Over mij

Mijn foto
De Brabant-Collectie is in 1837 in 's-Hertogenbosch opgericht door het Provinciaal Genootschap van Kunsten en Wetenschappen in Noord-Brabant en wordt sinds 1986 beheerd door de bibliotheek van de Universiteit van Tilburg

maandag 19 augustus 2019

John Bergmans 1892 - 1980; tuinarchitect en plantenkenner

Eind vorig jaar verscheen een uitgebreid boek over tuinarchitect en plantendeskundige John Bergmans (1892-1980). De in Antwerpen geboren Bergmans ontwikkelde zich als plantenkenner en ontwierp in Noord-Brabant en Limburg tuinen, parken en plantsoenen voor de industriële en burgerlijke elite, bedrijven en gemeenten. Niet alleen richtte hij villatuinen in en voorzag wijken van groen, hij ontwierp ook botanische tuinen, recreatieparken en begraafplaatsen. Verder hield hij zich als kweker bezig met nieuwe plantenvariëteiten, schreef hij diverse boeken en leverde vele bijdragen aan tijdschriften. Zijn standaardwerk ‘Vaste planten en rotsheesters’ (Eerste druk 1924. Vindplaats: CBC TFK C 640) zorgde voor eenheid in de naamgeving van tuinplanten. 
John Bergmans kwam in 1914 samen met honderdduizenden andere Belgische vluchtelingen naar Nederland en zou de rest van zijn leven in ons land blijven. In de jaren twintig verhuisde hij met zijn vrouw Coby Visser naar Oisterwijk, waar zij de rest van hun leven bleven wonen en werken. Bergmans was een echte plantenman en jarenlang de enige tuinarchitect ten zuiden van de grote rivieren. Zijn ontwerpen zijn in dit boek voor het eerst samengebracht en overspannen het interbellum en de wederopbouw. Het boek bestaat o.a. uit een inleidend deel met een beknopte biografie, een oeuvrecatalogus met alle groenontwerpen en een schematisch overzicht van de ontwerpen met hun opdrachtgevers.

Vindplaats: BRA J3 LIDT 2018

maandag 5 augustus 2019

Tijdschrift: Brabants

In maart 2004 verscheen het eerste nummer van het tijdschrift, getiteld: Brabants. De ondertitel luidde: ‘Kwartaaluitgave over Brabantse taal, literatuur, muziek, dialect- en naamkunde’. Het blad kende in december 2012 na negen jaargangen ongewild zijn laatste nummer. In 2014 werd echter een nieuw tijdschrift onder dezelfde naam opgestart. De ondertitel werd teruggebracht tot ‘Kwartaalblad over Brabanders en hun taal’. De Stichting Brabants werd uitgever van het periodiek. De stichting organiseert verder culturele evenementen waarbij proza en poëzie in Brabantse dialecten centraal staan. In Brabants laten taal- en dialectliefhebbers en -professionals vier keer per jaar hun licht schijnen over de Brabantse taal. Redactielid van het eerste uur is prof. dr. Jos Swanenberg, bijzonder hoogleraar Diversiteit in Taal en Cultuur aan Tilburg University. Hij verzorgt interessante artikelen over bijvoorbeeld de neus-nazalerende ñ of staat stil bij het verschijnen van een nieuwe publicatie over Brabantse spreekwoorden. Door de jaren heen hebben naast een vaste kern van auteurs ook veel incidentele schrijvers bijdragen verzorgd voor het tijdschrift. Via de interviews met bekende en minder bekende Brabanders en achtergrondartikelen over Brabantse poëzie, literatuur, toneel, cabaret, muziek etc. uit heden en verleden kom je als lezer heel veel te weten over de Brabantse taal. Het verband tussen dialect en (het taalgebruik met) carnaval wordt ook regelmatig belicht. Voorts is er aandacht voor het vaak specialistische onderzoek waar Brabantse dialecten aan onderworpen worden, alsmede de strijd die er gevoerd wordt om dialect of streektaal op de agenda van beleidsbepalers te krijgen en te houden.

Zoals het taal - en zeker het dialect - betaamt, is het horen een niet onbelangrijke factor om te kunnen begrijpen. Was het bij de eerste reeks van Brabants een compact disc die bij ieder nummer zorgde voor auditieve ondersteuning, anno 2019 zijn er vanuit ieder nummer koppelingen te leggen met de luisterbox op de website van de stichting. Daar worden de nodige teksten (met name proza en poëzie) uit ieder nummer voorgedragen en kan men zelf onderzoeken hoe de verschillende dialecten klinken. Als je de papieren versie bij de hand hebt, kun je ook hardop meelezen met de dialecttekst. Dat moet je echt een keer gedaan hebben!

Brabants is aanwezig en raadpleegbaar op niveau 0 van de Universiteitsbibliotheek.
Vindplaats: T 10560

maandag 22 juli 2019

DVD: Pannenhoef: natuur in ontwikkeling

In 2017 verscheen in de reeks natuurfilms van Mark Kapteijns deze dvd over de Pannenhoef. Dit unieke en waardevolle natuurgebied van 700 hectare, in beheer bij Brabants Landschap, ligt tussen Rijsbergen, Zundert en Sprundel.
Het gebied herbergde oorspronkelijk een uitgebreid veenpakket, dat tussen 1400 en 1750 werd afgegraven. Het gedroogde veen -  turf - werd via diverse turfvaarten afgevoerd naar de steden waar het als brandstof dienst deed. Wat overbleef in het landschap was een heuvelig heidegebied met vennen. In de 19e eeuw begon men met de ontginning tot bos en landbouwgrond. In 1840 werd Landgoed Pannenhoef gesticht, dat diverse eigenaren kende. Brabants Landschap kocht het in 1970 aan en transformeerde dit aanvankelijk saaie gebied met weinig natuurwaarde naar een aantrekkelijk gemengd bosgebied met 11 vennen. Verder zijn er nu fraaie lanen, beken en bloemrijke weilanden te vinden. Zeldzame planten kwamen terug en ook amfibieën als de poel- en heikikker. Verder hebben in dit gebied onder andere de bunzing, ree, groene specht en buizerd hun plek gevonden. De film van Kapteijns laat onder andere bijzondere bewoners als havik, boommarter, klapekster en nachtzwaluw in hun natuurlijke habitat zien.

De dvd is te bekijken op de raadpleegpc's op niveau 0 van de Universiteitsbibliotheek.

Vindplaats: BENG DVD PANN 2017

maandag 8 juli 2019

P.L. van Kessel, een spoorloos verdwenen belangrijke Brabander

Ex libris, geplakt in de Oeuvres complètes (1821) van J. Delille
TRE 11 B 5
'Eens, eens vergeldt de Heer hunne ondeugd aan de boozen;
Hunne eigen' snoodheid wordt hun graf:
Jehova, onze God, verplet die goddeloozen,

En wendt de geselroe van zijne dienaars af.'

Van de dichtregels van Petrus Ludovicus van Kessel zullen waarschijnlijk weinig lezers blijmoedig worden. De dichter gebruikt zinsneden als 'foltrend leven', 'moordend staal', 'jammerend geblaar' en 'zielverscheurend kermen'. Toch vond deze sombere poëzie kennelijk aftrek. In 1826 verscheen bij de Bossche uitgever J.J. Arkesteyn een eerste bundel van Van Kessels gedichten voor katholieken, in 1831 gevolgd door een tweede deeltje. De 2e, vermeerderde druk, werd in 1842 gepubliceerd door uitgever Petrus Stokvis (1803-1881): Gedichten voor Roomsch-Katholijken, door P.L. van Kessel, R.K. priester. Stokvis was werkzaam in Den Bosch, en wel in de Verwerstraat 28. Het boek kostte 1 gulden. Van Kessel liet zijn dichtbundel voorafgaan door een citaat over geloof en dichtkunst van de Franse dichter Édouard Turquety (1807-1867). Een opmerkelijke keuze, want de vrolijke, lichtvoetige poëzie van Turquety lijkt in niets op de zwaarmoedige teksten van Van Kessel. 
Petrus Ludovicus van Kessel werd in Eindhoven geboren op zaterdag 26 januari 1793, vrijwel exact negen maanden na het huwelijk van zijn ouders, Guilielmus van Kessel (1762-1822), dokter van beroep, en Theresia Pijpers (1766-1841).
Een belangrijke bron voor biografische gegevens over P.L. van Kessel is J.A. Coppens, Nieuwe beschrijving van het bisdom van 's Hertogenbosch dl.1, (1840). Volgens Coppens werd de 22-jarige Van Kessel in 1815 als 'eerste professor in de wijsbegeerte' aangesteld op het kleinseminarie Veebeek bij Berlicum dat door Antonius van Gils (1758-1834) was gesticht in april van dat jaar. Tot de eerste leerlingen behoorden G.P. Wilmer (1800-1877) uit Boxtel, de latere bisschop van Haarlem, en de hierboven vermelde J.A. Coppens (1800-1850). Mogelijk zijn beiden zelfs oudleerlingen van de jeugdige professor Van Kessel geweest. Het kleinseminarie verhuisde in 1817 naar een nieuw gebouw op het landgoed Beekvliet bij Sint-Michielsgestel.
Van Kessel is acht jaar als docent verbonden geweest aan het kleinseminarie. In 1823 gaat hij terug naar zijn geboortestad en wordt daar rector van de Latijnse school. Hij blijft er tot 1830. Over die jaren als Eindhovense rector is niets bekend. Van Kessel duikt vervolgens op in Oudenbosch, waar hij in 1830 een Latijnse school sticht die op 7 oktober opent, met lessen in Latijn, Grieks en Frans. Deze zogeheten 'kweekschool' was kennelijk een succes, want 'superior' Van Kessel moest door de aanwas van leerlingen in 1835 uitwijken naar een groter pand, en wel aan de Markt 68. Vier jaar later werd zijn school echter opgeheven. Het pand aan de markt werd overgenomen door het bisdom Breda dat er een kleinseminarie in vestigde. Op maandag 12 augustus 1839 nam de bevolking van Oudenbosch diep ontroerd afscheid van hun 'geliefden superior'. Hij ontving een zilveren tabaksdoos, waarin gegraveerd: 'Souvenir de vos disciples 1839'. Volgens Coppens is Van Kessel toen naar Den Bosch vertrokken. De groene treurbeuk die nu nog in het arboretum van Oudenbosch staat, is overigens nog door Van Kessel zelf in 1839 geplant.
In 1842 bewerkte Van Kessel een heruitgave van zijn in 1823 verschenen De voortreffelijkheid der katholieke godsdienst en in 1868 verscheen in Antwerpen zijn metrische bewerking van De imitatione Christi. Verder is tot nog toe geen spoor teruggevonden van deze dichtende priester die voor het Brabantse onderwijs toch bepaald niet onbelangrijk is geweest.
Petrus Ludovicus van Kessel, van wie dus vooralsnog geen sterftedatum bekend is, was een productief auteur, dichter en vertaler. Zijn eerste boek verscheen in 1817: Grondbeginselen der Latijnsche taal, Den Bosch, J. Coppens en Zoon, 1817 (alleen aanwezig in de UB Nijmegen). Daarna volgden nog twintig publicaties (inclusief herdrukken), alle, op twee na, aanwezig in de Universiteitsbibliotheek Tilburg.

De Brabant-Collectie bezit een heel bijzonder exemplaar van Van Kessels Gedichten voor Roomsch-Katholijken (2e druk, 1842).
Titelpagina
KOD 1842 'S HERT 4
Het is een fraaie uitgeversband (157x102x22 mm) van blindbestempeld rood calico. Op de randen van beide platten een verguld kader. De platkanten en de sneden zijn verguld en de kapitaalbandjes zijn in wit en blauw. De schutbladen zijn van bruin kiezelmarmer sierpapier.

Kiezelmarmer sierpapier
Op het voorplat centraal het alziend oog en op het achterplat een kelk met hostie in stralenkrans.
Uitgeversband van Gedichten voor Roomsch-Katholijken
KOD 1842 'S HERT 4
Het boek is een presentexemplaar van de auteur zelf! Op het voorste schutblad heeft de dichter geschreven: 'Uit achting, vriendschap en erkentelijkheid, P.L. van Kessel'. Wanneer hij het boek cadeau heeft gegeven, is niet bekend. Wel is de enige eigenares bekend omdat zij gelukkig de voorste en achterste schutbladen heeft vol gekliederd met haar naam: Anna van Rooij.
Door Anna de Rooij beschreven schutbladen 
Dankzij haar aantekening op het achterste schutblad dat zij 45 jaar oud was in 1881, is vrij zeker dat zij de Anna van Rooij moet zijn geweest die werd geboren op 2 maart 1836 in Vught. Anna was dus pas 3 jaar oud toen Van Kessel uit Oudenbosch vertrok. De vraag is natuurlijk: wat is de connectie Anna van Rooij en Petrus Ludovicus van Kessel? Is Anna slechts een latere eigenares van de bundel of kenden zij elkaar inderdaad? Zo ja, wanneer schonk hij haar dan zijn gedichtenbundel? Deed hij dat toen hij in Den Bosch woonde? Hoe kan het dat een priester die zo actief in het Brabantse onderwijs is geweest, op zijn 46e zo spoorloos is verdwenen?

maandag 24 juni 2019

Nieuw onderzoek in 'Oud Nieuws'

W. Smulders: De verloren zoon
Zevenbergen: Greven, 1910
TRE 082 G 09

Heemkundekring ‘Willem van Strijen’ uit Zevenbergen brengt twee keer per jaar het periodiek ‘Oud Nieuws’ uit. In het 110e nummer van de 38ste jaargang werd de noodklok geluid over het teruglopend aan vrijwilligers. In het nummer wordt toch een rijk palet aan artikelen gepresenteerd, waarvan er hier één uit wordt gelicht. Onderzoeker van de lokale geschiedenis Ton Reniers heeft zich verdiept in het boekenfonds van drukkerij en uitgeverij Arn. M. Greven uit Zevenbergen.Aanleiding voor zijn artikel was de vondst van een boekje van deze uitgeverij op een rommelmarkt. In de aansluitende speurtocht stuitte hij op ruim dertig titels die tussen 1904 en 1939 via de uitgeverij van Arn. M. Greven verschenen. Greven was tot dan met name bekend vanwege ansichtkaarten en bidprentjes; dat hij een heus boekenfonds op de markt bracht wordt in dit artikel voor het eerst over het voetlicht gebracht. Reniers gaat in de bijdrage in op de achtergrond van Greven en de ‘wereld’ van drukkers en uitgevers in Zevenbergen. Interessant daarbij is de rol die, net als bij andere beroepsgroepen, het geloof speelde: katholieken en protestanten verzorgden ieder hun eigen drukwerk. Greven start in maart 1905 een samenwerking met ondernemer P.J.M. van Tetering, maar dit is geen lang leven beschoren. Greven begint voor zichzelf en brengt degelijke, orthodox katholieke en opvoedkundige boekjes uit. Dit lijkt goed te passen in de tijd dat vanuit Rome de zogenaamde Katholieke Actie wordt gepropageerd. Daarnaast wordt ook de Zevenbergsche Courant gedurende een aantal jaren door Greven gedrukt en uitgegeven. De religieuze romans die Greven uitbrengt worden met veel reserve ontvangen. De stichtelijke lectuur van priester Willem Smulders en franciscaan Martialis Vreeswijk valt beduidend beter in de smaak en van de titels van deze auteurs zijn dan ook meer edities verschenen. Hierbij moet worden aangetekend dat sommige latere edities bij andere uitgeverijen zijn ondergebracht. Dat geldt ook voor Beknopt Overzichtelijk Studie- en Repeteerboekje voor Verpleegsters van zuster Maria Smulders dat in 1923 bij Greven zijn eerste druk beleefde, maar tot eind jaren vijftig nieuwe edities kende. Met een nuttig overzicht van het tot hier bekende boekenfonds wordt de bijdrage afgesloten.
W. Smulders: De Barmhartige Samaritaan
Zevenbergen: Greven, 1922
TRE 082 G 08
Reniers constateert in zijn artikel dat de uitgaves van Greven dun bezaaid zijn in de openbare en wetenschappelijke bibliotheken van Nederland. Het is mede daarom plezierig dat hij de door hem opgespoorde titels, samen met nog andere boekwerken, aan de Brabant-Collectie heeft geschonken. Hierdoor is nu ongeveer twee derde van het boekenfonds van Arn. M. Greven, drukker en uitgever te Zevenbergen, op één plek raadpleegbaar.
Het tijdschrift Oud Nieuws is raadpleegbaar in de Universiteitsbibliotheek op niveau 0.
Vindplaats: T 074072

woensdag 12 juni 2019

Dit is om nooit meer te vergeten: dagboek en brieven van Helga Deen 1943


Naar aanleiding van de Dag van het Dagboek, op de geboortedag van Anna Frank, vandaag aandacht voor het dagboek van Helga DeenGeruime tijd geleden kwam er een schriftje boven water van een joods meisje woonachtig in Tilburg. Het waren de aantekeningen en brieven van Helga Deen (Stettin, Duitsland 6 april 1925–Sobibor, Polen 16 juli 1943). Helga begon op 1 juni 1943, de dag van transport van familie Deen naar Kamp Vughtmet het bijhouden van een dagboek in een scheikundeschrift. Hierin schreef ze over het dagelijks leven in het kamp, de maaltijden, de transporten, het ontluizen, de conflicten etc. Het dagboek is gericht aan haar geliefde, kunstschilder Kees van den Berg (1923-2001), aan wie ze ook de brieven schreef. Op 1 juli schreef ze voor het laatst in haar dagboek. Een dag later wordt de familie gedeporteerd naar Kamp Westerbork. Helga schreef daar haar laatste brief aan Kees. Vanuit Westerbork werd de familie overgebracht naar Sobibor, waar zij werden vermoord. Hoe Kees van den Berg uiteindelijk aan het schriftje kwam is niet bekend. Zijn zoon Conrad vond het na Kees' overlijden in 2001 in zijn atelier en bracht het in 2004 over naar Regionaal Archief Tilburg. Dit archief heeft daarna het leven van Helga Deen in kaart gebracht, waarna in 2007 het dagboek uitkwam.

Vindplaats: BRA N3 DEEN 2007

vrijdag 7 juni 2019

Onderzoek naar Antwerpse bijbels

In de collecties van de Universiteitsbibliotheek van Tilburg University en de Brabant-Collectie liggen nog steeds vele schatten te wachten op ontdekking en nader onderzoek. Gelukkig zijn de collecties bibliografisch goed digitaal ontsloten, zodat overal ter wereld te lezen valt wat er in huis is. En als je dat weet, kun je dus ter plekke de mooiste zaken gaan onderzoeken en de leukste dingen ontdekken.

Zo bracht onlangs Renske Hoff een bezoek aan de collectie. Zij doet promotieonderzoek aan de Rijksuniversiteit van Groningen in het kader van het onderzoeksprogramma ‘In Readers’ Hands: Early Modern Bibles from a Users’ Perspective’. Zij wilde graag twee vroegmoderne bijbels inzien die gedrukt zijn bij Jacob van Liesvelt in Antwerpen (TF TRE 10 en CBC TFH D 303). De exemplaren die in de Tilburgse Universiteitsbibliotheek aanwezig zijn, dateren uit 1535 en 1542 en zijn afkomstig uit de collectie van de Theologische Faculteit. De aandacht van Renske richtte zich vooral op de sporen die gebruikers van de bijbels in die vroege drukken achtergelaten hebben en wat deze sporen eventueel kunnen zeggen over de lezer. Die sporen kunnen bijvoorbeeld onderstrepingen of aantekeningen zijn, maar ook iets wat gediend heeft als boekenlegger. Bijzondere vondst in één van de Tilburgse exemplaren was het op enkele plaatsen deels overgeplakt zijn van stukjes Bijbeltekst. Zo werden in het Bijbelboek 1. Timotheus de woorden ‘gratie die u gegeven is’ overplakt met ‘gratie die in u is’ en ‘der ouderen’ met ‘des Priesterschaps’. Op een strookje papier, keurig in een gedrukte gotische letter, dus waarschijnlijk afkomstig uit een andere, eigentijdse druk! De van oorsprong Luthers aandoende bijbel is door het ingrijpen van een gebruiker meer katholiek van karakter gemaakt. De bijbels van Van Liesvelt zijn in de loop van de geschiedenis verspreid geraakt over de hele wereld. Het doel is om deze te bestuderen en zo meer te weten te komen over het gebruik ervan. Wij zijn vanzelfsprekend nieuwsgierig naar de eindresultaten en de conclusies van het lopende onderzoek.

Wat het bezoek van Renske Hoff duidelijk maakt, is dat je dit soort onderzoek moet doen bij en met het originele materiaal. In de gedigitaliseerde versie vallen de toegevoegde strookjes nauwelijks op. Er kan in ieder geval niet gelezen worden wat zich onder de strookjes bevindt. En dan nog een bijzonder aspect van het onderzoek ter plekke: met het openklappen van de strookjes papier kom je heel dicht bij de toenmalige gebruiker van de bijbel. En dat maakt onderzoek ook zo de moeite waard.

maandag 27 mei 2019

DVD: Boer Peer

In 2009 stuitte regisseur Daan Jongbloed op een vervallen boerderij in Maliskamp waar de toen 89-jarige boer Peer in alle stilte en soberheid woonde. Zonder douche, warm water, tv, radio, koelkast of andere luxe. Het leek of de tijd er stil stond. De winters bracht hij door naast de houtkachel. Zijn eten kookte hij op een gaspitje: aardappels met spek en een pot sperziebonen of spinazie. Droog gekookt tot een prutje dat hij zo uit de pan schraapte. Tot zijn dood hield hij acht koeien die hij vetmestte voor de slacht. "Ik blijf werken tot ik dood ben", aldus Peer. De filmmaker wist het vertrouwen te winnen van Peer en volgde de laatste tien jaar van zijn leven. In de documentaire vertelt Peer over vroeger, het gemis van een liefde en de ingrijpende oorlogsjaren. Dit maakt de film tot een intiem portret van een zeldzaam sobere man.
De film ging in 2017 in première tijdens het Nederlands Film Festival en won de NL Award voor de beste regionale omroep-documentaire. In de bioscopen was de film een succes en kerst 2017 werd hij uitgezonden door Omroep Brabant. Er is ook een Facebook-pagina over deze markante man. Helaas heeft Peer zelf het succes van de film niet meer mee kunnen maken. Hij overleed op 97-jarige leeftijd door een verkeersongeval in Rosmalen, kort voor de première. Maar door de film gaat boer Peer zelfs na zijn dood de hele wereld over: tijdens zijn leven verliet hij zelden of nooit Maliskamp, maar de film bereikte zelfs familie in Canada, aldus een artikel uit het Brabants Dagblad.

U kunt de DVD bekijken op onze raadpleegpc's op niveau 0 van de Universiteitsbibliotheek.

Vindplaats: BENG DVD BOER 2017 

donderdag 23 mei 2019

Driemaal Coppens in Museum De Wieger

Op 12 mei jl. is de expositie ‘Driemaal Coppens in beeld’ met een culturele middag voor genodigden geopend in het gemeentehuis te Deurne. Het werk van de familie Coppens wordt getoond: beeldhouwer Joep, fotograaf Martien en schilder/schrijver Els. Aanleiding voor deze tentoonstelling is het zestigjarig jubileum van Joep Coppens als beeldhouwer. In 1959 kapte hij zijn eerste beeld: een portret van zijn vader, de fotograaf Martien Coppens. 
Voor deze gelegenheid werkte de Brabant-Collectie samen met Museum De Wieger en verstrekte 35 originele vintage prints van Martien Coppens in bruikleen. 
Op de bovenverdieping worden bronzen en houten beelden van Joep in combinatie met foto’s van Martien geëxposeerd. Joep is in hoge mate geïnspireerd door het werk van zijn vader. In de plasticiteit ligt een sterke parallel qua licht- en donkerspel. Zowel de abstracte als figuratieve beelden vormen een harmonisch geheel met de foto’s. De thema’s variëren van het boerenleven en de Peel tot architectuur en industrie.
© Paul Slot | Brabant-Collectie, Tilburg University
© Paul Slot | Brabant-Collectie, Tilburg University
© Paul Slot | Brabant-Collectie, Tilburg University
In de ateliers worden de beelden van Joep gecombineerd met de olieverfschilderijen van Els uit de periode 1971-1992: (kinder)portretten, stillevens en landschappen in een naïef-realistische stijl, maar ook hangen hier haar grote abstracte werken.
© Paul Slot | Brabant-Collectie, Tilburg University

© Paul Slot | Brabant-Collectie, Tilburg University
In de tuin van De Wieger staan nog enkele grotere bronzen beelden van Joep opgesteld.
© Paul Slot | Brabant-Collectie, Tilburg University
Bij de tentoonstelling is een rijk geïllustreerde catalogus 3x Coppens in beeld verschenen met de ondertitel: ‘Beelden zeggen meer dan duizend woorden’. Het voorwoord is van Hildo Mak, burgemeester van Deurne. Conservator Lex van de Haterd geeft in zijn inleiding een korte biografische schets van Joep, maar biedt ook inzicht in zijn beweegredenen om het werk van de familie Coppens in deze jubileumtentoonstelling te laten zien. Cultuurhistoricus Ger Jacobs plaatst het werk van Joep Coppens in de context van ontwikkelingen in de beeldhouwkunst en trekt daarbij enkele parallellen met o.a. Aristide Maillol. Conservator Emy Thorissen belicht de positie en het belang van het werk van fotograaf Martien Coppens en reconstrueert de expositie ‘Zelfportret in 117 foto’s’ uit 1983. Zijn talrijke fotoboeken en exposities hebben bijgedragen aan de erkenning van de fotografie als kunstvorm en aan de positie van de vakfotograaf in Nederland. Dichteres Helma Michielsen benadrukt in haar bijdrage de veelzijdigheid van Els. De catalogus is verkrijgbaar bij Museum De Wieger en via www.joepcoppens.nl.
Cover tentoonstellingscatalogus
De tentoonstelling in Museum De Wieger te Deurne is nog te zien tot en met 15 september 2019.
Bekijk ook het artikel van Rob Schoonen in het Eindhovens Dagblad.

dinsdag 21 mei 2019

Boekbanden van Jan Sluijters

Ontwerp uit 1902
Marie Neve, Helen’s Kleintjes (4e druk), Haarlem: De Erven F. Bohn, 1902
Tot nu toe werden er in de Universiteitsbibliotheek Tilburg én de Brabant-Collectie geen boeken verzameld alleen om hun buitenkant. De band was slechts een verlengstuk van de inhoud. De tekst was het belangrijkste en werd al dan niet ondersteund door illustraties. De staat waarin de - in oplage gemaakte - uitgeversbanden verkeren, is soms erbarmelijk. Deze banden staan lukraak in de reguliere collectie en als ze niet ontsloten worden, blijven ze in feite voor eeuwig onzichtbaar. 

In de periode 1890-1940 maakten beeldende kunstenaars ontwerpen voor boekbanden. Ten behoeve van de verkoop werd in opdracht van de uitgever het bandontwerp voor het boek door de kunstenaar gemaakt. Het betreft linnen boekbanden, maar ook kwetsbare papieren bandjes. Soms werden wensen van tevoren kenbaar gemaakt, zoals met betrekking tot de kleur van het linnen én het aantal kleuren bij de druk, want voor elke kleur moest een afzonderlijk persstempel gemaakt worden. Chique exemplaren werden zelfs van goudstempeling voorzien. Vaak werden ontwerpen jarenlang hergebruikt, zowel voor hetzelfde als voor een ander boek.

Het werk van de in ’s-Hertogenbosch geboren schilder, tekenaar en graficus Jan Sluijters (1881-1957) is veelzijdig, maar als productieve ontwerper van boekbanden is hij tamelijk onbekend. Onder invloed van eigentijdse kunststromingen maakte Sluijters boekbandontwerpen vanaf 1902 tot in de jaren twintig. Slechts met een paar lijnen en met treffende eenvoud wist hij uiteenlopende voorstellingen, zowel karikaturaal als naturalistisch uit te beelden. Soms was de vormentaal gebaseerd op de natuur. 

Ontwerp van 1907
Op de hoogte. Maandschrift voor de huiskamer (jrg. 4) 1907
Sluijters heeft zich niet aan één uitgever gebonden, maar werkte tegelijkertijd voor verschillende uitgevers zoals Becht, Bohn, Cohen, Hilarius, Noordhoff en Valkhoff. 
De Amsterdamse uitgever H.J.W. Becht gaf een veertigtal banden van hem uit. Zijn ontwerpen sierden boeken van succesauteurs als Tine van Berken en Selma Lagerlöf.
Ontwerp uit 1906
Tine van Berken, Kruidje-roer-me-niet (2e druk), Amsterdam: H.J.W. Becht, [1912]
Reeks: Ons Clubje biblibliotheek voor meisjes (deel 10)
Ontwerp van 1904
Selma Lagerlöf, De wonderen van den antichrist (3e druk), Amsterdam: H.J.W. Becht, [1919]
Ruim tachtig Sluijtersbanden zijn in de Tilburgse collecties te vinden, waarvan een aantal in verschillende exemplaren of in kleurvarianten. Gelukkig signeerde Sluijters zijn ontwerpen. Meestal treft men op het voorplat zijn monogram aan of anders zijn initialen of zijn volledige naam.
Monogram Jan Sluijters
Ontwerp van 1911
E.B. Knipe, De kleine miss Fales, Amsterdam: L.J. Veen, [1911]
Ontwerp uit 1914
Agatha, Brieven van een poes (4e druk), Amsterdam: H.J.W. Becht, [1914]

Meer achtergrondinformatie: zie Emy Thorissen, ‘Sluijters: een niet zo bekende boekbandontwerper’ In: In Brabant jrg. 10, nr. 1 (maart 2019), p. 54-69.

Te zien: in de universiteitsbibliotheek op niveau 0 en niveau 1 (21 mei t/m 9 augustus 2019).

maandag 29 april 2019

Willem II en Ajax, maar dan een eeuw geleden

Op 5 mei 2019 staan de voetbalclubs Willem II en Ajax tegenover elkaar in de finale van de KNVB-beker. Van de ene club, Willem II, is het verrassend dat ze tot deze finale zijn doorgedrongen, Ajax heeft een andere staat van dienst; het staat al decennia lang aan de top. Toch was er een periode dat ook Willem II (opgericht in 1896) langdurig een geduchte tegenstander was en samen met Ajax tot de top van Nederland behoorde. Dat was onder andere het geval rond en tijdens de Eerste Wereldoorlog. Juist over deze periode is een publicatie verschenen: Kampioenen ’14-’18. Voetbal in neutraal Nederland (uitgever Just Publishers). Want Nederland was weliswaar neutraal in de periode 1914-1918, maar dat betekende niet dat alles gewoon zijn gang ging, ook niet op het terrein van de sport. In de publicatie gaan vier clubspecialisten (A. Slotboom, R. Rossmeisl, H. Starink en M. Pot) in op het kampioenschap van hun club. Naast Ajax (1918) en Willem II (1916) zijn dat Sparta (1915) en Go Ahead Eagles (1917).
In het begin van de twintigste eeuw was er nog lang geen sprake van betaald voetbal in Nederland. Het ging er heel anders aan toe, zo kunnen we in de verschillende hoofdstukken lezen. Het voetballand was aanvankelijk verdeeld in twee, later drie en nog later vier regio’s en daarin werden competities afgewerkt. Vanaf 1913 is er naast een Eerste Klasse Oost en West sprake van een Eerste Klasse Zuid en neemt de kampioen van ook die regio deel aan de strijd om de landstitel. De winnaars van iedere regio kwamen in een hele competitie tegen elkaar uit om het algeheel kampioenschap te bestrijden. Maar tijdens de Eerste Wereldoorlog was er meer aan de hand.

Doordat Nederland gemobiliseerd was en spelers hun militaire plicht vervulden, konden clubs vaak niet hun sterkste teams opstellen. Om een hiaat op te vullen kon Willem II tijdelijk een beroep doen op Karel Hollander, speler van Go Ahead Eagles maar gelegerd in Breda. Na het verdwijnen van de acute oorlogsdreiging eind 1914 werden op regionaal niveau noodcompetities georganiseerd. Deze verliepen echter tamelijk chaotisch vanwege de onzekere situatie (wat te denken van het vervoer naar een uitwedstrijd) en de heersende staat van beleg. Na een brief van de Belgische voetbalbond was het Nederlandse clubs niet langer toegestaan Belgische voetballers die als vluchteling het Belgische grondgebied hadden verlaten in de Nederlandse competitie op te stellen. Met uitzondering dan weer van die voetballers die in het Nederlandse leger actief waren. Het binnenhalen van het kampioenschap van de Eerste Klasse Zuid in 1916 door Willem II werd vertraagd doordat een wedstrijd tegen NAC moest worden overgespeeld omdat een speler onrechtmatig (vanwege mobilisatieregels) was opgesteld.

Onze aandacht gaat in deze publicatie vooral uit naar Willem II uit Tilburg. De bijdrage van Roger Rosmeisl biedt voor de in voetbal geïnteresseerden veel wetenswaardigheden over de club (en het voetbal in het algemeen) aan het begin van de twintigste eeuw. Bijvoorbeeld hoe Willem II toch aan die rood-wit-blauwe shirts komt. Zoons van de Tilburgse textielfamilie Van den Bergh weten bij de voetbalclub Prinses Wilhelmina in Enschede, waar zij studeren, een restpartij rood-wit-blauwe shirts op de kop te tikken. The rest is history. De strijd om het landskampioenschap wordt in 1916 door Willem II aangebonden met Sparta en Go Ahead Eagles. Op 1 jun 1916 is de beslissende wedstrijd bij en tegen Go Ahead Eagles; Willem II moet winnen. Om het thuisfront in Tilburg te informeren over de stand en uitslag (0-1) worden postduiven (!) ingezet.



Een interessante bijdrage handelt over Pius Arts (1881-1955), een zeer veelzijdig man die veel heeft betekend voor Willem II. Hij was behalve advocaat ook speler-voorzitter van Willem II. En als bestuurslid van de NVB (Nederlandse Voetbal Bond) pleit hij in 1917 succesvol voor toelating van Ajax tot het hoogste niveau. Een jaar later wordt Ajax, met de befaamde Jack Reynolds als trainer, kampioen … in Tilburg. Ze verslaan daar Willem II. Arts was over een lange periode voorzitter van de club: van 1901 tot 1919. Hij is vernoemd naar paus Pius IX, om wiens soevereiniteit door zouaven werd gestreden. Van 1922 tot 1952 bekleedde Arts diverse politieke functies en in 1921 was hij medeoprichter van het Tilburgse Sportpark aan de Goirleseweg, de voorloper van huidige Koning Willem II stadion.

Dat het voetbal in oorlogstijd bijzondere, vandaag de dag onbekende aspecten kende wordt ook nog geïllustreerd door de volgende dichtregels, geschreven direct na het behalen van de landstitel in juni 1916:


(…)
‘Laat Verdun, Verdun maar blijven;
Laat ze vechten op zee…
’t Kan ons allemaal niet bommen…
Kampioen is Willem II !’


De quote ‘Voetbal is oorlog’ is dan nog lang niet uitgevonden.


Vindplaats: NGE H3 SLOT 2018

donderdag 18 april 2019

Expositie en boekpresentatie Anton Schellens in Kasteel Geldrop

Stichting C.R. Hermans organiseert in samenwerking met de Brabant-Collectie van Tilburg University van 10 mei tot en met 30 juni 2019 een expositie over Anton Schellens, zijn fotografie en schilderijen in Kasteel Geldrop. De officiële opening vindt plaats op 9 mei om 15.00 uur en wordt verricht door oud-premier Mr. Dries van Agt.
Tegelijk verschijnt ook de publicatie Anton Schellens (1887-1954). Fotograaf van het ongerepte Brabantse plattelandsleven bij Uitgeverij Vantilt in Nijmegen. Historicus Cor van der Heijden deed jarenlang onderzoek naar de persoon en het werk van Anton Schellens. Hierbij werden niet alleen de originele glasplaten, maar ook veel van Schellens naar internationale fototentoonstellingen ingezonden afdrukken teruggevonden. Voor het eerst zullen deze foto’s te zien zijn, evenals diverse van de kunstwerken uit de collectie van Schellens.

© Anton Schellens | Stichting C.R. Hermans / Erven Schellens 
Pittoresk
Vooral tussen 1910 en 1925 maakte hij, geïnspireerd door kunstschilders uit de Haagse School en hun navolgers, in de omgeving van Eindhoven een uitgebreide collectie foto’s. Wat Jongkind, Mauve, Willem Maris en Breitner met palet en penseel maakten, probeerde Schellens met zijn hobby, fotografie. Met zorg koos hij in zijn Eindhovense omgeving taferelen van het pure, onbedorven en pittoreske plattelandsleven, met eenvoudige optrekjes waar keuterboeren, thuiswerkende ambachtslieden en oude vrouwen hun dagen sleten zoals generaties voor hen dat deden.
Schellens ensceneerde met de grootst mogelijke zorg het interieur en stelde zijn camera zodanig op dat de afbeelding er zo pittoresk mogelijk uitzag (waarbij hij een fascinatie had voor binnenvallend licht). Hij zag er niet tegenop om de inrichting van de woonkamer af en toe volledig te veranderen of experimenteerde met (al dan niet met door hemzelf meegebrachte) voorwerpen als dit de sfeer ten goede kwam. En niet onbelangrijk: hij instrueerde en positioneerde zijn ‘modellen’ op een vergelijkbare manier zoals de door hem zo bewonderde kunstschilders dat deden.

© Anton Schellens | Stichting C.R. Hermans / Erven Schellens 
Internationale erkenning
Het maken van de foto was voor Schellens nog maar het halve werk. Het minstens zo belangrijke deel volgde thuis, in de donkere kamer. Met het ontwikkelen en afdrukken van de foto was het scheppingsproces nog niet beëindigd. Schellens bekwaamde zich in allerlei procedés die hem uittilden boven het niveau van een ‘kiekjesmaker’. Zijn pigmogravures (waarbij op een afgedrukte foto met verfkwast extra accenten werden gezet of onderdelen vervaagd) vielen bij fototentoonstellingen in binnen- en buitenland met grote regelmaat in de prijzen en werden in de vakbladen met lof overladen. Een flink aantal van zijn opnamen werd in de Nederlandse fotovaktijdschriften en in prestigieuze internationale jaarboeken gepubliceerd. In tegenstelling tot andere fotografen wiens werk uit hun beginperiode sterke gelijkenis met dat van Anton Schellens vertoont (zoals Henri Berssenbrugge en Martien Coppens), toonde de Eindhovense fabrikant annex amateurfotograaf geen belangstelling voor meer experimentele richtingen in de fotografie. Maar zijn in een beperkte tijdspanne tot stand gekomen oeuvre is belangwekkend genoeg om aan de vergetelheid te ontrukken.

© Anton Schellens | Stichting C.R. Hermans / Erven Schellens

maandag 15 april 2019

Tijdschrift: Van Vehchele tot Veghel

'Van Vehchele tot Veghel' is het periodiek van Heemkundekring Vehchele dat vier keer per jaar verschijnt met artikelen over heemkundige en historische onderwerpen die betrekking hebben op Veghel en de kernen Eerde, Mariaheide en Zijtaart. De kring wil belangstelling wekken voor heemkunde en de kennis daarover bevorderen, met name met betrekking tot de hiervoor genoemde plaatsen. Dit gebeurt onder andere door het publiceren van onderzoeksresultaten over heemkundige onderwerpen in haar periodiek 'Van Vehchele tot Veghel' en andere media.
Vehchele is de oudst bekende schrijfwijze van de plaats die in 1225 is aangetroffen op een lijst van goederen en rechten van de abdij van Berne. Op 1 januari 2017 werd Veghel, samen met Schijndel en Sint-Oedenrode, samengevoegd tot de nieuwe gemeente Meierijstad. De hoofdplaats hiervan is Veghel. Hieraan voorafgaand was de gemeente in 1994 samengevoegd met de gemeente Erp, met behoud van de naam Veghel. Heemkundekring Vehchele werd opgericht op 23 april 1981. Het eerste tijdschriftnummer verscheen op 21 juni van dat jaar. Tot 2014 verscheen het tijdschrift in zwart-wit op A5-formaat, maar vanaf 2015 wordt het in kleur uitgegeven op A4.
Gerard Wonders publiceerde van 1981-1989 in het tijdschrift meer dan 36 artikelen, waarvan 13 over molens. Jan Pos en Ria Vreeswijk schrijven namens de Werkgroep Dialect en Folklore in het blad. Vanaf 2010 is Martien van Asseldonk de grootste leverancier van bijdragen die vooral gaan over de geschiedenis van Veghel.
In het maart-nummer van 2019 staat een artikel van de hand van Piet van Asseldonk en Henk van der Voort over Piet van Melis (*1934) die aan de wieg stond en directeur was van Het Pieter Brueghel Instituut, een educatief streekcentrum voor kunst en cultuur. Ook staat hierin een artikel over de belangrijke rol die Veghel vroeger speelde in de kalverhandel, geschreven door Rolf Vonk en Henk van der Voort.
Klik hier voor een uitgebreide inhoudsopgave van alle kronieken van 1981-2017.


'Van Vehchele tot Veghel'  is aanwezig en raadpleegbaar op niveau 0 van de universiteitsbibliotheek.
Vindplaats: T 07416

maandag 1 april 2019

DVD: Tilburg neemt afscheid van de Lindeboom op de Heuvel

Deze maand, om precies te zijn op 27 april, is het 25 jaar geleden dat de iconische lindeboom op de Heuvel in Tilburg gekapt is. In onze collectie bevindt zich een dvd uit 1994 met filmbeelden van deze gebeurtenis. Te zien is hoe mensen uit protest zich vastketenden aan de boom. Het verloop van de dag wordt uitgebreid in beeld gebracht: van de eerste zaagsnede tot het afvoeren van de linde, de toespraken op de Heuvel, het muzikale eerbetoon aan de boom en de mensenmassa die er op afgestroomd was. De boom had ernstig geleden onder de bouw van de Heuvelpoort. College van B & W Tilburg was van mening dat de 350 jaar oude boom een gevaar opleverde voor het verkeer en besloot daarom tot kappen over te gaan. Tot ieders verbazing kwam bij het weghalen van de oude boom een jonge scheut tevoorschijn. De film eindigt met de mededeling dat deze kleine linde met de nodige zorg elders verder zal worden opgekweekt.
Lindeboom, Heuvel Tilburg
Vindplaats: pbk-T 34 / 121 Heuv (3)
Maar hierna gaat het verhaal verder. Ondanks alle zorg heeft deze zogenaamde adventiefstam helaas toch het loodje moeten leggen. Ook een nieuw opgekweekte linde uit de wortels van de oorspronkelijke linde heeft het uiteindelijk niet gered. Maar nu, 25 jaar na dato, heeft Tilburg uiteindelijk toch zijn lindeboom terug. Op 14 maart jl. is in het nieuw te ontwikkelen Spoorpark een grote koningslinde geplant, een geschenk van het Lindeboom Genootschap. De boom is geplant in de hoek van het speelgrasveld. Een tweede linde werd bij Ingang Oost gepland aan de kant van de Hart van Brabantlaan. Beide bomen zijn in het beheersysteem van gemeente Tilburg geplaatst, zodat ze bij de eerst volgende ronde met vaststelling door het College monumentaal worden en dus op de Monumentale Bomenlijst komen te staan. Eind goed al goed!

De DVD is te bekijken op de raadpleegpc's van de universiteitsbibliotheek op niveau 0.
Vindplaats: BENG DVD TILB 1994

dinsdag 19 maart 2019

Een handboek voor timmerlieden in de 18e eeuw

Gravures in bouwkundige werken van vóór 1800 zijn over het algemeen een genot om te bekijken. Tot de vroege boeken over bouwkunde die de Universiteitsbibliotheek Tilburg bezit, behoort de Architectura chivilis. Het is uitgegeven in 1670, met 36 fraaie kopergravures, door de Amsterdamse graveur en boekverkoper Justus Danckertsz (1635-1701). De paginagrote afbeeldingen tonen voornamelijk de constructie van daken.
Architectura chivilis - titelpagina
Vindplaats: CBC TFK D 176

Architectura chivilis - gravure 11
In zijn vier bladzijden, tamelijk religieus getinte voorwoord, hoopte Danckertsz dat zijn uitgave een inspiratie zou zijn voor timmerlieden, vooral met het oog op de vele door oorlogen verwoeste daken. Na het voorwoord volgen nog vier pagina’s tekst waarin Danckertsz de illustraties uitlegt aan de 'bouwmeesters'. Van een werkelijke bouwtechnische uiteenzetting is echter geen sprake. Dat kan ook moeilijk anders, aangezien Danckertsz geen bouwkundige was. Hij haalde zijn afbeeldingen vooral uit de befaamde werken van de architecten Vincenzo Scamozzi (1548-1616), Giacomo Barozzi da Vignola (1507-1573) en Andrea Palladio (1508-1580).
De Universiteitsbibliotheek bezit een tweede boek over dakconstructies: Anweisung zur Zimmermannskunst. Dat bevat minder afbeeldingen dan het boek van Justus Danckertsz, slechts 30 kopergravures. Maar op deze gravures staan veel meer constructies afgebeeld en ze zijn ook puur technisch van aard. De esthetiek speelt, anders dan bij Danckertsz, in dit boek een bijna te verwaarlozen rol. De praktijk van de timmermanstechniek daarentegen spat ervan af!
Anweisung zur Zimmermannskunst - titelpagina
Vindplaats: CBC TFK D 590
Anweisung zur Zimmermannskunst verscheen in 1764 bij de Leipziger drukkers en uitgevers Bernhard Christoph Breitkopf (1695-1777) en diens zoon Johann Breitkopf (1719-1794). Laatstgenoemde zou overigens in 1789, na de dood van zijn vader, de derde druk uitgeven van de Anweisung zur Zimmermannskunst.
Dat dit boek zo technisch van aard is, komt door het beroep van de auteur. Christian Gottlob Reuß (1716-1792) werd geboren in Lampertswalde, Sachsen, 33 km noordelijk van Dresden, in de hypotenusa van de rechthoekige driehoek Dresden, Leipzig, Berlijn, drie steden die een belangrijke rol zouden spelen in het leven van de volwassen Christian. Vader Andreas Reuß, Hofzimmermeister van keurvorst Friedrich August II (1696-1763), bracht zijn zoon de kneepjes van het timmermansvak bij. Na die leertijd vergrootte de jonge Reuß zijn kennis op autodidactische wijze, in het bijzonder op het vlak van de wiskunde. Uiteindelijk werd ook de zoon Hofzimmermeister van de Saksische keurvorst.
Reuß werd geprezen om de bruggen die hij bouwde of waar hij aan meewerkte. Zo bouwde hij in 1764 de fraaie pijler van de Meißner Elbbrücke. In datzelfde jaar verscheen zijn befaamde handleiding voor timmerlieden: Anweisung zur Zimmermannskunst, den Anfängern und Liebhabern der Baukunst, besonders den Zimmerleuten, zum Besten aufgesetzt, und mit nöthigen Kupfern ... Leipzig, verlegts Bernhard Christoph Breitkopf und Sohn, 1764.
Reuß heeft zijn boek opgedragen aan Julius Heinrich Schwarze (1706-1775), schepper van de Rococostijl in Dresden en Oberlandbaumeister van de keurvorst. De opdracht is gedagtekend 16 augustus 1763, waaruit geconcludeerd kan worden dat Reuß zijn manuscript en de gravures kort voor augustus 1763 moet hebben ingeleverd bij drukker Breitkopf.
In zijn Inleiding schrijft Reuß dat de timmermanskunst altijd een belangrijk aspect is geweest van de bouwkunst. Hij merkt op dat weliswaar ook in eerdere boeken over de bouwkunst aandacht werd besteed aan dit vakgebied, maar dat het dan slechts ging om een gering aantal bladzijden. Wat er werd geschreven was wel niet onbelangrijk, maar veel klopte er volgens hem niet en de bouwmeesters liepen vervolgens tegen problemen aan die zij dan tijdens de bouw maar moesten oplossen. Aan de afbeeldingen uit die boeken heeft men volgens Reuß ook niet veel, omdat de beginnende timmerman niet wijs werd uit de vele lijnen en cirkels op die afbeeldingen.
Dat allemaal was voor Reuß de reden om zijn handleiding voor timmerlieden te schrijven. Het is dan ook vooral een boek voor de praktijk: alles wat Reuß beschrijft, is in werkelijkheid ook verschillende keren succesvol door hemzelf uitgevoerd. Daarnaast hanteert de auteur een schrijfwijze en een manier van afbeelden die door iedereen eenvoudig begrepen kan worden! En ook al is zijn boek niet omvangrijk, aldus de auteur zelf, toch staat er alles in wat nodig is in de bouw. Interessant is dat Reuß wijst op het gebruik van verduidelijkingen die in de marges zijn gedrukt!
De ordening van het boek, schrijft Reuß, is van makkelijk naar moeilijk. Achtereenvolgens worden de volgende vakonderdelen behandeld: de proporties van verschillende soorten daken, houtverbindingen in bruggen, dakconstructies, torens en gewelven.
Anweisung etc. - Bruggen

Anweisung etc. - Dakconstructie
Anweisung etc. - Torens




Anweisung etc. - Gewelven
Over de vakwerkbrug in gravure nr. XXVI, was Reuß van mening dat zijn "Brücke wurde genugsam im stande seyn die schweresten lasten zu tragen" (p.49, r.29-30).
Het boek, dat voorheen in het bezit was van het kapucijnenklooster in Velp, is gebonden in een ‘burgemeestersband’: lichtrode schaapsleren rug met lichtrood kammarmer sierpapier over de platten. Voor een praktijkboek verkeert het in opmerkelijk goede staat.

Anweisung etc. - Boekband
Christian Gottlob Reuß hield zich overigens met veel méér bezig dan met bruggen en daken. Zo bouwde hij in Dresden het zogeheten 'kleine Opernhaus' en was hij in 1783 bezig met de renovatie en uitbreiding van de 'grote' Opera van Dresden. Reuß was ook betrokken bij de technische inrichting van het Morettitheater in Dresden, gebouwd door de hierboven genoemde Julius Schwarze. Het Morettitheater werd in 1841 gesloopt. In de Redoutensaal van de grote Opera in Dresden installeerde Reuß in 1782 de podiumtechniek. Ook installeerde hij er de 50 kroonluchters en 4000 lampen. In Leipzig installeerde hij de podiumtechniek in het Komödienhaus (in 1667 gebouwd door Wolf Caspar von Klengel (1630-1691). Reuß was namelijk ook 'Hofmaschinenmeister', oftewel een specialist in de podium- of theatertechniek. Het gaat daarbij om mechanische hulpmiddelen die een theateropvoering mogelijk maken. Zoals het zichtbaar maken van een schip dat voorbij vaart, objecten in het podium laten wegzinken, onweer verbeelden (windmachine, regenmachine en dondermachine), hemelse verschijningen mogelijk maken (Deus ex Machina). In de eenvoudige vorm diende de techniek overigens ook louter om het doek open en dicht te doen of om het decor te laten bewegen. Twee gravures uit de Encyclopédie (Paris, Briasson, 1751-1780) van Diderot en D'Alembert maken duidelijk wat podiumtechniek ten tijde van Reuß vermocht.

Encyclopédie, ou Dictionnaire raisonné des sciences, des arts et des métiers
Vindplaats: TRE R 0043
Encyclopédie etc.
Dat Reuß tot de allergrootsten van de podiumtechniek behoorde, blijkt uit het feit dat hij in 1788 als 'Maschinenmeister' naar Berlijn werd gehaald om de opvoering mogelijk te maken van Medea in Colchide van Johann Gottlieb Naumann (1741-1801). De uitvoering vond plaats op 16 oktober 1788. Voor dat werk ontving Reuß een gouden medaille uit handen van de vorst.
Tot slot is nog vermeldenswaard dat Reuß in 1787 een brandweerwagen bedacht die de brandweermannen bij brand in hoge gebouwen snel op de juiste hoogte kon brengen om daar het vuur te bestrijden of de zich daar bevindende personen te redden.
Christian Gottlob Reuß stierf in oktober 1792 in Dresden.