Over mij

Mijn foto
De Brabant-Collectie is in 1837 in 's-Hertogenbosch opgericht door het Provinciaal Genootschap van Kunsten en Wetenschappen in Noord-Brabant en wordt sinds 1986 beheerd door de bibliotheek van de Universiteit van Tilburg

maandag 19 juli 2021

Schatten van Vught

Sinds september 2018, we zitten nog in de derde jaargang, geeft de Stichting Erfgoed Vught vier keer per jaar het tijdschrift uit met de veelbelovende naam Schatten van Vught. En de belofte wordt ingelost; in elk nummer staan gedegen én lezenswaardige artikelen over een breed scala aan erfgoedonderwerpen, uiteraard met Vught (en ook Cromvoirt) als grote gemene deler. Uit veel van de artikelen wordt duidelijk dat het dorp Vught, gelegen nabij ’s-Hertogenbosch en op veel historische momenten nadrukkelijk met de geschiedenis van die grote stad verbonden, ook veel eigen verhalen te vertellen heeft. Mede op initiatief van de bevlogen historicus Henk Smeets is er een tijdschrift op poten gezet dat nu al niet meer weg te denken lijkt uit het Vughtse erfgoedveld.

In het aprilnummer van 2021 komt in een ruime bijdrage van Wieke Schrover de jeugdbeweging in Vught in de jaren vijftig en zestig van de twintigste eeuw aan bod. Veel lokale aspecten worden besproken en katholieke en protestantse notabelen passeren de revue. Dat het artikel een periode behandelt die nog niet ver achter ons ligt, maakt dat vele lezers ongetwijfeld herinneringen aan het onderwerp zullen hebben.

Misschien wat abstracter van aard, maar daarom niet minder boeiend, is de bijdrage van Lauran Toorians, over het landschap van Vught en omgeving in de middeleeuwen. Deze bijdrage (verdeeld over twee nummers; dit is het eerste deel) is geschreven voor de vuistdikke publicatie Twee bijzondere dorpen. Geschiedenis van Vught en Cromvoirt, maar kon daar door plaatsgebrek uiteindelijk niet worden geplaatst. Al lezende word je vanuit het historische verhaal, door tekst en beeld, op diverse momenten naar het nu en de huidige situatie getrokken.

Vaak zijn er kortere – en dus meer – bijdragen opgenomen, maar het pleit voor de redactie dat ze de hierboven besproken langere bijdragen (geannoteerd!) als kern van dit nummer hebben gekozen. Elk nummer is er in ieder geval ruimte voor algemeen erfgoednieuws en relevant nieuws uit de werkgroepen die binnen de stichting actief zijn: Archeologie, Vught 3D, Historische kaarten, Tweede Wereldoorlog en (net nieuw) Vughtse historici.

In de Brabant-Collectie zijn Vught en Cromvoirt ook goed vertegenwoordigd. Ruim 700 boeken en artikelen met deze geografische trefwoorden zijn in BCfinder ontsloten. Verder zijn er in de Topografisch-Historische Atlas meer dan 270 afbeeldingen met Vught of Cromvoirt opgenomen. Voor diegene die geïnteresseerd is in de geschiedenis en het erfgoed van Vught, is een (digitaal) bezoek aan de Brabant-Collectie zeker de moeite waard.

Vindplaats: T 11057

maandag 5 juli 2021

My 50 years life in Transport

Afgelopen mei verscheen een boek met herinneringen van Rinus Rynart en het transportbedrijf van de familie Rynart uit Moerdijk. In de 50 jaar dat Rinus als vrachtwagenchauffeur op de weg zat, reed hij vaak als een van de eerste naar verre bestemmingen. Zijn boeiende verhalen over Iran, Pakistan, Afghanistan en meer ongewone en bijzondere landen maken veel indruk. Ook verhalen van andere chauffeurs op de vrachtwagens naar Europa, het Midden-Oosten en Centraal-Azië komen aan bod. De lange wachtrijen voor de grensovergangen, geen navigatie aan boord maar rijden op wegenkaarten, omrijden vanwege oorlogen, omkopingen onderweg. De chauffeurs maakten van alles mee. Tegenwoordig werkt Rynart Transport vooral met Turkse, Litouwse of Russische chauffeurs, omdat veel Nederlandse chauffeurs geen zin hebben om weken achter elkaar van huis te zijn. Bovendien zijn het niet altijd de veiligste landen waar ze op rijden. Inmiddels zit de familie Rynart al ruim 90 jaar in het wegtransport en heeft zoon Rob de zaak overgenomen toen Rinus in 2008 met pensioen ging.

Vindplaats: BRA V3 RYNA 2021

maandag 21 juni 2021

Putter


Putter in:
C. Nozeman, M. Houttuyn, C. Sepp, J.C. Sepp:
Nederlandse vogelen volgens hunne huishouding, aert en eigenschappen beschreeven
KOD 041 J 01

Fringilla Carduelis. Distelvink, Putter

Vandaag maken we een sprong naar deel 4 van Nederlandsche vogelen om deze kleurrijke vogel nader te bekijken. De auteur begint zijn relaas met een uitleg over de naam van de vogel:
"In het Geslagt der Vinken (Fringilla), waar van reeds verscheidende Soorten, die gemeenlyk byzondere Naamen voeren, behalve de gewoone VINKEN, beschreeven zyn, maakt de DISTELVINK een ongemeen fraaije vertooning. Men noemt dit Gevogelte dus, om dat zy, in de vryheid zynde, in de Herfst en 's Winters aazen op het Zaad der Doornen of Distelen. Hier van heeft de Latynsche naam Carduélis, zo wel als de Italiaansche Cardillo, de Fransche Chardonnerel en de Engelsche Thistle-Finch, zekerlyk ook zyne afkomst. In 't Nederlandsch geeft men 'er, doorgaans, den naam van PUTTER aan; dewyl zy zeer leerzaam zyn, om het Water, tot hun drinken, door middel van een Kettingje en Vingerhoed uit een Glas op te haalen; gelyk bekend is."
De Putter is, evenals andere vinkensoorten, lange tijd massaal gevangen met lijmstokken en op zogenaamde vinkenbanen. Niet alleen om ze op te eten, maar ook voor hun zang. In Nederlandsche Vogelen lezen we:
"De DISTELVINKEN zyn in ons Land vry gemeen en worden dikwils, met de Vinken, onder de Slagnetten gevangen. Men kan ze ook, zo wel als die, tot versnapering gebruiken; maar de MANNEN houdt men gemeenlyk in 't leeven om 'er PUTTERS van te maken, of ook wegens de aangenaamheid van hun Gezang."
Blijkbaar kon men deze vogels makkelijk kunstjes leren, zoals het 'putten' van water door het optrekken van een minuscuul emmertje, verbonden aan een kettinkje. Deze "hobby" werd dermate populair, dat men in plaats van de gangbare naam Distelvink de naam Putter ging gebruiken.

We vinden de Putter/Distelvink veelvuldige terug in de beeldende kunst en literatuur, waar hij door de eeuwen heen voor allerlei zaken symbool heeft gestaan. Wie daar meer over wil lezen, kan zijn/hart ophalen op internet en in geschreven bronnen. Maar denk bijvoorbeeld aan het schilderij Het puttertje van de Nederlandse schilder Carel Fabritius uit 1654 en de vuistdikke roman, eveneens getiteld Het puttertje, van de Amerikaanse schrijfster Donna Tartt uit 2013. 

Terug naar Nederlandsche vogelen, waar we lezen:
"Wegens de Kleur heeft men ze in 't Grieksch Chrysomitris, in 't Latyn Aurivittis en in 't Engelsch Gold-Finch, dat is Goudvink, getyteld; maar de hedendaagsche Grieken geeven 'er, om de eerstgemelde reden, den naam van Akanthis aan." Hier kan het qua naamgeving voor de hedendaagse lezer wat verwarrend worden met die gelijkluidende namen. Want al denk je misschien bij de naam Goldfinch aan Goudvink, laatstgenoemde is toch echt een heel ander vogeltje. En dan heb je in het Engels naast de European goldfinch ("ons" Puttertje) ook nog eens de American goldfinch, ook weer een heel ander vogeltje.

Maar dat alles terzijde. Wat als een paal boven water blijft, is dat de Putter een genot voor het oog en het oor is met zijn kleurenpracht en beminnelijke zang. Sinds 1975 is hun aantal in Nederland gelukkig flink aan het stijgen. Kwam deze vogel aanvankelijk vooral voor in Laag-Nederland, gaandeweg heeft hij zich steeds meer uitgebreid over de rest van het land. Dit komt mede doordat hij zich heeft aangepast aan door de mens gemaakte landschappen, zoals boomgaarden en parken. En soms, als je dan een geluksvogel bent, kan het zo maar gebeuren dat een paartje hun nestje gaat bouwen in de perenboom in jouw tuintje aan de stadsrand.

Vindplaats: KOD 041 J 01

maandag 7 juni 2021

Genoeg te vertellen over Den Dungen

Momenteel loopt de zesenveertigste jaargang van het tijdschrift van heemkundevereniging ‘Op die Dunghen’, genaamd Het Griensvenneke. Het is natuurlijk geen jubileumjaar, maar er mag gerust bij stilgestaan worden dat een dorp met nog geen vijfduizend inwoners het al meer dan vijftig jaar presteert om ieder kwartaal een tijdschrift over het eigen verleden het licht te doen zien. Sinds 1967 zijn er al ruim 850 artikelen in Het Griensvenneke en zijn voorloper verschenen. Het hele brede spectrum van geschiedenis en heemkunde is in al die jaren aan bod gekomen. Wat in de recente jaargangen in het oog springt, is een reeks artikelen over de bakkers die vanaf ongeveer 1800 in Den Dungen actief zijn geweest. Harrie Maas en André Schoones hebben het allemaal op een rij gezet. In het eerste Griensvenneke van 2021 zijn we aangekomen bij hun achtste bijdrage over dit onderwerp. Hierin komen Grarus Goossens en zijn opvolgers aan bod, maar de hele reeks is de moeite waard. Dit komt omdat de artikelen behalve bedrijfsgeschiedenis tevens familiegeschiedenissen vertellen en ook de dorpsgeschiedenis erin verweven is. Het beeldmateriaal, vaak nog uit de bakkersfamilies zelf afkomstig, maken de bijdragen aantrekkelijk en compleet.
Henk van Gestel houdt een pleidooi voor een historisch verantwoorde herplaatsing van een grenspaal. Door infrastructurele projecten wist men zich geen raad meer met de tweehonderd jaar oude paal op de grens van de gemeenten Den Dungen en Berlicum en heeft men deze volgens Van Gestel een onjuiste plaats toebedeeld.
Veel heemkundigen zijn gefascineerd door de Tweede Wereldoorlog. Mede omdat het tot de recente geschiedenis behoort, biedt het mogelijkheden om er veel over vast te leggen. Dat er na de bevrijding van Den Dungen (oktober 1944) van februari tot en met mei 1945 nog zeven V1’s op Dungens grondgebied terecht zijn gekomen, is waarschijnlijk bij velen bekend. In een bijdrage worden de exacte locatie van de inslagen, context en persoonlijke ervaringen aan de historische feiten toegevoegd.
Van mensen die aan de (rafel)rand van de maatschappij verkeren, weten we vaak meer dan van de modale burger. Dat komt omdat ze in rechtbankverslagen en registers van gevangenissen vaak met naam en toenaam worden genoemd. In een boeiend artikel volgen we de levenswandel van Adrianus Kuijpers: zijn activiteiten als landloper in Tilburg en Breda, zijn veroordelingen en zijn gevangenschap in Veenhuizen.
Een korte bijdrage over de fotograferende kapelaan Frans van Hooff (1918-1995), met beeldmateriaal uit het parochie-archief dat in het BHIC in ’s-Hertogenbosch berust, sluit het veelzijdige nummer af.
Als het over Den Dungen gaat, heeft de Brabant-Collectie ook het nodige te bieden. Alle artikelen uit Het Griensvenneke zijn inhoudelijk ontsloten via BCfinder. Verder kan gemeld worden dat nu aan ruim 750 artikelen en boeken en 82 monografieën het geografisch trefwoord ‘Den Dungen’ is gekoppeld. In de Topografisch-Historische Atlas zijn 70 afbeeldingen, met name foto’s van boerderijen, van Den Dungen opgenomen. Kortom, er is genoeg te vertellen over Den Dungen.

Vindplaats: T 07450

maandag 24 mei 2021

Een weelde aan groen: vier kloostertuinen in Noord-Brabant

Vorig jaar verscheen een mooi boekje, in het formaat van een dwarsligger, met veel foto’s over kloostertuinen in de ‘kloosterbelt’ in het noordoosten van Brabant. In de loop van de 17de en 18de eeuw, in de nasleep van de Reformatie, vestigden zich daar een aantal abdijen en priorijen. Deze kloosters behoren tot de oudste van Nederland en achter de muren ervan bevinden zich verborgen parels van tuinen. De kruidentuin van Museum Krona te Uden, de ecologische tuin Hof van Lof in Megen, de groenten- en stiltetuin van het Emmausklooster in Velp (bij Grave) en de Engelse landschapstuin van Sint Agatha. Ze vertegenwoordigen ieder voor zich een bepaald aspect van een kloostertuin. Het boekje geeft een inkijk in de geschiedenis van het klooster en de aanleg van de tuin. Van elke tuin is een plattegrond gemaakt met uitleg. Het boekje bevat fietsroutes en andere praktische informatie.

Vindplaats: BRA W AREN 2020

maandag 10 mei 2021

Geelgors

Geelgors in:
C. Nozeman, M. Houttuyn, C. Sepp, J.C. Sepp:
Nederlandsche vogelen volgens hunne huishouding, aert en eigenschappen beschreeven
KOD 041 H 01

Emberiza Citrinella, Geelgerst, Haverkneu

In deel 2 van de kloeke boekenreeks Nederlandsche vogelen bespreekt Nozeman de geelgors: "Overal des zomers vindt men, zoo in onze weiden, als in 't hangen van onze Dyken, de Haverkneuen, gemeenlyk ook Geelgersten of, gelyk sommigen spreeken, Gorsen en Geelgorsen geheeten... 's Winters ziet men hen meermaelen in de naebyheid der landwooningen, vooral daer paerdenstallen zyn, en op de akkeren; en schoon men hen in den herfst mede vange onder de vinken-en leeuwrik-netten, kan men hen echter niet onder het eigenlyk trekgevogelte tellen: Zy zoeken in dat jaergety hun voedsel uit de mest der paerden, en aezen meest voorts, het geheele jaer door, op allerhande graenen en zaeden. Haver, inzonderheid, en Gerst, zyn hunne geliefde voedsel."
Op de site van de Vogelbescherming kunnen we lezen dat de geelgors inderdaad een stand- en zwerfvogel is. De Nederlandse broedvogels blijven voornamelijk in eigen land en vormen wintergroepen op voedselrijke plekken. Ze komen voornamelijk in het oosten van het land voor, maar ook in onze provincie kun je ze spotten. Niet alleen de opvallende gele kleur (met name van het mannetje), maar ook zijn karakteristieke zang kunnen je hierbij op weg helpen.

In een goede vogelgids tref je doorgaans een omschrijving in woorden aan van hoe de zang van de vogel klinkt. Dat is vaak al een kunst op zich om te ontcijferen. Zo omschrijft Lars Svensson in ANWB Vogelgids van Europa de zang van de geelgors als volgt: "Zang welbekende strofe van 5-8 snel herhaalde korte noten met verschillend einde, si-si-si-si-si-si-SUUUUUU; voorlaatste noot vaak hoger en laatste lager, sre-sre-sre-sre-sre-sre SIIII-suuuu; klank soms meer herinnerend aan Krekelzanger, dzre-dzre-dzre...". Of een beginnend vogelaar hier veel mee opschiet, kun je je afvragen. En wat wordt er precies bedoeld met "welbekende strofe"? Voor de diehards is er sinds 2017 een boek op de markt dat geheel gewijd is aan de zang van vogels: Veldgids Vogelzang van Dick de Vos (KNVV Uitgeverij, Zeist). Iedere vogel krijgt hier 1 pagina toebedeeld om de zang, en ook de roep (ja, daar zit een verschil tussen), te definiëren. In dit boek wordt gelukkig het mysterie van de "welbekende strofe" opgehelderd. De zang van de geelgors komt namelijk dicht in de buurt van een strofe uit de Vijfde Symfonie van Beethoven! Maar de Engelsen horen weer iets anders in de zang van de geelgors, aldus de Etymologiebank, namelijk: "little bit of butter but no... cheese". En in het Belgische Merkplas hoort men: "daar zit een beest in mijnen kop en ze steekt subiet". Overigens erg handig die ezelsbruggetjes om vogelzang te onthouden.
Gelukkig zijn er tegenwoordige ook fantastische apps te downloaden die het herkennen van de zang een stuk makkelijker maken. 

Nog even terug naar Nozeman die, naast een uitgebreide beschrijving van het uiterlijk van de geelgors, nog enkele regels wijdt aan zijn dieet. "By C. Gesnerus wordt wel uit Albertus aengeteekend, dat de Gorsen animal nullum attingunt, op geen gedierte aezen, maer van zaeden leeven. Doch nevens Turnerus, die by denzelfden Gesnerus zegt, dat dit gevogelte,  behalven gewormte, gerst en haver eet, meldt ons de groote Linnaeus dat de Haverkneu des zomers op de Ruspen der Koolplanten aest: En 'k heb zelf meermaelen aen de beplantte Dyken, alwaer tusschen het opslag uit de stoelen van het geboomte gewoon zyn te broeden, hen op ruspjens aezende gevonden; schoon 't teffens waer zy, dat graenen en zaeden wel meest van hunne gading zyn."

Vindplaats: KOD 041 H 01

maandag 26 april 2021

Tijdschrift: Effe Lùstere

Het periodiek met deze vrolijke, en toch ook stellige titel ‘Effe Lùstere’ wordt drie keer per jaar verzorgd door de Historische Vereniging Werkendam en De Werken c.a. In 1997 zag het blad het levenslicht, na aanvankelijk – vanaf 1992 – als mededelingenblad van de vereniging te zijn uitgebracht. In een prettige opmaak laat ieder nummer een diversiteit aan onderwerpen zien, uitgewerkt in goed leesbare artikelen. In het jongste nummer (jaargang 30, maart 2021, nummer 83; helaas vermeldt de voetregel nog: april 2019, jaargang 28, nummer 77) staat het levensverhaal beschreven van de drie laatste Joden die in Werkendam woonden. Zij werden in 1943 via Westerbork naar Sobibor getransporteerd en zijn aldaar vermoord. De Stolpersteine (herdenkingsstenen die worden geplaatst bij huizen waar ooit Joden, Sinti of Roma woonden) die in 2010 voor Joseph, Elizabeth Johanna en Johanna Sientje de Vries in de Hoogstraat in Werkendam werden gelegd, krijgen met dit artikel een passende historische context.
Artikelen die de lokale toestand van bijvoorbeeld honderd of honderdvijftig jaar geleden beschrijven, bevatten vaak leuke feitjes en vormen regelmatig aanknopingspunten voor ander onderzoek. Mede door het beschikbaar komen van gedigitaliseerde kranten en tijdschriften in Delpher heeft de toegang tot en het gebruik van deze bronnen de afgelopen jaren een enorme vlucht genomen. Een bijdrage met een hoog kroniekgehalte is ook in dit nummer van ‘Effe Lùstere’ opgenomen.
Bijzondere aandacht vraagt het artikel met het persoonlijke en aangrijpende verhaal van Leen Versluis (1934-2019) over zijn oorlogservaringen, opgetekend op verzoek van zijn broer en diens dochter. Het is weliswaar geen tijdens de oorlog geschreven dagboek, maar mede door de familiefoto’s en foto’s van persoonlijke documenten kom je als lezer heel dichtbij Versluis’ oorlogsbelevenissen en de -beleving. Tot slot wordt stilgestaan bij het verschijnen van het boek ‘Van ijzeren tjalk tot stalen binnenvaartschip. Drie generaties Dirk Christiaan Hovestadt’, geschreven voor Martin van der Stelt. Verhalen over schippersfamilies en maritieme bedrijven zijn aan de inwoners van het schippersdorp Werkendam natuurlijk goed besteed. Het is belangrijk dat deze (familie)geschiedenissen nu te boek zijn gesteld. Vanwege corona en de zeer beperkte mogelijkheid tot samenkomen is ook het jaarverslag 2020 van de vereniging in het tijdschrift opgenomen, maar evenals de andere korte berichten is dit in het geheel niet storend.
Gezicht op Werkendam
Andries Schoemaker, 1750
Gewassen pentekening, 13 x 21 cm
Vindplaats: W 48.1 / 010 (3)
De website van Historische Vereniging Werkendam en De Werken c.a. is ook de moeite van het bezoeken waard. Je vindt er uiteenlopende informatie over onder andere activiteiten van de vereniging en de geschiedenis van Werkendam. De collectie van de bibliotheek staat er beschreven en is online doorzoekbaar.
Ook in de Brabant-Collectie kan men het nodige over Werkendam vinden. In BCFinder zijn momenteel 120 boeken opgenomen en zijn ruim 350 artikelen, die in verschillende tijdschriften en boeken over Werkendam verschenen, ontsloten. Verder treft men er een bescheiden aantal topografische afbeeldingen en kaarten van het aan Boven- en Nieuwe Merwede én aan de Biesbosch gelegen dorp. Al dit materiaal is bij de Brabant-Collectie te raadplegen; veel van de boeken zijn uitleenbaar. In verband met corona is er wel een beperkte dienstverlening.

Vindplaats: T 09356

maandag 12 april 2021

Olifantenpaadjes in Meierijstad: een weg door de wandel geschapen

Vorig jaar december verscheen een boek met foto’s en verhalen over de vele olifantenpaadjes in Meierijstad. Olifantenpaadjes zijn paadjes die spontaan ontstaan zijn. Ze worden ook wel afsnijpaadjes of afstekertjes genoemd. Sommige paadjes zijn er al sinds mensenheugenis en iedereen maakt er wel eens gebruik van. Olifantenpaadjes zijn vernoemd naar de olifanten in Afrika en Azië, die slingerend door het landschap op zoek gaan naar voedsel, schaduw en water. Dat doen ze altijd via de kortst mogelijke weg. Ook andere dieren maken daarna gebruik van de ontstane routes. Olifantenpaadjes komen niet alleen bij kruisingen en splitsingen van wegen voor, maar vooral bij scholen, bushaltes, speelvelden en parkeerplaatsen. En zelfs bij parken waar officiële paden zijn aangelegd. Vaak zijn ze korter dan het officiële pad en ook veiliger, omdat er drukke afslagen of kruisingen vermeden worden. Jan Verhagen fotografeerde de vele olifantenpaadjes al een hele tijd tijdens zijn wandel- en fietstochten in Meierijstad en besloot er een boek van te maken. Hierin worden ook de locatiegegevens en afmetingen van de olifantenpaadjes genoemd.

Vindplaats: BRA H4 VERH 2020

maandag 29 maart 2021

Winterkoning

Winterkoning in:
C. Nozeman, M. Houttuyn, C. Sepp, J.C. Sepp:
Nederlandsche vogelen volgens hunne huishouding, aert en eigenschappen beschreeven
KOD 041 H 01


Motacilla, Troglodytes; Trochlodytes, Regulus; Winterkoning

De Winterkoning is in Nederland het op een na kleinste vogeltje; alleen de Goudhaan is kleiner. In Nederlandsche Vogelen kunnen we dit ook lezen, al wordt hier een andere naam gehanteerd voor het Goudhaantje:
"Wy hebben hier ten Lande slegts één Vogeltje, welk kleiner dan dit tegenwoordig voorwerp is, t.w. het Goudsbloems- of  St. Maertens-Vogeltje; met het welk de Winterkoning meermaelen verward wordt; als zynde beiden hier en daer in het Latyn Regulus, d.i. Koningje, geheeten geworden. Het eene nogtans is van het andere zoo merkelyk verschillende, dat al wie ze beiden maer ééns, zelfs met eenige oppervlakkige opmerking, by elkanderen gezien heeft, het zeer groot onderscheid, welk 'er tusschen het eene en het andere is, niet ligtelyk vergeeten zal."
Hedendaagse vogelaars noemen bruine vogeltjes als de Winterkoning wel eens een kbv-tje: een klein bruin vogeltje. Best makkelijk zo'n verzamelterm als je in "het veld" bent en niet direct de naam weet van, uiteraard, een klein bruin vogeltje. Herken je de vogel dan als zijnde een Winterkoning, dan kun je je mede-vogelaars erop attenderen door te roepen: "Kijk, een wiko". Dat vogelaars gek zijn op afkortingen moge duidelijk zijn.

Ondanks zijn kleine formaat heeft deze algemene broed- en standvogel een luide zang, die hij laat horen terwijl zijn staartje parmantig rechtop staat. Zelfs in de winter klinkt zijn lied, wellicht dankt hij daaraan zijn naam. Maar zijn naam is ook verweven met een Griekse sage over de koningskeuze, later verworden tot een volksverhaal. De Latijnse naam Troglodytes troglodytes betekent letterlijk "holbewoner", een verwijzing naar het bolvormige nest van deze vogel. In Nederlandsche vogelen lezen we hierover het volgende:
"[...] het welk naementlyk in de muuren der land- en tuinwooningen geen gat, aen den voet of de stammen van bemoscht geboomte geene opening, tusschen de takkebosschen en heggen geene holte, onbezocht laet, zoo, om daer in zyn aes van opgeschoolene spinnen en andere Insekten zeer vlytig op te spooren, als, om tegen zynen broeityd de bekwaemst-mogelyke Nestelplaets uittezoeken.[...] Doch waer ook de Nesten aengelegd zyn, zy zyn altoos vry kort boven de aerde, en wonderlyk konstig gemaekt; zynde 'er, wanneer zy in eenige hegge zyn; altoos die oplettendheid by in acht genomen, dat ze om de takken heen hier en daer zyn vastgemaekt, om bestand te zyn tegen de rukwinden en 't heen en weer slingeren. Gants aenmerkelyk zyn die Nesten uit hoofde van hun maeksel. Nog nooit is 'er my één voorgekoomen, het welk anders dan van eene Horizontale richtinge, of het welk anders dan van het zachtste Boommosch samengesteld was. [...] Deeze broedkamer is met het allerfynste mosch, dons, of zeer zacht haeir van binnen gestoffeerd, beide tot beveiliging der zeer dungeschaelde Eijeren, en tot warmte van de even tedere jongen, die waerlyk in dit nest, even als in een' pelsrok, tegen alle koude zyn beschut."

Bestand tegen lange vorstperiodes zijn Winterkoninkjes overigens allerminst. Niet verwonderlijk dat ze elkaar onder zulke omstandigheden in groten getale opzoeken in bijvoorbeeld een nestkast of een boerenschuur. Ze kruipen dan dicht tegen elkaar om de nacht door te brengen. Een groep van 10 vogels is niet ongewoon, zelfs slaapgroepen van 60 exemplaren worden genoemd.

Vindplaats: KOD 041 H 01

maandag 15 maart 2021

Jules David: een Franse fotograaf, actief in Noord-Brabant

Soms word je door het lezen van een artikel aangespoord om in de Brabant-Collectie te gaan zoeken naar raakvlakken met het onderwerp van het gelezen artikel. Dit was het geval met een artikel van Ingrid M.H. Evers. De auteur werd geboren in de voormalige gemeente Roosendaal en Nispen, maar is wat haar veelzijdige onderzoek en publicaties betreft met name in Limburg actief. Geschiedenis van de fotografie is een van haar speerpunten. Ze schreef een artikel over negentiende-eeuwse schoolfoto’s van de Franse fotograaf Jules David dat verscheen in De Maasgouw (jaargang 139, 2020, nr. 4, 120-125), het kwartaalblad van het Koninklijk Limburgs Geschied- en Oudheidkundig Genootschap. In de bijdrage, met uiteraard vooral aandacht voor Limburgse aspecten en voorbeelden, zijn ook Brabantse aanknopingspunten opgenomen. Deze trokken onze aandacht; de vraag die na lezing van het artikel direct opborrelde, was of van deze fotograaf ook werk in de Brabant-Collectie is opgenomen. En dat bleek het geval… Maar eerst iets meer over de fotograaf.

De bijdrage van Evers leert dat fotograaf Jules David (1848-1923) het grootste deel van zijn carrière werkzaam was in en vanuit Levallois bij Parijs. David reisde voor zijn werk door heel Europa en was, getuige de grote hoeveelheid negatiefnummers, bijzonder productief. Hij werkte in de meeste gevallen in opdracht. Belgische bisschoppen, paus Leo XIII in het Vaticaan, maar ook Noorse brandweerlieden, Zweedse spoorwegambtenaren en zijn beroemde plaatsgenoot Gustave Eiffel verschenen voor zijn camera. Hij introduceerde in het schooljaar 1879-1880 de professionele schoolfotografie in Nederland. Zijn fotografische specialisme bracht hem ook in Noord-Brabant. In het artikel van Evers is een voorlopige lijst opgenomen van Nederlandse plaatsen waar David actief is geweest. De Brabantse opleidingen waar hij gefotografeerd heeft zijn de Rijksleerschool in Den Bosch (1880), pensionaat Nazareth in Uden (1896-1897), en in Breda kleinseminarie De Ypelaar (1880), de Departementale School voor meisjes (1908) en de Koninklijke Militaire Academie.


Binnenplaats van de KMA in Breda (1890-1891)
Fotograaf: Jules David
Vindplaats: pbk-B 83 / 231.12 (4)

Achterzijde van de prentbriefkaart

Van deze laatste locatie, de KMA in Breda, zijn in de Brabant-Collectie twee voorbeelden te vinden van werk van Jules David. In beide gevallen betreft het echter geen groepsportretten, maar zijn het documentaire foto’s met onderdelen van het KMA-gebouw. Op een prentbriefkaart is de binnenplaats gefotografeerd. Linksonder is aangegeven wie de fotograaf is: ‘J. David, phot. Levallois-Paris’. Rechts van de afbeelding is de voorzijde helemaal volgeschreven. De achterkant is volledig bestemd voor de adressering. De prentbriefkaart is op 18 november 1901 gestempeld. Afgaande op een gedateerde groepsfoto in het Rijksbureau voor Kunsthistorische Documentatie in Den Haag waarop het bestuur van de cadettensociëteit van de KMA is vastgelegd, was David in ieder geval in 1890-1891 bij de KMA.
Wapenkamer van de KMA in Breda (1890-1891)
Fotograaf: Jules David
Vindplaats: B 83 / 231.21 (5)

Interessanter is bovenstaande foto waarop een interieur te zien is met op de vloer, in vitrinekasten en aan de muur tal van wapentuig (pistolen, sabels, harnassen, kleine affuiten, etc.). Vijf mannen in uniform zijn zodanig tussen de wapens opgesteld dat het totaalbeeld het karakter van een pronkfoto heeft. Rechtsonder, tussen de wielen van een voertuig voor zwaarder geschut, staat het negatiefnummer 304382, dat op de achterzijde nogmaals wordt vermeld. Rechtsboven is een amandelvormig blindstempel aangebracht. Op de rand is te lezen: ‘Reproduction Interdite’. Centraal wordt de fotograaf bekend gemaakt: J. David. Hoewel op de achterzijde in potlood ‘1912’ staat vermeld, mag worden aangenomen dat deze foto tijdens hetzelfde bezoek in 1890-1891 is gemaakt.

De Franse prentbriefkaart en foto in de Brabant-Collectie smaken, samen met de voorbeelden in andere archieven, naar meer. Wellicht dat er bij nadere inspectie en diepere ontsluiting meer Brabantse foto’s van Jules David opduiken. Ingrid Evers zet haar onderzoek naar de fotograaf in ieder geval voort en wordt graag (via een reactie op dit blog) geïnformeerd.

Vindplaats: T 07330

maandag 1 maart 2021

Amphia, zorg in de regio 1819-2019

Afgelopen november verscheen een uitgebreid boekwerk over de geschiedenis van het Amphia Ziekenhuis en haar voorlopers in Breda en omgeving. Ruim 5 jaar werkte de Oosterhoutse historica Cock Gorisse aan dit boek, dat een goed sociaal-cultureel inkijkje geeft van de gezondheidszorg door de jaren heen in de regio Breda. Aan bod komt de hygiëne, de macht van pastoors, ruziënde artsen, de overgang van gasthuis naar ziekenhuis, de verzuiling (iedere geloofsuiting haar eigen ziekenhuis), de diverse voorlopers en de fusie met de ziekenhuizen in het Ginneken, Oosterhout, Raamsdonksveer en de diverse ziekenhuizen in Breda en De KlokkenbergBreda was goed bedeeld: drie ziekenhuizen in Breda (Ignatius, Diaconessen en Laurens in het toen nog zelfstandige Ginneken), St. Joseph in Oosterhout en Theresia in RaamsdonksveerHet boek is rijk bedeeld met foto’s.

Vindplaats: BRA T3 GORI 2020

maandag 15 februari 2021

IJsvogel

 

IJsvogel in:
C. Nozeman, M. Houttuyn, C. Sepp, J.C. Sepp:
Nederlandsche vogelen volgens hunne huishouding, aert en eigenschappen beschreeven
KOD 041 I 01 

Alcedo Ispida. Ysvogel

Zijn naam doet anders vermoeden, maar als er iets is dat de ijsvogel niet kan verdragen dan is het ijs en bittere kou. Tijdens strenge winters sterven deze prachtige vogels in groten getale. Zodra open water is dichtgevroren, wordt het moeilijk voor de ijsvogel om op kleine vissen te jagen. Tot voor kort ging het erg goed met de ijsvogel in Nederland, dankzij de zachte winters. Maar de periode met strenge vorst die we nu hebben gehad, is een beproeving voor deze vogel.

We komen de ijsvogel tegen in deel III van de boekenreeks Nederlandsche vogelen. Nozeman is inmiddels overleden en Martinus Houttuyn (1720-1798) heeft het project overgenomen. Dit betekent tevens een verandering in het project, aldus de schrijvers van de inleiding van de facsimile uitgave Nederlandsche vogelen, 1770-1829. Hier is te lezen (pag. 19 e.v.) dat Houttuyn, in tegenstelling tot de empirisch ingestelde Nozeman, een echte kamergeleerde was. Weliswaar had hij veel kennis van de natuur, maar die was vooral gebaseerd op literatuuronderzoek in zijn uitgebreide bibliotheek en op de studie van opgezette exemplaren in zijn kabinet of dat van vrienden. In de teksten van de delen III en IV van Nederlandsche vogelen staan dan ook weinig bijzonderheden over het gedrag of de levensloop van de vogels.

Dat de ijsvogel door de eeuwen heen als een mooie vogel wordt beschouwd blijkt ook uit het relaas van Houttuyn:
"De Ispida werdt beschreeven "als een zeer schoone kleine Vogel, van Kleur hemelsblaauw dat in 't groene speelt, in de Zonneschyn als de Saphier glinsterende, en aan de Borst als gloeijende Kolen, met tweevingerige Pooten, die scherp en krom genageld zyn; de Bek zwart en regt." Over de naamgeving is het volgende te lezen:
"De Franschen noemen hem Martin of Martinet Pescheur, 't welk zo veel wil zeggen, als Visschende Zwaluw; dewyl hy eenigzins naar een Zwaluw gelykt en zyn werk veel van het vangen van Vischjes en Water-Insekten maakt, die zyn voornaamste Voedsel zyn. 't Is mooglyk wegens de overschoone Kleuren, dat men 'er in Engeland den naam aan geeft van Kingsfisher, dat is Konings-Visscher. De benaaming van Ysvogel is daar van afkomstig, dat men hem op de binnen-Wateren meest aantreft by vriezend Weer."

Bovenstaande afbeelding van de ijsvogel uit Nederlandsche vogelen is getekend aan de hand van opgezette exemplaren van dhr. Renselaar, aldus schrijft Houttuyn. Opmerkelijk is de ijsvogel onderin de afbeelding. Houttuyn schrijft hierover:
"Het onderste Voorwerp is zekerlyk eene verbastering, gelyk men nu en dan, doch zeldzaam, ook in Lysters, Spreeuwen, Mossen en andere Vogelen, waarneemt. Het vertoont naamelyk een byna geheel witten Ysvogel. De Kleur in 't algemeen, zo van onderen als van boven, is hier graeuwachtig wit, doch met eenig helder groen, als een soort van weerschyn, op Kop, Rug en Staart, 't welk nog meer doet blyken, dat het eene verbastering zy. Ook is de Bek niet zwart, maar bleek roodachtig wit, gelykerwys de Pooten. Men ziet 'er een blyk aan van de voorgemelde Toompjes en de Buik heeft iets rosachtigs. Voor 't overige is dit by uitstek raare Voorwerp, daar ik nergens melding van vind, wat kleiner; als zynde maar ruim zes Duimen en de Bek anderhalf Duim lang."
Het betreft hier een zogenaamde leucistische vogel. Leucisme is een erfelijke kleurafwijking die bij alle dieren voorkomt. Melanine zorgt voor de kleuring van veren. Een dier met leucisme maakt wel melanine aan, maar het komt niet tot uiting in de veren door een gemis aan een bepaald eiwit. Met als gevolg kleurloze (witte) veren. Albinisme komt overigens ook voor, evenals melanisme, maar wil je daar meer over weten, lees dan vooral dit artikel.

maandag 1 februari 2021

Jaarboeken 2020: veelzijdige artikelen in een moeilijk jaar

Wie 2020 zegt, zegt corona. Het jaar dat achter ons ligt, bracht iets dat alleen de honderdjarige (of ouder!) onder ons had meegemaakt: een wereldwijde pandemie. Wat deze betekent, heeft bijna iedereen in de loop van het jaar direct of indirect ervaren. Het ongekend heftige virus greep om zich heen en maakte velen ziek, voor een behoorlijk aantal helaas met dodelijke afloop. Het maatschappelijke en sociale leven werd ontwricht en alles wat ‘normaal’ was, bleek toch niet meer zo vanzelfsprekend. En nu, bijna een jaar verder, zitten we er nog steeds middenin en lijkt het moment waarop ‘terug naar normaal’ kan worden gevierd nog ver weg. En hoe de vorm van ‘het nieuwe normaal’ eruit gaat zien, is nog allerminst duidelijk.
En toch zijn wij, mensen, erop ingesteld om veel door te laten gaan zoals het was. Zo belandden er rond de jaarwisseling vier jaarboeken 2020 op de bureaus van de Brabant-Collectie die in coronatijd zijn geschreven, samengesteld, geredigeerd (in woord en beeld), vormgegeven en geproduceerd. Opvallend genoeg komen ze allemaal uit de westelijke helft van Noord-Brabant.

Het Jaarboek van Heemkundekring De Heerlijckheid Nispen bevat vier lezenswaardige artikelen met een zeer uiteenlopende inhoud. De honderdjarige Toneelvereniging ‘Onderling Kunstgenot’ wordt aan de hand van veertien foto’s ‘in al haar theaterfacetten’ getoond en beschreven. De historische en geografische context van natuurgebied Everland en de bewoningsgeschiedenis van een aantal panden aan de Oude Turfvaartsestraat in Nispen worden uit de doeken gedaan. En verder worden twee episodes uit de bevrijding van Nispen in 1944 nader belicht. Kronieken over de gebeurtenissen in het Nispen van 1919 en 2019 completeren dit rijk geïllustreerde jaarboek.

Het jaarboek van de Heemkundekring Sprundel ‘Onder Baronie en Markiezaat’ herbergt meerdere korte en langere artikelen, ook over een breed scala aan onderwerpen. Het 35-jarig jubileum van de heemkundekring komt aan bod, net als 180 jaar geschiedenis van molen De Hoop en het 75-jarig bestaan van de scouting. Wat de vaker terugkerende mosselmaaltijd in Sprundel inhield, wordt kort uiteengezet en aan de hand van de levensbeschrijving van Leen Korst-van den Broek krijgen we een kijkje in de dorpsgeschiedenis uit vervlogen tijden. De verhalen over dopelingen uit het Sprundel van 1909 bieden fragmenten van familiegeschiedenissen. Ook in de bijdragen over Sprundelse imkers en pastoors komen deze aspecten naar voren.


In Oudenbosch is Heemkundige Kring Broeder Christofoor actief en ook van hen is het jaarboek 2020 verschenen. Er wordt teruggekeken naar het reilen en zeilen van het dorp een eeuw geleden, in 1920. De (bouw)geschiedenis van het fraaie Patershuis aan de Markt krijgt de verdiende aandacht. De geschiedenis van Oudenbossche broeders tijdens en na het bombardement van Rotterdam op 10 mei 1940 is door de details even helder als beangstigend. Van heel andere aard is de beschrijving van hoe de weddenschap van drie vrienden om met een Vliegende Hollander het traject Roosendaal-Oudenbosch af te leggen verliep. Zulk nieuws haalde destijds nog de krant! Verder laat ook de Oudenbossche kroniek van 1970 zien dat we nu echt in een andere tijd leven.


Het fraai en full colour uitgegeven 80-ste (!) jaarboek van De Ghulden Roos (Roosendaal) is ook veelzijdig van inhoud. In een artikel worden aan de hand van historisch kaartmateriaal preciezere, topografische uitspraken gedaan over het Turfhoofd. In een andere bijdrage maken archiefvermeldingen en landschapsgeschiedenis meer duidelijk over het klooster Sint-Catharinadal. Het artikel over de vele getuigenissen van veelzijdig kunstenaar Joan Collette in West-Brabantse kerken en kloosters onderstreept diens belang, ook al krijgen de gebouwen thans andere functies. Het is boeiend te lezen over de relatie tussen landbouwgrond, typologie van landbouwvoertuigen en de intensiteit van landbouwvervoer. Dit jaarboek wordt afgesloten met een artikel over fotografe Rees Diepen en de (op een na) nooit eerder gepubliceerde foto’s, aanwezig in de Brabant-Collectie, die zij tijdens het carnaval van 1967 in Roosendaal maakte van ‘Kiendermiddag’, het Stadskinderfeest. Omdat corona het carnaval van 2021 enorm in de weg zal zitten, zijn deze vrolijk stemmende zwart-witfoto’s in deze tijden een extra genot voor het oog.


Vindplaats: BRA Y NISP 2020, BRA Y ONDE 2020, BRA Y JHBC 2020, BRA Y GHUL 2020

maandag 18 januari 2021

De Rustende Jager: Udenhout - Biezenmortel

Oktober 2020 verscheen een omvangrijk en rijk geïllustreerd boek over uitspanning De Rustende Jager in Udenhout - Biezenmortel. Het boek is een uitgave van Erfgoed Centrum 't Schoor. De presentatie van het boek vond plaats op 29 september 2020, en had ondanks coronona een feestelijk karakter. Het café, dat zich bevind aan de rand van de Loonse en Drunense Duinen bij natuurgebied De Brand en buurtschap De Zandkant, is al ruim 100 jaar in handen van familie Klijn en is nu nog steeds geliefd als uitvalsbasis en stopplaats voor wandelaars en fietsers. Ook was het vroeger in trek bij militairen op oefening in de Drunense Duinen. Het boek behandelt de familiegeschiedenis van de uitbaters, de ontwikkeling van het café en geeft een beschrijving van de Loonse en Drunense Duinen en natuurgebied De Brand.

Vindplaats: BRA H3 HEEM 2020

maandag 4 januari 2021

Sneeuwuil

Sneeuwuil in:
C. Nozeman, M. Houttuyn, C. Sepp, J.C. Sepp:
Nederlandsche vogelen volgens hunne huishouding, aert en eigenschappen beschreeven
KOD 041 J 01
Strix Nyctea. De Sneeuw-uil

We zitten midden in de winter, en aan het begin van het nieuwe jaar. De tijd waarin sommigen mijmeren over sneeuw- en ijspret, terwijl anderen alweer reikhalzend uitkijken naar de lente. Voor de fanatieke vogelaar betekent het nieuwe jaar daarnaast de start van de nieuwe jaarlijst oftewel: het gedurende een jaar exact bijhouden van welke vogel op welke dag en welke locatie gezien en/of gehoord werd. Ieder jaar begint de telling opnieuw, en al die jaren bij elkaar resulteren dan in de zogenaamde levenslijst. Tegenwoordig kan dat allemaal online, bijvoorbeeld middels een account bij Waarneming.
Een vogel die welhaast op de wensenlijst van iedere vogelaar staat, is de sneeuwuil. Een karakteristieke vogel van de arctische toendra, die bij zeer hoge uitzondering als dwaalgast in ons land te zien is, en dan met name in het Waddengebied. De eerste beschreven waarneming van deze vogel stamt uit 1806 in Amsterdam. In deel 4 van Nederlandsche vogelen lezen we hierover:
"Een zeer zonderling geval is het, dat, een van deeze soort van Uilen, welke wy beschryven, in de maand December des Jaars 1806, in Holland, en wel in Amsterdam, op een stormächtige Nagt gevangen werd, na dat 'er, geduurende verscheidene Dagen, een zwaare storm, uit den noord-oosten had gewaaid; deeze Vogel moet door die sterke winden zeker tot onze kusten zyn voortgedreeven, want hy bewoond dezelve niet, maar is in de Poollanden alleen te vinden, en schynt in die gewesten voor altoos als gebannen te zyn."

Het relaas over de sneeuwuil in Nederlandsche vogelen opent als volgt:
"In die woeste en onbewoonde streeken van de Zuidpool-Landen, daar een eeuwige winter heerscht, bevinden zich verscheidene Roofvogelen, die 'er de ééntoonige stilte afbreeken, akeliger nog, dan het treurig gekras dezer dieren; het is althans nog iets levendigs het geroep en gehuil dezer schepselen te verneemen, ten minsten schynt het verkieslyker boven die naare eenzelvige stilte, welke de ziel in eene schrikkelyke verbazing stort."
De hier afgebeelde sneeuwuil is naar het leven getekend aan de hand van het opgezette exemplaar van C.J. Temminck (1778-1858). Temminck was oprichter en directeur van het Rijksmuseum van Natuurlijke Historie, de voorganger van Naturalis, in Leiden. Voor het samenstellen van de delen 4 en 5 van Nederlandsche vogelen stelde hij vele vogels uit zijn collectie beschikbaar. Enkele hiervan, zoals de Amerikaanse Schaarbek en de Alpenheggenmus, zijn nog steeds te zien in Naturalis.  

De sneeuwuil jaagt soms in de schemering, maar meestal bij daglicht. In Nederlansche vogelen lezen we hier het volgende over:
"Men zegt dat dit soort, een Dagvogel zoude zyn, en dat de glans of schittering van de Sneeuw, zyne oogen niet verblind, nog hem hindert, om met vuur en geweld, de Haazen en Veldhoenen (Tetrao Lagopus) natezitten, welke zich in de Bosschen dier streeken ophouden, en die hy op den vollen dag vangt: verschillen zou deze Vogel, in dit opzicht, met byna alle andere soorten van dit geslagt, waarvan de oogen door het daglicht schynen te verduisteren, of wel geheel en al verblind te worden, door de straalen van de zon..."

Benieuwd naar de gehele tekst? Kijk dan zeker eens op de themapagina van de Koninklijke Bibliotheek, met linken naar de online versies van de  gehele reeks Nederlandsche vogelen.
Nog een leuke leestip voor deze wintermaand is het artikel Sneeuwuilen in Nederland: Arctische verschijningen in de polder van Gert Ottens (Uilen, pag. 66-71, 2011).