart 2021

Winterkoning

Winterkoning in:
C. Nozeman, M. Houttuyn, C. Sepp, J.C. Sepp:
Nederlandsche vogelen volgens hunne huishouding, aert en eigenschappen beschreeven
KOD 041 H 01


Motacilla, Troglodytes; Trochlodytes, Regulus; Winterkoning

De Winterkoning is in Nederland het op een na kleinste vogeltje; alleen de Goudhaan is kleiner. In Nederlandsche Vogelen kunnen we dit ook lezen, al wordt hier een andere naam gehanteerd voor het Goudhaantje:
"Wy hebben hier ten Lande slegts één Vogeltje, welk kleiner dan dit tegenwoordig voorwerp is, t.w. het Goudsbloems- of  St. Maertens-Vogeltje; met het welk de Winterkoning meermaelen verward wordt; als zynde beiden hier en daer in het Latyn Regulus, d.i. Koningje, geheeten geworden. Het eene nogtans is van het andere zoo merkelyk verschillende, dat al wie ze beiden maer ééns, zelfs met eenige oppervlakkige opmerking, by elkanderen gezien heeft, het zeer groot onderscheid, welk 'er tusschen het eene en het andere is, niet ligtelyk vergeeten zal."
Hedendaagse vogelaars noemen bruine vogeltjes als de Winterkoning wel eens een kbv-tje: een klein bruin vogeltje. Best makkelijk zo'n verzamelterm als je in "het veld" bent en niet direct de naam weet van, uiteraard, een klein bruin vogeltje. Herken je de vogel dan als zijnde een Winterkoning, dan kun je je mede-vogelaars erop attenderen door te roepen: "Kijk, een wiko". Dat vogelaars gek zijn op afkortingen moge duidelijk zijn.

Ondanks zijn kleine formaat heeft deze algemene broed- en standvogel een luide zang, die hij laat horen terwijl zijn staartje parmantig rechtop staat. Zelfs in de winter klinkt zijn lied, wellicht dankt hij daaraan zijn naam. Maar zijn naam is ook verweven met een Griekse sage over de koningskeuze, later verworden tot een volksverhaal. De Latijnse naam Troglodytes troglodytes betekent letterlijk "holbewoner", een verwijzing naar het bolvormige nest van deze vogel. In Nederlandsche vogelen lezen we hierover het volgende:
"[...] het welk naementlyk in de muuren der land- en tuinwooningen geen gat, aen den voet of de stammen van bemoscht geboomte geene opening, tusschen de takkebosschen en heggen geene holte, onbezocht laet, zoo, om daer in zyn aes van opgeschoolene spinnen en andere Insekten zeer vlytig op te spooren, als, om tegen zynen broeityd de bekwaemst-mogelyke Nestelplaets uittezoeken.[...] Doch waer ook de Nesten aengelegd zyn, zy zyn altoos vry kort boven de aerde, en wonderlyk konstig gemaekt; zynde 'er, wanneer zy in eenige hegge zyn; altoos die oplettendheid by in acht genomen, dat ze om de takken heen hier en daer zyn vastgemaekt, om bestand te zyn tegen de rukwinden en 't heen en weer slingeren. Gants aenmerkelyk zyn die Nesten uit hoofde van hun maeksel. Nog nooit is 'er my één voorgekoomen, het welk anders dan van eene Horizontale richtinge, of het welk anders dan van het zachtste Boommosch samengesteld was. [...] Deeze broedkamer is met het allerfynste mosch, dons, of zeer zacht haeir van binnen gestoffeerd, beide tot beveiliging der zeer dungeschaelde Eijeren, en tot warmte van de even tedere jongen, die waerlyk in dit nest, even als in een' pelsrok, tegen alle koude zyn beschut."

Bestand tegen lange vorstperiodes zijn Winterkoninkjes overigens allerminst. Niet verwonderlijk dat ze elkaar onder zulke omstandigheden in groten getale opzoeken in bijvoorbeeld een nestkast of een boerenschuur. Ze kruipen dan dicht tegen elkaar om de nacht door te brengen. Een groep van 10 vogels is niet ongewoon, zelfs slaapgroepen van 60 exemplaren worden genoemd.

Vindplaats: KOD 041 H 01

maandag 15 maart 2021

Jules David: een Franse fotograaf, actief in Noord-Brabant

Soms word je door het lezen van een artikel aangespoord om in de Brabant-Collectie te gaan zoeken naar raakvlakken met het onderwerp van het gelezen artikel. Dit was het geval met een artikel van Ingrid M.H. Evers. De auteur werd geboren in de voormalige gemeente Roosendaal en Nispen, maar is wat haar veelzijdige onderzoek en publicaties betreft met name in Limburg actief. Geschiedenis van de fotografie is een van haar speerpunten. Ze schreef een artikel over negentiende-eeuwse schoolfoto’s van de Franse fotograaf Jules David dat verscheen in De Maasgouw (jaargang 139, 2020, nr. 4, 120-125), het kwartaalblad van het Koninklijk Limburgs Geschied- en Oudheidkundig Genootschap. In de bijdrage, met uiteraard vooral aandacht voor Limburgse aspecten en voorbeelden, zijn ook Brabantse aanknopingspunten opgenomen. Deze trokken onze aandacht; de vraag die na lezing van het artikel direct opborrelde, was of van deze fotograaf ook werk in de Brabant-Collectie is opgenomen. En dat bleek het geval… Maar eerst iets meer over de fotograaf.

De bijdrage van Evers leert dat fotograaf Jules David (1848-1923) het grootste deel van zijn carrière werkzaam was in en vanuit Levallois bij Parijs. David reisde voor zijn werk door heel Europa en was, getuige de grote hoeveelheid negatiefnummers, bijzonder productief. Hij werkte in de meeste gevallen in opdracht. Belgische bisschoppen, paus Leo XIII in het Vaticaan, maar ook Noorse brandweerlieden, Zweedse spoorwegambtenaren en zijn beroemde plaatsgenoot Gustave Eiffel verschenen voor zijn camera. Hij introduceerde in het schooljaar 1879-1880 de professionele schoolfotografie in Nederland. Zijn fotografische specialisme bracht hem ook in Noord-Brabant. In het artikel van Evers is een voorlopige lijst opgenomen van Nederlandse plaatsen waar David actief is geweest. De Brabantse opleidingen waar hij gefotografeerd heeft zijn de Rijksleerschool in Den Bosch (1880), pensionaat Nazareth in Uden (1896-1897), en in Breda kleinseminarie De Ypelaar (1880), de Departementale School voor meisjes (1908) en de Koninklijke Militaire Academie.


Binnenplaats van de KMA in Breda (1890-1891)
Fotograaf: Jules David
Vindplaats: pbk-B 83 / 231.12 (4)

Achterzijde van de prentbriefkaart

Van deze laatste locatie, de KMA in Breda, zijn in de Brabant-Collectie twee voorbeelden te vinden van werk van Jules David. In beide gevallen betreft het echter geen groepsportretten, maar zijn het documentaire foto’s met onderdelen van het KMA-gebouw. Op een prentbriefkaart is de binnenplaats gefotografeerd. Linksonder is aangegeven wie de fotograaf is: ‘J. David, phot. Levallois-Paris’. Rechts van de afbeelding is de voorzijde helemaal volgeschreven. De achterkant is volledig bestemd voor de adressering. De prentbriefkaart is op 18 november 1901 gestempeld. Afgaande op een gedateerde groepsfoto in het Rijksbureau voor Kunsthistorische Documentatie in Den Haag waarop het bestuur van de cadettensociëteit van de KMA is vastgelegd, was David in ieder geval in 1890-1891 bij de KMA.
Wapenkamer van de KMA in Breda (1890-1891)
Fotograaf: Jules David
Vindplaats: B 83 / 231.21 (5)

Interessanter is bovenstaande foto waarop een interieur te zien is met op de vloer, in vitrinekasten en aan de muur tal van wapentuig (pistolen, sabels, harnassen, kleine affuiten, etc.). Vijf mannen in uniform zijn zodanig tussen de wapens opgesteld dat het totaalbeeld het karakter van een pronkfoto heeft. Rechtsonder, tussen de wielen van een voertuig voor zwaarder geschut, staat het negatiefnummer 304382, dat op de achterzijde nogmaals wordt vermeld. Rechtsboven is een amandelvormig blindstempel aangebracht. Op de rand is te lezen: ‘Reproduction Interdite’. Centraal wordt de fotograaf bekend gemaakt: J. David. Hoewel op de achterzijde in potlood ‘1912’ staat vermeld, mag worden aangenomen dat deze foto tijdens hetzelfde bezoek in 1890-1891 is gemaakt.

De Franse prentbriefkaart en foto in de Brabant-Collectie smaken, samen met de voorbeelden in andere archieven, naar meer. Wellicht dat er bij nadere inspectie en diepere ontsluiting meer Brabantse foto’s van Jules David opduiken. Ingrid Evers zet haar onderzoek naar de fotograaf in ieder geval voort en wordt graag (via een reactie op dit blog) geïnformeerd.

Vindplaats: T 07330

maandag 1 maart 2021

Amphia, zorg in de regio 1819-2019

Afgelopen november verscheen een uitgebreid boekwerk over de geschiedenis van het Amphia Ziekenhuis en haar voorlopers in Breda en omgeving. Ruim 5 jaar werkte de Oosterhoutse historica Cock Gorisse aan dit boek, dat een goed sociaal-cultureel inkijkje geeft van de gezondheidszorg door de jaren heen in de regio Breda. Aan bod komt de hygiëne, de macht van pastoors, ruziënde artsen, de overgang van gasthuis naar ziekenhuis, de verzuiling (iedere geloofsuiting haar eigen ziekenhuis), de diverse voorlopers en de fusie met de ziekenhuizen in het Ginneken, Oosterhout, Raamsdonksveer en de diverse ziekenhuizen in Breda en De KlokkenbergBreda was goed bedeeld: drie ziekenhuizen in Breda (Ignatius, Diaconessen en Laurens in het toen nog zelfstandige Ginneken), St. Joseph in Oosterhout en Theresia in RaamsdonksveerHet boek is rijk bedeeld met foto’s.

Vindplaats: BRA T3 GORI 2020

maandag 15 februari 2021

IJsvogel

 

IJsvogel in:
C. Nozeman, M. Houttuyn, C. Sepp, J.C. Sepp:
Nederlandsche vogelen volgens hunne huishouding, aert en eigenschappen beschreeven
KOD 041 I 01 

Alcedo Ispida. Ysvogel

Zijn naam doet anders vermoeden, maar als er iets is dat de ijsvogel niet kan verdragen dan is het ijs en bittere kou. Tijdens strenge winters sterven deze prachtige vogels in groten getale. Zodra open water is dichtgevroren, wordt het moeilijk voor de ijsvogel om op kleine vissen te jagen. Tot voor kort ging het erg goed met de ijsvogel in Nederland, dankzij de zachte winters. Maar de periode met strenge vorst die we nu hebben gehad, is een beproeving voor deze vogel.

We komen de ijsvogel tegen in deel III van de boekenreeks Nederlandsche vogelen. Nozeman is inmiddels overleden en Martinus Houttuyn (1720-1798) heeft het project overgenomen. Dit betekent tevens een verandering in het project, aldus de schrijvers van de inleiding van de facsimile uitgave Nederlandsche vogelen, 1770-1829. Hier is te lezen (pag. 19 e.v.) dat Houttuyn, in tegenstelling tot de empirisch ingestelde Nozeman, een echte kamergeleerde was. Weliswaar had hij veel kennis van de natuur, maar die was vooral gebaseerd op literatuuronderzoek in zijn uitgebreide bibliotheek en op de studie van opgezette exemplaren in zijn kabinet of dat van vrienden. In de teksten van de delen III en IV van Nederlandsche vogelen staan dan ook weinig bijzonderheden over het gedrag of de levensloop van de vogels.

Dat de ijsvogel door de eeuwen heen als een mooie vogel wordt beschouwd blijkt ook uit het relaas van Houttuyn:
"De Ispida werdt beschreeven "als een zeer schoone kleine Vogel, van Kleur hemelsblaauw dat in 't groene speelt, in de Zonneschyn als de Saphier glinsterende, en aan de Borst als gloeijende Kolen, met tweevingerige Pooten, die scherp en krom genageld zyn; de Bek zwart en regt." Over de naamgeving is het volgende te lezen:
"De Franschen noemen hem Martin of Martinet Pescheur, 't welk zo veel wil zeggen, als Visschende Zwaluw; dewyl hy eenigzins naar een Zwaluw gelykt en zyn werk veel van het vangen van Vischjes en Water-Insekten maakt, die zyn voornaamste Voedsel zyn. 't Is mooglyk wegens de overschoone Kleuren, dat men 'er in Engeland den naam aan geeft van Kingsfisher, dat is Konings-Visscher. De benaaming van Ysvogel is daar van afkomstig, dat men hem op de binnen-Wateren meest aantreft by vriezend Weer."

Bovenstaande afbeelding van de ijsvogel uit Nederlandsche vogelen is getekend aan de hand van opgezette exemplaren van dhr. Renselaar, aldus schrijft Houttuyn. Opmerkelijk is de ijsvogel onderin de afbeelding. Houttuyn schrijft hierover:
"Het onderste Voorwerp is zekerlyk eene verbastering, gelyk men nu en dan, doch zeldzaam, ook in Lysters, Spreeuwen, Mossen en andere Vogelen, waarneemt. Het vertoont naamelyk een byna geheel witten Ysvogel. De Kleur in 't algemeen, zo van onderen als van boven, is hier graeuwachtig wit, doch met eenig helder groen, als een soort van weerschyn, op Kop, Rug en Staart, 't welk nog meer doet blyken, dat het eene verbastering zy. Ook is de Bek niet zwart, maar bleek roodachtig wit, gelykerwys de Pooten. Men ziet 'er een blyk aan van de voorgemelde Toompjes en de Buik heeft iets rosachtigs. Voor 't overige is dit by uitstek raare Voorwerp, daar ik nergens melding van vind, wat kleiner; als zynde maar ruim zes Duimen en de Bek anderhalf Duim lang."
Het betreft hier een zogenaamde leucistische vogel. Leucisme is een erfelijke kleurafwijking die bij alle dieren voorkomt. Melanine zorgt voor de kleuring van veren. Een dier met leucisme maakt wel melanine aan, maar het komt niet tot uiting in de veren door een gemis aan een bepaald eiwit. Met als gevolg kleurloze (witte) veren. Albinisme komt overigens ook voor, evenals melanisme, maar wil je daar meer over weten, lees dan vooral dit artikel.

maandag 1 februari 2021

Jaarboeken 2020: veelzijdige artikelen in een moeilijk jaar

Wie 2020 zegt, zegt corona. Het jaar dat achter ons ligt, bracht iets dat alleen de honderdjarige (of ouder!) onder ons had meegemaakt: een wereldwijde pandemie. Wat deze betekent, heeft bijna iedereen in de loop van het jaar direct of indirect ervaren. Het ongekend heftige virus greep om zich heen en maakte velen ziek, voor een behoorlijk aantal helaas met dodelijke afloop. Het maatschappelijke en sociale leven werd ontwricht en alles wat ‘normaal’ was, bleek toch niet meer zo vanzelfsprekend. En nu, bijna een jaar verder, zitten we er nog steeds middenin en lijkt het moment waarop ‘terug naar normaal’ kan worden gevierd nog ver weg. En hoe de vorm van ‘het nieuwe normaal’ eruit gaat zien, is nog allerminst duidelijk.
En toch zijn wij, mensen, erop ingesteld om veel door te laten gaan zoals het was. Zo belandden er rond de jaarwisseling vier jaarboeken 2020 op de bureaus van de Brabant-Collectie die in coronatijd zijn geschreven, samengesteld, geredigeerd (in woord en beeld), vormgegeven en geproduceerd. Opvallend genoeg komen ze allemaal uit de westelijke helft van Noord-Brabant.

Het Jaarboek van Heemkundekring De Heerlijckheid Nispen bevat vier lezenswaardige artikelen met een zeer uiteenlopende inhoud. De honderdjarige Toneelvereniging ‘Onderling Kunstgenot’ wordt aan de hand van veertien foto’s ‘in al haar theaterfacetten’ getoond en beschreven. De historische en geografische context van natuurgebied Everland en de bewoningsgeschiedenis van een aantal panden aan de Oude Turfvaartsestraat in Nispen worden uit de doeken gedaan. En verder worden twee episodes uit de bevrijding van Nispen in 1944 nader belicht. Kronieken over de gebeurtenissen in het Nispen van 1919 en 2019 completeren dit rijk geïllustreerde jaarboek.

Het jaarboek van de Heemkundekring Sprundel ‘Onder Baronie en Markiezaat’ herbergt meerdere korte en langere artikelen, ook over een breed scala aan onderwerpen. Het 35-jarig jubileum van de heemkundekring komt aan bod, net als 180 jaar geschiedenis van molen De Hoop en het 75-jarig bestaan van de scouting. Wat de vaker terugkerende mosselmaaltijd in Sprundel inhield, wordt kort uiteengezet en aan de hand van de levensbeschrijving van Leen Korst-van den Broek krijgen we een kijkje in de dorpsgeschiedenis uit vervlogen tijden. De verhalen over dopelingen uit het Sprundel van 1909 bieden fragmenten van familiegeschiedenissen. Ook in de bijdragen over Sprundelse imkers en pastoors komen deze aspecten naar voren.


In Oudenbosch is Heemkundige Kring Broeder Christofoor actief en ook van hen is het jaarboek 2020 verschenen. Er wordt teruggekeken naar het reilen en zeilen van het dorp een eeuw geleden, in 1920. De (bouw)geschiedenis van het fraaie Patershuis aan de Markt krijgt de verdiende aandacht. De geschiedenis van Oudenbossche broeders tijdens en na het bombardement van Rotterdam op 10 mei 1940 is door de details even helder als beangstigend. Van heel andere aard is de beschrijving van hoe de weddenschap van drie vrienden om met een Vliegende Hollander het traject Roosendaal-Oudenbosch af te leggen verliep. Zulk nieuws haalde destijds nog de krant! Verder laat ook de Oudenbossche kroniek van 1970 zien dat we nu echt in een andere tijd leven.


Het fraai en full colour uitgegeven 80-ste (!) jaarboek van De Ghulden Roos (Roosendaal) is ook veelzijdig van inhoud. In een artikel worden aan de hand van historisch kaartmateriaal preciezere, topografische uitspraken gedaan over het Turfhoofd. In een andere bijdrage maken archiefvermeldingen en landschapsgeschiedenis meer duidelijk over het klooster Sint-Catharinadal. Het artikel over de vele getuigenissen van veelzijdig kunstenaar Joan Collette in West-Brabantse kerken en kloosters onderstreept diens belang, ook al krijgen de gebouwen thans andere functies. Het is boeiend te lezen over de relatie tussen landbouwgrond, typologie van landbouwvoertuigen en de intensiteit van landbouwvervoer. Dit jaarboek wordt afgesloten met een artikel over fotografe Rees Diepen en de (op een na) nooit eerder gepubliceerde foto’s, aanwezig in de Brabant-Collectie, die zij tijdens het carnaval van 1967 in Roosendaal maakte van ‘Kiendermiddag’, het Stadskinderfeest. Omdat corona het carnaval van 2021 enorm in de weg zal zitten, zijn deze vrolijk stemmende zwart-witfoto’s in deze tijden een extra genot voor het oog.


Vindplaats: BRA Y NISP 2020, BRA Y ONDE 2020, BRA Y JHBC 2020, BRA Y GHUL 2020

maandag 18 januari 2021

De Rustende Jager: Udenhout - Biezenmortel

Oktober 2020 verscheen een omvangrijk en rijk geïllustreerd boek over uitspanning De Rustende Jager in Udenhout - Biezenmortel. Het boek is een uitgave van Erfgoed Centrum 't Schoor. De presentatie van het boek vond plaats op 29 september 2020, en had ondanks coronona een feestelijk karakter. Het café, dat zich bevind aan de rand van de Loonse en Drunense Duinen bij natuurgebied De Brand en buurtschap De Zandkant, is al ruim 100 jaar in handen van familie Klijn en is nu nog steeds geliefd als uitvalsbasis en stopplaats voor wandelaars en fietsers. Ook was het vroeger in trek bij militairen op oefening in de Drunense Duinen. Het boek behandelt de familiegeschiedenis van de uitbaters, de ontwikkeling van het café en geeft een beschrijving van de Loonse en Drunense Duinen en natuurgebied De Brand.

Vindplaats: BRA H3 HEEM 2020

maandag 4 januari 2021

Sneeuwuil

Sneeuwuil in:
C. Nozeman, M. Houttuyn, C. Sepp, J.C. Sepp:
Nederlandsche vogelen volgens hunne huishouding, aert en eigenschappen beschreeven
KOD 041 J 01
Strix Nyctea. De Sneeuw-uil

We zitten midden in de winter, en aan het begin van het nieuwe jaar. De tijd waarin sommigen mijmeren over sneeuw- en ijspret, terwijl anderen alweer reikhalzend uitkijken naar de lente. Voor de fanatieke vogelaar betekent het nieuwe jaar daarnaast de start van de nieuwe jaarlijst oftewel: het gedurende een jaar exact bijhouden van welke vogel op welke dag en welke locatie gezien en/of gehoord werd. Ieder jaar begint de telling opnieuw, en al die jaren bij elkaar resulteren dan in de zogenaamde levenslijst. Tegenwoordig kan dat allemaal online, bijvoorbeeld middels een account bij Waarneming.
Een vogel die welhaast op de wensenlijst van iedere vogelaar staat, is de sneeuwuil. Een karakteristieke vogel van de arctische toendra, die bij zeer hoge uitzondering als dwaalgast in ons land te zien is, en dan met name in het Waddengebied. De eerste beschreven waarneming van deze vogel stamt uit 1806 in Amsterdam. In deel 4 van Nederlandsche vogelen lezen we hierover:
"Een zeer zonderling geval is het, dat, een van deeze soort van Uilen, welke wy beschryven, in de maand December des Jaars 1806, in Holland, en wel in Amsterdam, op een stormächtige Nagt gevangen werd, na dat 'er, geduurende verscheidene Dagen, een zwaare storm, uit den noord-oosten had gewaaid; deeze Vogel moet door die sterke winden zeker tot onze kusten zyn voortgedreeven, want hy bewoond dezelve niet, maar is in de Poollanden alleen te vinden, en schynt in die gewesten voor altoos als gebannen te zyn."

Het relaas over de sneeuwuil in Nederlandsche vogelen opent als volgt:
"In die woeste en onbewoonde streeken van de Zuidpool-Landen, daar een eeuwige winter heerscht, bevinden zich verscheidene Roofvogelen, die 'er de ééntoonige stilte afbreeken, akeliger nog, dan het treurig gekras dezer dieren; het is althans nog iets levendigs het geroep en gehuil dezer schepselen te verneemen, ten minsten schynt het verkieslyker boven die naare eenzelvige stilte, welke de ziel in eene schrikkelyke verbazing stort."
De hier afgebeelde sneeuwuil is naar het leven getekend aan de hand van het opgezette exemplaar van C.J. Temminck (1778-1858). Temminck was oprichter en directeur van het Rijksmuseum van Natuurlijke Historie, de voorganger van Naturalis, in Leiden. Voor het samenstellen van de delen 4 en 5 van Nederlandsche vogelen stelde hij vele vogels uit zijn collectie beschikbaar. Enkele hiervan, zoals de Amerikaanse Schaarbek en de Alpenheggenmus, zijn nog steeds te zien in Naturalis.  

De sneeuwuil jaagt soms in de schemering, maar meestal bij daglicht. In Nederlansche vogelen lezen we hier het volgende over:
"Men zegt dat dit soort, een Dagvogel zoude zyn, en dat de glans of schittering van de Sneeuw, zyne oogen niet verblind, nog hem hindert, om met vuur en geweld, de Haazen en Veldhoenen (Tetrao Lagopus) natezitten, welke zich in de Bosschen dier streeken ophouden, en die hy op den vollen dag vangt: verschillen zou deze Vogel, in dit opzicht, met byna alle andere soorten van dit geslagt, waarvan de oogen door het daglicht schynen te verduisteren, of wel geheel en al verblind te worden, door de straalen van de zon..."

Benieuwd naar de gehele tekst? Kijk dan zeker eens op de themapagina van de Koninklijke Bibliotheek, met linken naar de online versies van de  gehele reeks Nederlandsche vogelen.
Nog een leuke leestip voor deze wintermaand is het artikel Sneeuwuilen in Nederland: Arctische verschijningen in de polder van Gert Ottens (Uilen, pag. 66-71, 2011).