Over mij

Mijn foto
De Brabant-Collectie is in 1837 in 's-Hertogenbosch opgericht door het Provinciaal Genootschap van Kunsten en Wetenschappen in Noord-Brabant en wordt sinds 1986 beheerd door de bibliotheek van de Universiteit van Tilburg

maandag 11 november 2019

Boerenverhuizing in oorlogstijd

11 november 1941: het is een grauwe oorlogsdag, deze Sint-Maarten. Maar ook een dag waarop een bonte stoet van Goirle naar Esbeek trekt. Boer Harrie Oerlemans, zijn vrouw Leida Oerlemans-Harbers, hun kinderen, de huisraad én de complete veestapel (inclusief mestvoorraad en veevoeder) verhuizen met de hulp van hun nieuwe buurtbewoners naar Esbeek. Om precies te zijn naar de Poorthoeve op de oude heerlijkheid ThuldenHier had levensverzekeringsmaatschappij De Utrecht enige jaren daarvoor een uitgestrekt gebied met heide, bos en moeras ontgonnen tot Landgoed De Utrecht.
Het gebeuren haalt de landelijke pers: op zondag 16 november 1941 staat een uitgebreid verslag van een Bossche correspondent in De Telegraaf, op zaterdag 29 november wordt hetzelfde relaas in een kopblad van deze krant, De Courant. Het nieuws van den Daggepubliceerd. Fotopersbureau Het Zuiden maakte een beeldverslag en een aantal van deze foto's bevindt zich in onze collectie.

In alle vroegte reizen op de dag van de 'overtrek' de buurtbewoners met paard en wagen van Esbeek naar boerderij Sint Jacob, gelegen onder Goirle: een tocht van drie uur. De wagens zijn versierd en de boeren en boerinnen dragen hun traditionele Brabantse klederdracht: de mannen in blauwe kiel en met een papieren roos op een zijden pet, de vrouwen in schort en omslagdoek en getooid met Brabantse muts. Direct wordt begonnen met het inladen van huisraad en gereedschap en het opladen van de wagens.
Fotopersbureau het Zuiden
Vindplaats: ML / 215 (3)
Na het inladen krijgen de verhuizers in de oude boerderij van Oerlemans een stevige maaltijd voorgezet.
Fotopersbureau Het Zuiden
Vindplaats: ML / 215 (6) (bis)
Een lange stoet trekt al zingend door de straten en over het platteland. Vooraan lopen de boerenmeisjes met het vee, gevolgd door de wagens met huisraad en hooi. Hoogtepunt is de schòòn kéér. Deze feestelijke versierde wagen met daarop het boerengezin wordt geleid door de meest nabije buurman. Op de wagen zijn in goud de initialen aangebracht van het boerenpaar. 
Fotopersbureau Het Zuiden
Vindplaats: ML / 215 (9)
Onderweg wordt als er een café in zicht is "den dam eronder gezet" om een drankje te nemen. Een steun wordt onder de wagens gezet, de paarden krijgen even rust en worden gelaafd en gevoerd. Mogelijk is onderstaande foto gemaakt bij Herberg Den Hemel in Hilvarenbeek.
Fotopersbureau Het Zuiden
Vindplaats: ML / 215 (8) (bis)
Aangekomen op de grens van het buurtschap is het tijd voor "de zoete inkomst". Het boerenpaar wordt hartelijk welkom geheten en gewezen op de rechten en plichten binnen het buurtschap. Dit wordt bezegeld met een zoete drank, opgediend uit een antieke anijskom door twee buurvrouwen.
Fotopersbureau Het Zuiden
Vindplaats: ML / 215 (14)
Gedurende de verhuizing hebben de boerenmeisjes continu een feestelijk versierde kroon bewaakt. De mannen zijn er namelijk op uit deze kroon te roven en als ze dat lukt, verdienen ze een halve liter jenever. Op onderstaande foto wordt de kroon uitgedragen en getoond. 
Fotopersbureau Het Zuiden
Vindplaats: ML / 215 (11)
Het echtpaar Oerlemans-Harbers betrekt de nieuwe boerderij en hangt de kroon in de woonkamer onder de schouw. Deze blijft daar hangen tot een nieuwe buur op het buurtschap komt wonen.
Fotopersbureau Het Zuiden
Vindplaats: ML / 215 (12)
Bijzonder is dat deze verhuizing met zoveel pracht en praal werd uitgevoerd, zeker in de oorlogsjaren. Volgens bovengenoemd krantenartikel is dit mede te danken aan de heren van Landgoed De Utrecht die een feestelijk tintje aan deze overtrek hebben willen geven.

En hoe zit het met de boerenovertrek in de 21e eeuw? Dat het nu niet meer gaat om verhuizen moge duidelijk zijn. Rijdend in een boerenhuifkar, al dan niet verkleed in boerentenue, gezellig samenzijn, eten en drinken, dat is waar het nu om draait.

donderdag 31 oktober 2019

Over de poffer en de pet als nostalgie-instrumenten

In het kader van de Maand van de Geschiedenis met het thema Zij/Hij heeft de Brabant-Collectie een mini-expositie samengesteld over typerende Brabantse hoofddeksels.
Wie een nostalgische foto over Noord-Brabant zoekt, komt al snel bij een vrouw met een poffer uit. Wie er een man bij zoekt, vindt er het liefst een met geruite pet. De poffer is klederdracht, die volledig is verdwenen uit het straatbeeld, maar voor de geruite pet geldt dat niet. Die is als retro-mode teruggekeerd onder mannen én vrouwen.
Het zijn verschillende fenomenen: klederdracht en mode. Volgens de cultuurhistoriscus Gerard Rooijakkers was klederdracht in het verleden in het spraakgebruik voor sommigen zoiets als het tegendeel van mode. In het sociale verkeer was klederdracht vooral iets van dorpen en het platteland, minder van de stad.
Fotograaf onbekend
© Gaston Remery | Brabant-Collectie, Tilburg University

Fotograaf onbekend [Henri Berssenbrugge?]
De poffer
Volgens Rooijakkers kan een regionale mode overgaan in regionale dracht. Dan wordt een tijdelijke trend een vast kenmerk en wordt deze als het ware vastgelegd, versteend en tot symbool gemaakt. Dit is in de negentiende eeuw gebeurd met de Brabantse poffer. Een poffer is een witte kunstmatige bloemenkrans als hoofdbedekking met een soort hoefijzervorm en daaraan bevestigde linten. De bloemetjes lijken veelal op vergeet-me-nietjes, rozen en wasbloempjes. Het woord poffer zou etymologisch in verband staan met ‘oppoffen’, zichzelf groter maken, zoals ook het geval is bij pofmouwen.


Fotograaf onbekend
Fotograaf onbekend
Er bestonden verschillende varianten van de poffer, die met name voorkwam in De Meierij en in Oost-Brabant. Daar was deze aanvankelijk populair onder gegoede, gehuwde vrouwen. Poffers waren niet voor iedereen weggelegd; ze kostten zeker 35 gulden, een aanzienlijke som aan het begin van de twintigste eeuw.
© Tinus Swinkels | Erven Tinus Swinkels. Brabant-Collectie, Tilburg University
Na 1900 werden de poffers groter, breder, bijna kolossaal. De poffer werd op zondag gedragen, door de week droeg men een kleinere witte muts. Na de Tweede Wereldoorlog verdween de poffer, omdat deze onhandig en niet modieus zou zijn. Fietsen met een poffer was in verband met de wind bijvoorbeeld redelijk problematisch.
Fotograaf onbekend
Foto’s van vrouwen met poffers representeren het Noord-Brabant van vroeger, een niet in jaartallen gevat verleden. Ze staan voor ‘Brabantsheid’ en voor een tijd waarin een andere mentaliteit heerste. Wanneer dergelijke foto’s bij elkaar worden geplaatst in een boek of in een tentoonstelling, wordt actief nostalgie geconstrueerd. De poffer is dan zowel een symbool van ‘vroeger’ als van de Brabantse identiteit. In Brabantse streekmusea toont men graag poffers en verder zijn ze nog te zien bij folkloristische evenementen, denk aan carnavaleske boerenbruiloften. Er zijn echter geen plaatsen waar hedendaagse toeristen vrouwen kunnen bewonderen die zich in het dagelijks leven met poffers tooien.

De pet en het petje
De mannenpet werd veel gedragen in Brabant, maar is minder specifiek met de provincie verbonden dan de poffer. Wie op Google Images ‘geruite pet’ intypt, vindt vele bedrijven die deze als commercieel product leveren. Soms als feestartikel, soms als meer serieuze mode, maar wel met een knipoog naar het verleden.
Waar de geruite pet een vorm van retro-mode is die mensen een identiteit biedt van ‘net even anders’, geldt dit niet voor het moderne petje, een internationaal fenomeen. Dergelijke petjes worden door mannen gedragen, soms omgekeerd op het hoofd geplaatst, een vorm van trendgevoelige imitatie. Wie een petje verkeerd om draagt, meent uit de drukken dat hij dwars en trendy is, terwijl er in werkelijkheid sprake is van niet-originele nabootsing. Als iedereen dwars is, is niemand het meer.
Fotograaf onbekend
Fotograaf onbekend
© Gaston Remery | Brabant-Collectie, Tilburg University

De pet als retro-look
(© Thomas Ulrich via pixabay.com)

Het petje als eigentijdse uiting
(© Jo Zef Mrkwa via pixabay.com)

Het petje als politiek instrument
(© commons.wikimedia.org)
Representeert de poffer vooral Noord-Brabant, het petje is internationaal en voor alle leeftijden en klassen, maar eerder voor mannen dan voor vrouwen. Sommige waarnemers associëren het petje met iemand als Donald Trump, die in zijn presidentscampagne volkse mannelijkheid wilde uitdragen, een nostalgisch verlangen naar een tijd dat er andere morele waarden zouden hebben bestaan.

De retro-pet is dan weer bedoeld als life-style element dat mensen niet ‘standaard’ laat ogen, maar wel eigentijds, juist door aan het verleden te refereren. Dergelijke petten zijn onderdeel van de retrostijl die we niet alleen in de mode zien, maar ook in de muziekvideoclips, de film en in design.

Zo staan poffer, retro-pet en het Trump-petje elk voor een omgang met een variant van nostalgie.

‘Boerinneke, boerinneke
Och, wees toch geen zottinneke
Dat gij den poffer ooit weg doet
Voor een of andren prullenhoed
Op jouw boerinnensnoetje
Past poffer en geen hoedje’

‘gij, boerinneke, frank en vrij
Gij loopt met malsche schrede,
Och laat de stadsmode toch staan
En doe nooit met haar mede!’

Passages uit een gedicht met de titel ‘Ode aan de Noord-Brabantsche Poffermuts’ uit het blad Zuid-Willemsvaart uit 1923.

Bronnen
  • H. van den Broek, ‘De poffer’, in: D’n Uytenbeyndel 47 (voorjaar 2001) 3-13.
  • A. Diebels-Bartels, ‘Van sluier tot poffer’, in: Rosmalia 1 (1990-1991), no.2, april 1991, 10-12.
  • G. Rooijakkers, De poffer. Vrouwentooi in Brabant, Alphen aan de Maas, 2010.
  • ‘De Brabantse poffer’ in:  D’n Effer,  jaargang 12, nr.1 (Oktober 1998) , 8-12.
  • https://nl.wikipedia.org/wiki/Poffer

maandag 21 oktober 2019

Surinaamse jeugdromans van C. Butner

Het blijft, hoe je het ook bekijkt, een beetje merkwaardig dat er tot voor kort geen enkel boek van C. Butner in de collecties van de Tilburgse universiteitsbibliotheek en de Brabant-Collectie aanwezig was. Per slot van rekening is Butner in Brabant geboren en is hij de auteur geweest van een fors aantal jeugdboeken. Men zou verwachten dat daar toch minstens één exemplaar van terug te vinden zou zijn in, bijvoorbeeld, de seminariecollecties. Deze opmerkelijke leemte is kortgeleden gevuld door een schenking aan de Brabant-Collectie van zeven jeugdromans van Butner. De geschonken romans, bedoeld voor de jeugd van 10-14 jaar, zijn gesitueerd in het Suriname van de jaren vijftig en zestig van de vorige eeuw en vormen twee series: de Oerwoud Serie en de Harry en Josua Serie, die beide bestaan uit zes romans.
C. Butner: Goud in het slangenbos
C. Butner: Sporen door 't moeras
De boeken van Butner bevatten spannende verhalen die zich vaak afspelen in het machtige Surinaamse regenwoud en in de prachtige savanne, met titels als Naar de Oelemari, Sittigon, Noodlanding in de groene hel, Aan de rand van het Surinaamse oerwoud en Passagiers voor het oerwoud. Butners jeugdboeken werden in de periode 1956-1969 uitgegeven in Den Haag door G.B. van Goor en zonen. Deze, in de 19e eeuw opgerichte uitgeverij, was gespecialiseerd in het publiceren van jeugdboeken. De prachtige boekbanden, gelukkig soms zelfs nog met de stofomslagen, zijn aanvankelijk ontworpen door Jan Korver en later door Tilly Dalton (*1916).

C. Butner: Naar de Oelemari
C. Butner: Sittigon
C. Butner: Noodlanding in de groene hel
Over de Bredase schrijver C. Butner (1914-1987) is in de handboeken weinig of niets te vinden. Speurwerk leverde het volgende biografische resultaat. De familie Butner is oorspronkelijk afkomstig uit Dordrecht. Oervader Johannes Adrianus Butner werd er geboren in 1808. De grootvader van de jeugdboekenschrijver, Adrianus Butner, kwam ook in Dordrecht ter wereld. Hij studeerde geneeskunde en verhuisde naar Vlissingen. Adrianus Butner werd arts bij de Geneeskundige Dienst van het leger, kwam bij de KMA terecht en verhuisde daarvoor naar Breda. Hij behaalde uiteindelijk de rang van generaal-majoor. De plaatselijke kranten staan vol met rechtbankverslagen waarin dokter Butner uitsluitsel geeft over de doodsoorzaak bij Brabantse moorden. In 1882 wordt zoon Jacob Willem Butner geboren, die de vader van de schrijver zou worden. Ook Jacob Willem ging het leger in. Hij werd 1e luitenant der cavalerie en trouwde op 9 september 1907 met de Haagse Marie Antoinette Jeanne van Hemert. Het paar vestigde zich aan de Baronielaan 171 in Teteringen, een voormalig kerkdorp in de gemeente Breda. Daar werd hun zoon Constant Butner geboren, op vrijdag 31 juli 1914 om 11:56u, vernoemd naar de broer van zijn moeder.
In augustus 1921 vertrok het jonge gezin, vader, moeder en vier kinderen, met het SS Kawi naar Nederlands-Indië. Daar werd de inmiddels tot kapitein bevorderde Jacob Willem leraar wiskunde aan de in 1877 opgerichte HBS van Semarang. Het gezin keerde in 1928 terug naar Breda. Drie jaar later, op 25 oktober 1931, overleed majoor Jacob Willem Butner aan een bloedvergiftiging. Hij werd begraven op begraafplaats Zuylen aan de Tuinzigtlaan in Breda.
Constant Butner bezocht de Rijkstuinbouwschool in Boskoop. In het Gedenkboek der Rijkstuinbouwschool te Boskoop: 40 jaar, 1898-1938 staat Constant Butner als nr. 116 op de “Lijst van oud-leerlingen”. Daaruit blijkt dat hij in 1935 afstudeerde als tuinarchitect en bloemist en vervolgens naar Johannesburg in Zuid-Afrika is vertrokken. Vermoedelijk is hij kort na aanvang van Tweede Wereldoorlog naar Londen gereisd, om in dienst te treden als oorlogsvlieger bij de Royal Air Force. De interessante connectie hierbij is ongetwijfeld zijn neef Adriaan Viruly (1905-1986), zoon van de broer van Constants vader en piloot bij de KLM, die in 1941 via Zweden naar Engeland was gegaan.

C. Butner: Aan de rand van het Surinaamse oerwoud
C. Butner: Passagiers voor het oerwoud
Na de oorlog trad Constant Butner in dienst van de firma Bruynzeel. In augustus 1948 vertrok Butner op het SS Cottica met zijn 29-jarige echtgenote Ella Fleming Cracknell en een zoon naar Paramaribo. Het is niet bekend of Ella Cracknell en Constant elkaar in Johannesburg hebben ontmoet of in Londen. De eerste dagen in Suriname verbleef het gezin in pension Nahar aan De Waterkant. Het vaste adres werd Malibatrumstraat 19, op loopafstand van de Sint-Petrus-en-Pauluskathedraal waar de katholieke Constant waarschijnlijk zondags naar de mis ging. Het gezin werd uitgebreid met dochter Penelope Marion en moeder Ella begon in juli 1950 een kapsalon. Voor het dagblad De West schreef Butner sportverslagen. Vermoedelijk keerde het gezin Butner in 1954 terug naar Nederland. Butner stond inmiddels bekend als Suriname-kenner en verzorgde verschillende jeugdprogramma's op de radio, zoals Wonderlijke dieren in Suriname en Nuttige planten in Suriname. Begin jaren vijftig begonnen ook zijn jeugdromans te verschijnen en in 1961 deed hij als Suriname-kenner mee met de VARA TV-quiz Willens en wetens. De Beeldbank van het Nationaal Archief bevat afbeeldingen van Constant Butner als deelnemer aan die quiz: een streng uitziende, pezige man. Hij eindigde als derde en won fl. 333,33. Na 25 jaar, in april 1979, bracht de 65-jarige Butner een bezoek aan Suriname. Hij overleed op 10 december 1987. Dochter Penny overleed in 2001. Zijn vrouw Ella overleefde hem 19 jaar. Zij overleed in december 2010.
De Brabant-Collectie bezit een fors aantal jeugdromans en sinds kort dus ook zeven van de Brabantse auteur C. Butner. Zij vormen daarom een belangrijke aanwinst. Ze geven bovendien een goed beeld van de Nederlandse intellectuele kijk op de kolonie Suriname in de periode 1950-1965. En behalve dat ze nog steeds zeer leesbaar en spannend zijn, verkeren ze gelukkig ook nog in onberispelijke staat.
Deze jeugdromans van Butner zijn raadpleegbaar bij de Brabant-Collectie.

woensdag 9 oktober 2019

Jubileum Hasselts Gemengd Kapelle Koor 1934 -2019

Historische vlag van het koor
Het Hasselts Gemengd Kapelle Koor (HGKK) heeft op zaterdag 28 september jl. zijn 85-jarig jubileum gevierd met een bezoek aan de universiteitsbibliotheek en de Brabant-Collectie. Achtenveertig enthousiaste koorleden verdeeld over drie groepen volgden onderstaand programma.
Eén groep kreeg een rondleiding door de universiteitsbibliotheek. Deze eindigde in de raadpleegruimte waar een aantal werken van Brabantse componisten en andere muziekstukken konden worden ingezien. Materialen uit het eigen koorarchief - een vlag, posters en foto’s - kon men bewonderen in de ruimte achter het informatiepunt.
Koorleden bij de posters
Koorleden bij eigen archiefmateriaal
© Joost de Kort | HGKK
Een tweede groep luisterde naar een presentatie over de geschiedenis, inhoud en gebruiksmogelijkheden van Brabant-Collectie. Tegelijkertijd werd de diversiteit en rijkdom aan bijzondere materialen getoond aan de derde groep. Telkens na ruim een half uur vond er een wissel plaats. Bij de bijzondere materialen lag het accent op muziekgeschiedenis, de geschiedenis van Tilburg en die van de Hasseltse kapel. Naast highlights uit de collectie zagen de koorleden een handschrift met gregoriaanse zang, een antifonarium en diverse huwelijks- en kinderliederen. Bijzonder was de Guidoonse hand in een handschrift van de Theologische Faculteit.
Samengesteld handschrift
Ingebonden in Benedictijnerklooster Sint-Jacob, Luik
TF HS 14
De monnik Guido d’Arezzo (991-1033) is de bedenker ervan. Elk onderdeeltje van de binnenkant van de linkerhand wordt gebruikt om er met de rechterhand de verschillende toonhoogtes op te kunnen aanduiden. Gregoriaanse gezangen konden zo gemakkelijker worden geleerd. Het is de voorloper van onze notenbalk. De leden van het koor zetten de dag feestelijk voort bij een plaatselijke uitbater.

Op een idee gebracht? De Brabant-Collectie verzorgt rondleidingen voor groepen vanaf ca. 8 personen. Nadere informatie vindt u op de webpagina. Aanmelden kan via een e-mail aan: brabant@tilburguniversity.edu.

maandag 30 september 2019

Tijdschrift: Engelbrecht van Nassau

In juni 1982 zag het eerste nummer van Engelbrecht van Nassau het levenslicht en in 2019 is het er nog steeds en loopt de achtendertigste jaargang. Het verschijnt nu als kwartaalblad voor de leden van de erfgoedvereniging met dezelfde naam. De vereniging, opgericht in 1953, onderzoekt het erfgoed van Breda en omgeving en zet zich in om hier belangstelling voor te wekken. Dit gebeurt door middel van het organiseren van tal van activiteiten én het uitgeven van deze periodiek. Ook wil zij zich beijveren voor het behoud van het eigen karakter en de schoonheid van Breda en omgeving. De naamgever werd door zijn huwelijk met Johanna van Polanen de eerste heer van Breda.
Telde de eerste jaargang nog honderd pagina’s, anno nu zijn dat er meer dan tweehonderd; een logisch gevolg van het bloeiend onderzoek naar deze belangrijke stad met haar grootse historie. Het tijdschrift kent een gevarieerd aanbod van onderwerpen over de lange geschiedenis van Breda. Regelmatig wordt de band met het huis van Nassau in artikelen onder de loep genomen. Daarnaast worden randdorpen en stadswijken, wereldlijke en kerkelijke gebouwen, personen en verenigingen, kunst en erfgoed uitgelicht. Natuurlijk krijgen ook nieuw verschenen publicaties over Bredase onderwerpen de nodige aandacht. Een langlopende reeks artikelen gaat over de geschiedenis van (de naamgeving van) straten, van de hand van Gerard Notten. In deze reeks komen veel toponiemen, maar natuurlijk ook historische gebeurtenissen en belangrijke figuren aan bod.
Eén rubriek heeft de tand des tijds doorstaan en verschijnt tot op de dag van vandaag in elk nummer. Het is de ‘Kroniek van Breda’. Terugkijkend op het dan voorbije kwartaal passeert een keur aan Bredase gebeurtenissen de revue. Wanneer je ze allemaal achter elkaar zet, krijg je een mooi beeld van de laatste veertig jaar in Breda.

De redactie van Engelbrecht van Nassau slaagt er elk nummer in gedegen artikelen te publiceren die een wezenlijke bijdrage leveren aan het rijke verleden en heden van Breda. Het tijdschrift kent een oplage van 450 stuks, is rijk geïllustreerd (meest in zwart-wit) en heeft een prettige lay-out. Op de website van de vereniging vindt de geïnteresseerde nog meer van zijn gading over deze actieve erfgoedvereniging.

De jaargangen van Engelbrecht van Nassau zijn raadpleegbaar op niveau 0 van de Universiteitsbibliotheek (vindplaats: T 07408).

maandag 16 september 2019

Hollandse helden in de jaren 60. Het kleurenarchief van Louis van Paridon


Onlangs verscheen een prachtig fotoboek met ‘vergeten’ foto’s van de in de jaren zestig naar Heeswijk verhuisde Amsterdammer Louis van Paridon (1922-2016). Jarenlang lagen de dia’s in een vochtige stal van zijn boerderij in Heeswijk-Dinther. Maar onlangs kwam zijn archief, waarvan men dacht dat het er niet meer was, weer boven water. Duizenden dia’s van bekende Nederlanders uit de jaren zestig, zoals Mies Bouwman, Johan Cruijff, Sjaak Swart, tante Leen, Willeke Alberti en Toon Hermans, lagen keurig gearchiveerd in bruine papieren zakjes in een ladekast. Ook maakte hij veel zwart-wit beelden en later kleurenfoto’s van het dagelijks leven in katholiek Nederland. Deze foto’s leverde hij aan diverse kranten en tijdschriften, waaronder de Volkskrant, de Tijd, de Katholieke Illustratie en het Parool. Het fotoboek Hollandse helden in de jaren 60 geeft een goed tijdsbeeld van deze periode. 
Ook al nam hij deel aan een aantal exposities, voor het grote publiek en de fotohistorici bleef hij een onbekende. Van Paridon stopte eind jaren zestig plotseling met fotograferen. Hij stak zijn tijd in het opknappen van de boerderij die hij begin jaren zestig had gekocht. Waarom hij zo plotseling stopte, is niet duidelijk. Hij trok zich terug in de boerderij in de Brabantse bossen aan de rand van Heeswijk. Hij begon daar met het verzamelen van schilderijen en beeldhouwwerken, samen met zijn vriend en partner Michel Teulings. Ook lag hij regelmatig overhoop met de gemeente over diverse zaken, zoals de ruilverkaveling en de monumentenstatus van zijn boerderij. Pas na Van Paridons dood in 2016 vond Teulings het fotoarchief in de stal. Teulings nam contact op met fotobureau Hollandse Hoogte en dit leidde tot een eerste aanzet van het boek en de herontdekking van de fotograaf.

Vindplaats: BRA Z6 DIJC 2019

maandag 2 september 2019

DVD: Portretten uit De Peel

Tot begin jaren zestig van de vorige eeuw behoorde de Peelregio van Limburg en Noord-Brabant tot een van de dunst bevolkte en minst ontwikkelde delen van Nederland. Het is dan ook nog niet zo lang geleden dat daar complete gezinnen in hutten van takken, graspollen (plaggen) en opeengestapelde turf woonden. Jacques Peeters, fotograaf en gepensioneerd foto-journalist van dagblad De Limburger, was als jonge fotograaf geïntrigeerd door de kleurrijke figuren en situaties die hij er aan trof. Hij legde het vast in een groot aantal zwart-wit foto's. Hij maakte o.a. foto's van kluizenaar Grard Sientje, die opgroeide in een plaggenhut. Peeters' foto's zijn op hun beurt een bron van inspiratie voor filmmaker Wiek Lenssen. Hij ging op zoek naar de gefotografeerde mensen, hun verwanten en nog levende oude bekenden. Het resultaat is een documentaire die een poëtische en filmische benadering geeft van een bijzonder landschap en haar bewoners. Lenssen kreeg een eervolle vermelding op het Limburg Film Festival 2017 in de categorie Beste Lange Film voor Portretten uit De Peel.

De dvd is te bekijken op de raadpleegpc's op niveau 0 van de Universiteitsbibliotheek.
Vindplaats: BENG DVD PORT 2017

woensdag 28 augustus 2019

Overdracht fotocollectie Harry Guntlisbergen (1934-2001)

De negende. Geen symfonie van Beethoven of Mahler, maar de negende collectie van een Brabantse fotograaf die is overgedragen aan de Brabant-Collectie. Op vrijdag 16 augustus 2019 hebben de kinderen van Harry Guntlisbergen formeel het oeuvre van hun vader geschonken aan de Brabant-Collectie. Het werk van de fotograaf blijft op deze manier bewaard en toegankelijk voor iedereen.
Vissersboot in de Maas
© Harry Guntlisbergen | Brabant-Collectie, Tilburg University


Ondertekening overdrachtsdocument door Bjorn en Tjabine Guntlisbergen
© Paul Slot | Brabant-Collectie, Tilburg University
Eindhovenaar Harry Guntlisbergen werkte als boekhouder bij de gemeente en was daarnaast een fervent amateurfotograaf. Zijn werk toont het Brabantse landschap en de Brabantse mensen voornamelijk in zwart-wit foto’s. Hij wilde zijn omgeving vastleggen voordat deze zou verdwijnen. Harry Guntlisbergen ging met de fiets op pad om te fotograferen. Hij had oog voor lichtval en wolkenpartijen en had een hechte verbondenheid met het karakteristieke Brabant. Hij keek heel nauwkeurig naar zijn object, maar was vooral heel sterk bezig met het licht. Als het licht naar zijn gevoel niet goed was, werd er geen foto gemaakt. Net als Martien Coppens, door wie hij erg geïnspireerd was. 

Hij fotografeerde met o.a. Rolliflex en Beautyflex camera. Zijn fotorolletjes ontwikkelde hij zelf. Na selectie maakte hij zijn afdrukken en vergrotingen op bariet- en PE papier. Hij was, net als Nard Vogels en Gerardus van Mol, lid van de Eindhovense fotoclub ‘De Amateur’.  Vanaf 1959 won hij met zijn inzendingen regelmatig prijzen bij fotowedstrijden.  

Er zijn verschillende parallellen te trekken met de opnamen van andere Brabantse fotografen die beheerd worden door de Brabant-Collectie. De collectie Harry Guntlisbergen past naadloos in de rij van de anderen. De fotografen brengen de historie van Brabant op hun eigen manier in beeld en zijn door elkaar geïnspireerd. 

Lees meer in Brabants Dagblad en Brabant Cultureel.

Echtgenote fotograaf
© Harry Guntlisbergen | Brabant-Collectie, Tilburg University
Gezicht op Diessen
© Harry Guntlisbergen | Brabant-Collectie, Tilburg University

Nabij Valentinuskapel, Westerhoven
© Harry Guntlisbergen | Brabant-Collectie, Tilburg University

Luyksgestel
© Harry Guntlisbergen | Brabant-Collectie, Tilburg University

Nabij de Achelse Kluis, Valkenswaard
© Harry Guntlisbergen | Brabant-Collectie, Tilburg University

Piet Renders, Oerle
© Harry Guntlisbergen | Brabant-Collectie, Tilburg University
Massale opmars Gildendag Soerendonk
© Harry Guntlisbergen | Brabant-Collectie, Tilburg University

maandag 19 augustus 2019

John Bergmans 1892 - 1980; tuinarchitect en plantenkenner

Eind vorig jaar verscheen een uitgebreid boek over tuinarchitect en plantendeskundige John Bergmans (1892-1980). De in Antwerpen geboren Bergmans ontwikkelde zich als plantenkenner en ontwierp in Noord-Brabant en Limburg tuinen, parken en plantsoenen voor de industriële en burgerlijke elite, bedrijven en gemeenten. Niet alleen richtte hij villatuinen in en voorzag wijken van groen, hij ontwierp ook botanische tuinen, recreatieparken en begraafplaatsen. Verder hield hij zich als kweker bezig met nieuwe plantenvariëteiten, schreef hij diverse boeken en leverde vele bijdragen aan tijdschriften. Zijn standaardwerk ‘Vaste planten en rotsheesters’ (Eerste druk 1924. Vindplaats: CBC TFK C 640) zorgde voor eenheid in de naamgeving van tuinplanten. 
John Bergmans kwam in 1914 samen met honderdduizenden andere Belgische vluchtelingen naar Nederland en zou de rest van zijn leven in ons land blijven. In de jaren twintig verhuisde hij met zijn vrouw Coby Visser naar Oisterwijk, waar zij de rest van hun leven bleven wonen en werken. Bergmans was een echte plantenman en jarenlang de enige tuinarchitect ten zuiden van de grote rivieren. Zijn ontwerpen zijn in dit boek voor het eerst samengebracht en overspannen het interbellum en de wederopbouw. Het boek bestaat o.a. uit een inleidend deel met een beknopte biografie, een oeuvrecatalogus met alle groenontwerpen en een schematisch overzicht van de ontwerpen met hun opdrachtgevers.

Vindplaats: BRA J3 LIDT 2018

maandag 5 augustus 2019

Tijdschrift: Brabants

In maart 2004 verscheen het eerste nummer van het tijdschrift, getiteld: Brabants. De ondertitel luidde: ‘Kwartaaluitgave over Brabantse taal, literatuur, muziek, dialect- en naamkunde’. Het blad kende in december 2012 na negen jaargangen ongewild zijn laatste nummer. In 2014 werd echter een nieuw tijdschrift onder dezelfde naam opgestart. De ondertitel werd teruggebracht tot ‘Kwartaalblad over Brabanders en hun taal’. De Stichting Brabants werd uitgever van het periodiek. De stichting organiseert verder culturele evenementen waarbij proza en poëzie in Brabantse dialecten centraal staan. In Brabants laten taal- en dialectliefhebbers en -professionals vier keer per jaar hun licht schijnen over de Brabantse taal. Redactielid van het eerste uur is prof. dr. Jos Swanenberg, bijzonder hoogleraar Diversiteit in Taal en Cultuur aan Tilburg University. Hij verzorgt interessante artikelen over bijvoorbeeld de neus-nazalerende ñ of staat stil bij het verschijnen van een nieuwe publicatie over Brabantse spreekwoorden. Door de jaren heen hebben naast een vaste kern van auteurs ook veel incidentele schrijvers bijdragen verzorgd voor het tijdschrift. Via de interviews met bekende en minder bekende Brabanders en achtergrondartikelen over Brabantse poëzie, literatuur, toneel, cabaret, muziek etc. uit heden en verleden kom je als lezer heel veel te weten over de Brabantse taal. Het verband tussen dialect en (het taalgebruik met) carnaval wordt ook regelmatig belicht. Voorts is er aandacht voor het vaak specialistische onderzoek waar Brabantse dialecten aan onderworpen worden, alsmede de strijd die er gevoerd wordt om dialect of streektaal op de agenda van beleidsbepalers te krijgen en te houden.

Zoals het taal - en zeker het dialect - betaamt, is het horen een niet onbelangrijke factor om te kunnen begrijpen. Was het bij de eerste reeks van Brabants een compact disc die bij ieder nummer zorgde voor auditieve ondersteuning, anno 2019 zijn er vanuit ieder nummer koppelingen te leggen met de luisterbox op de website van de stichting. Daar worden de nodige teksten (met name proza en poëzie) uit ieder nummer voorgedragen en kan men zelf onderzoeken hoe de verschillende dialecten klinken. Als je de papieren versie bij de hand hebt, kun je ook hardop meelezen met de dialecttekst. Dat moet je echt een keer gedaan hebben!

Brabants is aanwezig en raadpleegbaar op niveau 0 van de Universiteitsbibliotheek.
Vindplaats: T 10560

maandag 22 juli 2019

DVD: Pannenhoef: natuur in ontwikkeling

In 2017 verscheen in de reeks natuurfilms van Mark Kapteijns deze dvd over de Pannenhoef. Dit unieke en waardevolle natuurgebied van 700 hectare, in beheer bij Brabants Landschap, ligt tussen Rijsbergen, Zundert en Sprundel.
Het gebied herbergde oorspronkelijk een uitgebreid veenpakket, dat tussen 1400 en 1750 werd afgegraven. Het gedroogde veen -  turf - werd via diverse turfvaarten afgevoerd naar de steden waar het als brandstof dienst deed. Wat overbleef in het landschap was een heuvelig heidegebied met vennen. In de 19e eeuw begon men met de ontginning tot bos en landbouwgrond. In 1840 werd Landgoed Pannenhoef gesticht, dat diverse eigenaren kende. Brabants Landschap kocht het in 1970 aan en transformeerde dit aanvankelijk saaie gebied met weinig natuurwaarde naar een aantrekkelijk gemengd bosgebied met 11 vennen. Verder zijn er nu fraaie lanen, beken en bloemrijke weilanden te vinden. Zeldzame planten kwamen terug en ook amfibieën als de poel- en heikikker. Verder hebben in dit gebied onder andere de bunzing, ree, groene specht en buizerd hun plek gevonden. De film van Kapteijns laat onder andere bijzondere bewoners als havik, boommarter, klapekster en nachtzwaluw in hun natuurlijke habitat zien.

De dvd is te bekijken op de raadpleegpc's op niveau 0 van de Universiteitsbibliotheek.

Vindplaats: BENG DVD PANN 2017

maandag 8 juli 2019

P.L. van Kessel, een spoorloos verdwenen belangrijke Brabander

Ex libris, geplakt in de Oeuvres complètes (1821) van J. Delille
TRE 11 B 5
'Eens, eens vergeldt de Heer hunne ondeugd aan de boozen;
Hunne eigen' snoodheid wordt hun graf:
Jehova, onze God, verplet die goddeloozen,

En wendt de geselroe van zijne dienaars af.'

Van de dichtregels van Petrus Ludovicus van Kessel zullen waarschijnlijk weinig lezers blijmoedig worden. De dichter gebruikt zinsneden als 'foltrend leven', 'moordend staal', 'jammerend geblaar' en 'zielverscheurend kermen'. Toch vond deze sombere poëzie kennelijk aftrek. In 1826 verscheen bij de Bossche uitgever J.J. Arkesteyn een eerste bundel van Van Kessels gedichten voor katholieken, in 1831 gevolgd door een tweede deeltje. De 2e, vermeerderde druk, werd in 1842 gepubliceerd door uitgever Petrus Stokvis (1803-1881): Gedichten voor Roomsch-Katholijken, door P.L. van Kessel, R.K. priester. Stokvis was werkzaam in Den Bosch, en wel in de Verwerstraat 28. Het boek kostte 1 gulden. Van Kessel liet zijn dichtbundel voorafgaan door een citaat over geloof en dichtkunst van de Franse dichter Édouard Turquety (1807-1867). Een opmerkelijke keuze, want de vrolijke, lichtvoetige poëzie van Turquety lijkt in niets op de zwaarmoedige teksten van Van Kessel. 
Petrus Ludovicus van Kessel werd in Eindhoven geboren op zaterdag 26 januari 1793, vrijwel exact negen maanden na het huwelijk van zijn ouders, Guilielmus van Kessel (1762-1822), dokter van beroep, en Theresia Pijpers (1766-1841).
Een belangrijke bron voor biografische gegevens over P.L. van Kessel is J.A. Coppens, Nieuwe beschrijving van het bisdom van 's Hertogenbosch dl.1, (1840). Volgens Coppens werd de 22-jarige Van Kessel in 1815 als 'eerste professor in de wijsbegeerte' aangesteld op het kleinseminarie Veebeek bij Berlicum dat door Antonius van Gils (1758-1834) was gesticht in april van dat jaar. Tot de eerste leerlingen behoorden G.P. Wilmer (1800-1877) uit Boxtel, de latere bisschop van Haarlem, en de hierboven vermelde J.A. Coppens (1800-1850). Mogelijk zijn beiden zelfs oudleerlingen van de jeugdige professor Van Kessel geweest. Het kleinseminarie verhuisde in 1817 naar een nieuw gebouw op het landgoed Beekvliet bij Sint-Michielsgestel.
Van Kessel is acht jaar als docent verbonden geweest aan het kleinseminarie. In 1823 gaat hij terug naar zijn geboortestad en wordt daar rector van de Latijnse school. Hij blijft er tot 1830. Over die jaren als Eindhovense rector is niets bekend. Van Kessel duikt vervolgens op in Oudenbosch, waar hij in 1830 een Latijnse school sticht die op 7 oktober opent, met lessen in Latijn, Grieks en Frans. Deze zogeheten 'kweekschool' was kennelijk een succes, want 'superior' Van Kessel moest door de aanwas van leerlingen in 1835 uitwijken naar een groter pand, en wel aan de Markt 68. Vier jaar later werd zijn school echter opgeheven. Het pand aan de markt werd overgenomen door het bisdom Breda dat er een kleinseminarie in vestigde. Op maandag 12 augustus 1839 nam de bevolking van Oudenbosch diep ontroerd afscheid van hun 'geliefden superior'. Hij ontving een zilveren tabaksdoos, waarin gegraveerd: 'Souvenir de vos disciples 1839'. Volgens Coppens is Van Kessel toen naar Den Bosch vertrokken. De groene treurbeuk die nu nog in het arboretum van Oudenbosch staat, is overigens nog door Van Kessel zelf in 1839 geplant.
In 1842 bewerkte Van Kessel een heruitgave van zijn in 1823 verschenen De voortreffelijkheid der katholieke godsdienst en in 1868 verscheen in Antwerpen zijn metrische bewerking van De imitatione Christi. Verder is tot nog toe geen spoor teruggevonden van deze dichtende priester die voor het Brabantse onderwijs toch bepaald niet onbelangrijk is geweest.
Petrus Ludovicus van Kessel, van wie dus vooralsnog geen sterftedatum bekend is, was een productief auteur, dichter en vertaler. Zijn eerste boek verscheen in 1817: Grondbeginselen der Latijnsche taal, Den Bosch, J. Coppens en Zoon, 1817 (alleen aanwezig in de UB Nijmegen). Daarna volgden nog twintig publicaties (inclusief herdrukken), alle, op twee na, aanwezig in de Universiteitsbibliotheek Tilburg.

De Brabant-Collectie bezit een heel bijzonder exemplaar van Van Kessels Gedichten voor Roomsch-Katholijken (2e druk, 1842).
Titelpagina
KOD 1842 'S HERT 4
Het is een fraaie uitgeversband (157x102x22 mm) van blindbestempeld rood calico. Op de randen van beide platten een verguld kader. De platkanten en de sneden zijn verguld en de kapitaalbandjes zijn in wit en blauw. De schutbladen zijn van bruin kiezelmarmer sierpapier.

Kiezelmarmer sierpapier
Op het voorplat centraal het alziend oog en op het achterplat een kelk met hostie in stralenkrans.
Uitgeversband van Gedichten voor Roomsch-Katholijken
KOD 1842 'S HERT 4
Het boek is een presentexemplaar van de auteur zelf! Op het voorste schutblad heeft de dichter geschreven: 'Uit achting, vriendschap en erkentelijkheid, P.L. van Kessel'. Wanneer hij het boek cadeau heeft gegeven, is niet bekend. Wel is de enige eigenares bekend omdat zij gelukkig de voorste en achterste schutbladen heeft vol gekliederd met haar naam: Anna van Rooij.
Door Anna de Rooij beschreven schutbladen 
Dankzij haar aantekening op het achterste schutblad dat zij 45 jaar oud was in 1881, is vrij zeker dat zij de Anna van Rooij moet zijn geweest die werd geboren op 2 maart 1836 in Vught. Anna was dus pas 3 jaar oud toen Van Kessel uit Oudenbosch vertrok. De vraag is natuurlijk: wat is de connectie Anna van Rooij en Petrus Ludovicus van Kessel? Is Anna slechts een latere eigenares van de bundel of kenden zij elkaar inderdaad? Zo ja, wanneer schonk hij haar dan zijn gedichtenbundel? Deed hij dat toen hij in Den Bosch woonde? Hoe kan het dat een priester die zo actief in het Brabantse onderwijs is geweest, op zijn 46e zo spoorloos is verdwenen?