Over mij

Mijn foto
De Brabant-Collectie is in 1837 in 's-Hertogenbosch opgericht door het Provinciaal Genootschap van Kunsten en Wetenschappen in Noord-Brabant en wordt sinds 1986 beheerd door de bibliotheek van de Universiteit van Tilburg

maandag 23 december 2019

Drukproeven van ordonnanties over de Bergse jacht

Onder de oude gedrukte werken die de Brabant-Collectie beheert, bevinden zich ook ca. 200 plano's: bedrukte vellen ongevouwen papier, vaak bedoeld voor openbare aankondigingen door de stadsautoriteiten. Drukwerk dat in boekvorm verscheen, bestaat uit de bedrukte vellen papier die, al naar gelang het formaat van het boek, een aantal keren gevouwen werden alvorens ze konden worden ingebonden. Plano drukwerk heeft een zekere zeldzaamheid, aangezien de in de stad opgehangen aankondigen na verloop van tijd weer werden verwijderd en daarna weggegooid. Een van de plano's in de Brabant-Collectie is een ordonnantie van Bergen op Zoom over de jacht. Deze verordening verscheen in 1657 in Den Haag bij drukker Jan Veely (†1688), die werkzaam was in de Gortstraat (de huidige Pieterstraat), in opdracht van Elisabeth zu Zollern, de toenmalige markgravin van Bergen op Zoom: Maria Elisabeth van den Bergh (1613-1671). De achternaam 'zu Zollern' was het gevolg van haar huwelijk met Eitel Frederik van Hohenzollern-Hechingen (1601-1661). Het Markiezaat van Bergen op Zoom heeft bestaan van 1533 tot 1795 en besloeg een gebied van ruim 600 km², met de Schelde als westelijke grens, de Baronie van Breda als de oostelijke grens, het markgraafschap Antwerpen als grens in het zuiden en de stad Steenbergen als grens in het noorden.

Het Markiezaat van Bergen op Zoom (Atlas van Blaeu, dl. 3,1664)
Vindplaats: TF PRE 02
Toestemming voor de publicatie kwam van de Raad van State die zetelde in een vleugel van het Binnenhof in Den Haag. Dat een ordonnantie voor het Markiezaat van Bergen op Zoom 80 km noordelijker in Den Haag werd gedrukt, is dus niet zo vreemd. Dat markiezin Elisabeth het nodig achtte de regels voor de jacht in haar Markiezaat duidelijk onder de aandacht van haar onderdanen te brengen, kwam omdat er de laatste tijd tijdens de jacht 'veele ende menighvuldige ongeregeltheden' hadden plaats gevonden.

Ordonnantie op de jacht (detail), Den Haag 1657
Vindplaats: KOD 030 A  273
Daar moest, vond de markiezin, met 49 artikelen paal en perk aan worden gesteld. Het betrof de jacht op 'grof wildt, hasen, conijnen, vesanen [i.e. fazanten], patrisen, corhoenderen of ander loopent of vliegent wilt', en als de jacht werd uitgevoerd met honden of haviken of andersoortige jachtvogels. De hoogte van de boetes voor overtreders logen er niet om: niet alleen tien gouden realen per overtreding, maar bovendien tien gouden realen voor elk gevangen of geschoten stuk grof wild. Voor gevangen of geschoten vogels moest de onverlaat vijf gouden realen ophoesten. De boetes moeten een forse financiële aderlating zijn geweest voor elke overtreder van de jachtregels en men zou dus licht denken dat de bewoners van het Markiezaat van Bergen op Zoom het wel uit hun hoofd zouden laten nog illegaal op jacht te gaan. Maar 83 jaar later voelde de toenmalige markiezin zich genoodzaakt de jachtartikelen toch maar weer duidelijk onder de aandacht van haar onderdanen te brengen. En zo verscheen in 1720 een van 50 artikelen voorziene plano uit de drukkerij van Paulus (1664-1748) en diens zoon Isaac Scheltus (1691-1749). Beiden 'landsdrukker' voor het Hof van Holland en aangesteld door de Staten-Generaal. Zij vormden eigenlijk de in 1795 gevestigde Landsdrukkerij, maar die droeg tot die tijd de naam van het lid van de familie Scheltus met toevoeging van de functie: 'ordinaris 's landts drukker'. De drukkerij was gevestigd aan de zuidzijde van het Binnenhof.

Ordonnantie op de jacht (detail), Den Haag 1720
Vindplaats: KOD 030 A 262
Markiezin van Bergen op Zoom was toentertijd Maria Henriette de La Tour d'Auvergne (1708-1728), die in 1720 twaalf was en dus nog te jong, waardoor de verordening ondertekend is door haar beide voogden Henri-Oswald de La Tour d'Auvergne (1671-1747) en Frederic Constantin de La Tour d'Auvergne-Bouillon (1682-1732). De ordonnantie werd gepubliceerd met toestemming van de Raad van Brabant, in de periode van 1591 tot 1795 het hoogste rechtscollege voor Noord-Brabant, zetelend in Den Haag.
In de Short-title Catalogue of the Netherlands (STCN) komen deze ordonnantiën slechts één keer voor, namelijk de onderhavige exemplaren uit de Brabant-Collectie. Dat beide edities van deze plano's bewaard zijn gebleven, is al tamelijk bijzonder. Maar dat van beide ordonnantiën ook de drukproeven bewaard zijn gebleven én ook nog in de Brabant-Collectie, mag wel heel uitzonderlijk genoemd worden. Drukproeven zijn immers materiaal dat na de correcties sowieso weggegooid wordt. Dat ze gelukkig bewaard zijn gebleven en in zeer goede staat verkeren, is uiterst belangrijk voor de geschiedenis van de boekdrukkunst. Hoe zagen drukproeven er uit, vóór 1800? Welke correctietekens gebruikte men? Komen de aangeven correcties overeen met het gecorrigeerde drukwerk? Maar het roept ook de vraag op, bijvoorbeeld, waarom deze drukproeven niet zijn weggegooid - na de correctie hadden ze immers geen nut meer - en waarom ze bij de gecorrigeerde versie bewaard zijn gebleven en hoe ze in Brabant terecht zijn gekomen? De drukproeven zouden toch, logischerwijs, in de drukkerij in Den Haag moeten zijn gebleven. Of werd de drukproef naar Bergen op Zoom gebracht om ter plekke door de autoriteiten zelf gecorrigeerd te worden? Maar de drukproeven zouden ook in dat geval weer naar Den Haag zijn teruggebracht, anders kon de drukker de correcties immers niet doorvoeren. Overigens zou correctie in Bergen op Zoom wel kunnen verklaren waarom de fout in de achternaam Schelus (in plaats van Scheltus) niet is gecorrigeerd in de drukproef maar wel in de gecorrigeerde versie. Voor Bergen op Zoom was het natuurlijk belangrijker dat de artikelen juridisch gezien foutloos waren, de naam van de drukker was in dat opzicht van weinig of geen belang. Behalve de fout in de achternaam, was op de drukproef overigens ook het foutieve jaar van uitgave ongecorrigeerd: 1620 in plaats van 1720. In de uiteindelijke versie is het jaartal wel gecorrigeerd.

Proefdruk van de editie 1620 [= 1720]
Vindplaats: KOD 030 A 262
Gecorrigeerde druk van de editie 1720. Let op de E met dezelfde beschadiging.
Vindplaats: KOD 030 A 259
Interessant is ook de manier waarop de correcties op de drukproeven zijn aangegeven.

Correctie op de drukproef van 1657
Vindplaats: KOD 030 A 272
Correctie op de drukproef van 1720
Vindplaats: KOD 030 A 259
Ook leuk om te vergelijken: de verschillen in de tekst van de artikelen tussen 1657 en 1720.
In 1657 is sprake van 49 artikelen, in 1720 zijn het er 50. In 1720 is namelijk een extra artikel (art. 47) opgenomen over de 'warande' of 'wildbanen' van leenheren en vazallen. Verder is de nummering van de artikelen in 1657 in de moderne romein gezet, terwijl de nummering in 1720 gezet is in de ouderwetse Gotische cijfers. Verder zijn, in enkele voorbeelden, de volgende verschillen te zien:
Spelling: veir (1657) / veer (1720), art. 3, Conijnen (1657) / Konynen (1720), art. 14, Placcate (1657) / Placate (1720), art. 41, moghen (1657) / mogen (1720), art. 12.
Hoofdlettergebruik midden in de zin: Jagen (1657) / jagen (1720) art.2, sneeuw (1657) / Sneeuw (1720), art. 11.
Kommagebruik: Eerst, dat een ygelick (1657) / Eerst dat een yegelijck (1720), art. 1, Geauthoriseerde, ende Pachters (1657) / Geauthoriseerde en Pachters (1720), art. 41.
Formuleringen: vanden eersten Maert tot den eersten of twintigsten der Oogstmaent (1657) / van den 15. Januarii tot den eersten September (1720), art. 24.
Tenslotte: de vier ordonnantiën meten ca. 95 x 53 cm. Dat is veel te groot voor één plano vel, en dat komt omdat de drukker de tekst op twee plano's van elk 53 x 43 cm (zogeheten ‘medium’ formaat) heeft gedrukt, waarna hij ze aan elkaar heeft geplakt. We weten daardoor dat de firma Scheltus beschikte over vellen papier van ca. 53 x ca. 43 cm. Een niet afgesneden foliant (1x gevouwen, in-2), bijvoorbeeld een forse Bijbel, zou dan bladzijden hebben van 43 x 26 cm.

Al met al, in vele facetten, een buitengewoon belangrijk stukje uitzonderlijk en zeldzaam drukwerk in de Brabant-Collectie.

maandag 9 december 2019

Vincent was onze broer

Afgelopen september verscheen een op historische feiten gebaseerde roman van Els Knoope over de drie zussen Anna, Lies en Wil van Gogh. Het boek beschrijft de periode vanaf de tijd dat de zussen met hun ouders in 1871 van Zundert naar Helvoirt verhuisden (Vincent woonde toen in Den Haag en werkte bij een kunsthandel). De roman gaat over het leven van de zussen, hun opleidingen, banen, relaties en verhoudingen binnen de familie. Het boek geeft een goed tijdsbeeld van de periode 1871-1941. Een tijd waarin talrijke uitvindingen het levenslicht zagen, maar ook een tijd van verschillende oorlogen. In het boek staan diverse krantenartikelen, foto's en fragmenten uit brieven die de zussen onderling schreven en met Vincent en Theo. Het boek begint met een fragment uit een brief (augustus 1881) van Vincent aan Theo: 'Ik wenschte wel dat alle menschen hadden, wat ik zoo langzamerhand begin te krijgen, het vermogen om een boek zonder moeite, in korten tijd te lezen, en er een sterken indruk van te behouden. Het is met het boeken lezen als met het schilderijen zien, men moet zonder twijfelen, zonder aarzelen, zeker van zijn zaak zijn, mooi vinden wat mooi is'.
Informatie over de totstandkoming van het boek staat op de website van de auteur.
Vindplaats: CBM 973 C 52

donderdag 5 december 2019

Kerstmis in boeken en schoolplaten

In de mini-expositie tonen we dit maal 39 boeken en drie educatieve wandplaten waarin Kerstmis en de kersttijd centraal staan. De selectie boeken is in te delen in twee categorieën. Allereerst zijn er boeken waarin verhaald wordt over de geboorte van Jezus Christus. Uitgangspunt hierbij is dát bijbelfragment dat begint met de boodschap van de engel Gabriël aan Maria over de komst van Jezus en eindigt met de aanbidding door de drie koningen. Het betreft steeds geparafraseerde en verder uitgebouwde versies van de oorspronkelijke bijbeltekst. Ze nodigen uit tot (voor)lezen en zo komt het verhaal dichter bij de lezer. Dit wordt ook bereikt door de vaak veelvuldig aanwezige illustraties, waarin de diverse scènes direct te herkennen zijn. Onzegbaar veel kunstenaars hebben zich door deze episodes uit het Nieuwe Testament laten inspireren.


C. Jacobs, en G. Horreüs de Haas, De ster van Bethlehem: een bundel kerstverhalen
Assen: Van Gorcum, 1949
CBM TF A 13684
Daarnaast zijn er de boeken waarin het nadrukkelijk om de sfeer van de kersttijd te doen is. Hierbij moet worden gedacht aan verhalen die zich afspelen in de (vaak koude) winter, waarbij een warme, huiselijke sfeer vaak een belangrijke factor is of belangrijke personages gedurende het verhaal een positieve metamorfose ondergaan. Als representant van deze tweede categorie is een aantal werken van Charles Dickens (1812-1870) aan te wijzen. Het beroemdste voorbeeld is waarschijnlijk A Christmas Carol, origineel verschenen in 1843. Hierin komt de vrek Ebenezer Scrooge in de kerstperiode tot het inzicht dat het niet alleen maar om geld gaat, dat minderbedeelden geholpen moeten worden en dat gezelligheid en gastvrijheid tijdens kerstmis een groot goed zijn.

C. Dickens en A. Rackham, A Christmas Carol
Londen: Heinemann; Philadelphia: Lippincott, 1915
CBM 609 B 02
In de selectie boeken zijn vooral Brabantse of in Brabant woonachtige auteurs opgenomen. Meest bekend bij de huidige generatie is Paul van Loon (1955). Hij vertegenwoordigt de kinder- en jeugdliteratuur met een boek over de kerstboom. Antoon Coolen (1897-1961) schreef vóór de Tweede Wereldoorlog meerdere kerstverhalen die zich afspelen in Noord-Brabant. Net als andere werken van zijn hand werden ook deze verhalen al vroeg in diverse talen vertaald. Coolen had zich bij het schrijven van verhalen laten inspireren door de Vlaamse auteur Stijn Streuvels (1871-1969). Diens boeken met kerstverhalen zijn ook geselecteerd, mede vanwege de boekband. Johan Biemans (1933) is vooral schrijver en verteller van Brabantse volksverhalen. Zijn Kerstmis in Brabant is geheel in dichtvorm gesteld.
A. Coolen, Kerstmis in De Kempen
Rotterdam: Nijgh & Van Ditmar, 1946
CBM 484 F 27

A. Coolen et al., Kerstvertellingen : een vijftal sagen
Rotterdam: Nijgh & Van Ditmar, 1935 
CBM 628 B 04
S.Streuvels, Kerstvertelsel
Mechelen: Het Kompas, 19xx
CBM 627 H 15
J. Biemans en J. Willems, Kerstmis in Brabant
Bergeijk: Apicultor, 2006
CBM 697 E 20

In deze presentatie kan slechts een klein deel van de werken met het trefwoord ‘kerstmis’ worden getoond, maar de selectie illustreert wel een aantal belangrijke verzamelgebieden en deelcollecties van de afdeling Bijzondere Collecties van Tilburg Library en de Brabant-Collectie, namelijk: de collectie van het Grootseminarie van Haaren (sinds 1972 in Tilburg) en de kloostercollectie van de minderbroeders Kapucijnen (2006), de Charles Dickenscollectie van auteur en groot Dickenskenner Godfried Bomans (1981), het verzamelgebied kinderboeken en de collectie van het Provinciaal Genootschap van Kunsten en Wetenschappen, de oorsprong van de Brabant-Collectie.

De mini-expositie is t/m vrijdag 31 januari 2020 te zien in de vitrine op niveau 0 van de universiteitsbibliotheek.

maandag 25 november 2019

Tijdschrift: Aa-Kroniek

De Heemkundekring Budel en Cranendonck startte eind 1982 met een heus 0-nummer van de Aa-kroniek. Bij het alfabetiseren van tijdschriften kom je niet veel ‘vroegere’ titels tegen. Maar het was bij de naamgeving om het riviertje Aa te doen, dat ‘het heemgebied Budel-Soerendonk-Maarheeze verbindt en ook scheidt’, zo wordt in dat eerste nummer toegelicht. Iedereen wordt uitgenodigd bijdragen in te sturen. Er wordt bij vermeld: ‘Het is echt niet nodig dat alles historisch verantwoord is, integendeel: vraagtekens plaatsen nodigt uit tot het schrijven van artikelen die een antwoord op probleemstellingen kan geven’. Er kan worden gesteld dat de oproep geslaagd is te noemen. Volgend jaar, in 2020, beleven we de veertigste jaargang van het heemkundeblad van ‘De Baronie van Cranendonck’, want zo heet de kring sinds 2003. Budel, Budel-Dorplein, Budel-Schoot, Gastel, Maarheeze en Soerendonk vormen nu het geografisch kader van vereniging en tijdschrift. Opmerkelijk is dat Jac Biemans er vanaf het allereerste nummer aan verbonden is, als redactielid, maar ook als auteur. Het periodiek verschijnt vier keer per jaar en het op A5-formaat vormgegeven blad is altijd rijk gevuld.

Er verschijnen artikelen van uiteenlopende aard, vaak van een serieuze omvang. Regelmatig is het zo dat een artikel over meerdere nummers moet worden uitgesmeerd. Of het nou over de kerk van Maarheeze, de postgeschiedenis van Budel of het verenigingsleven in Soerendonk gaat, in elk artikel wordt het onderwerp van vele kanten belicht. Over de meer recente onderwerpen gebeurt dit vaak aan de hand van interviews. Ook na zoveel jaren zijn er nog nieuwe onderwerpen die voor het eerst en zo uitgebreid aandacht krijgen. 

Zo werd in het derde nummer van 2019 Florian Thirion aan de lezers voorgesteld. Hij was lid van één van de Waalse families die voor hun boterham naar Budel verhuisden en daar werkzaam waren in de zinkfabriek van Dorplein. Een andere bijdrage (onderdeel van een reeks) kun je lezen als de biografie van een straat. Al wandelend door de Grootschoterweg kom je meer te weten over de aldaar gelegen huizen en de levenswandel van hun bewoners. In de geschiedenis van een parochie(kerk) kunnen we, mede aan de hand van biografieën van de opeenvolgende pastoor, goed volgen hoe de ontwikkeling van de geloofsgemeenschap ter plekke tussen 1819 en 2019 is verlopen. In het herdenkingsjaar 2019 is vanzelfsprekend ook in de Aa-kroniek aandacht voor de lokale verhalen, in dit geval over de Britse piloot Andrew Robinson die op 27 januari 1943 met zijn vliegtuig bij Maarheeze is gecrasht en bij de familie Koenraadt werd opgevangen. Dat het verenigingsleven een rijke geschiedenis kent, maar helaas niet altijd een happy end, wordt in het artikel over schietvereniging ‘De Vrije Hand’ uit de doeken gedaan. 

De Aa-kroniek is aanwezig en raadpleegbaar op niveau 0 van de universiteitsbibliotheek.
Vindplaats: T 07422

maandag 11 november 2019

Boerenverhuizing in oorlogstijd

11 november 1941: het is een grauwe oorlogsdag, deze Sint-Maarten. Maar ook een dag waarop een bonte stoet van Goirle naar Esbeek trekt. Boer Harrie Oerlemans, zijn vrouw Leida Oerlemans-Harbers, hun kinderen, de huisraad én de complete veestapel (inclusief mestvoorraad en veevoeder) verhuizen met de hulp van hun nieuwe buurtbewoners naar Esbeek. Om precies te zijn naar de Poorthoeve op de oude heerlijkheid ThuldenHier had levensverzekeringsmaatschappij De Utrecht enige jaren daarvoor een uitgestrekt gebied met heide, bos en moeras ontgonnen tot Landgoed De Utrecht.
Het gebeuren haalt de landelijke pers: op zondag 16 november 1941 staat een uitgebreid verslag van een Bossche correspondent in De Telegraaf, op zaterdag 29 november wordt hetzelfde relaas in een kopblad van deze krant, De Courant. Het nieuws van den Daggepubliceerd. Fotopersbureau Het Zuiden maakte een beeldverslag en een aantal van deze foto's bevindt zich in onze collectie.

In alle vroegte reizen op de dag van de 'overtrek' de buurtbewoners met paard en wagen van Esbeek naar boerderij Sint Jacob, gelegen onder Goirle: een tocht van drie uur. De wagens zijn versierd en de boeren en boerinnen dragen hun traditionele Brabantse klederdracht: de mannen in blauwe kiel en met een papieren roos op een zijden pet, de vrouwen in schort en omslagdoek en getooid met Brabantse muts. Direct wordt begonnen met het inladen van huisraad en gereedschap en het opladen van de wagens.
Fotopersbureau het Zuiden
Vindplaats: ML / 215 (3)
Na het inladen krijgen de verhuizers in de oude boerderij van Oerlemans een stevige maaltijd voorgezet.
Fotopersbureau Het Zuiden
Vindplaats: ML / 215 (6) (bis)
Een lange stoet trekt al zingend door de straten en over het platteland. Vooraan lopen de boerenmeisjes met het vee, gevolgd door de wagens met huisraad en hooi. Hoogtepunt is de schòòn kéér. Deze feestelijke versierde wagen met daarop het boerengezin wordt geleid door de meest nabije buurman. Op de wagen zijn in goud de initialen aangebracht van het boerenpaar. 
Fotopersbureau Het Zuiden
Vindplaats: ML / 215 (9)
Onderweg wordt als er een café in zicht is "den dam eronder gezet" om een drankje te nemen. Een steun wordt onder de wagens gezet, de paarden krijgen even rust en worden gelaafd en gevoerd. Mogelijk is onderstaande foto gemaakt bij Herberg Den Hemel in Hilvarenbeek.
Fotopersbureau Het Zuiden
Vindplaats: ML / 215 (8) (bis)
Aangekomen op de grens van het buurtschap is het tijd voor "de zoete inkomst". Het boerenpaar wordt hartelijk welkom geheten en gewezen op de rechten en plichten binnen het buurtschap. Dit wordt bezegeld met een zoete drank, opgediend uit een antieke anijskom door twee buurvrouwen.
Fotopersbureau Het Zuiden
Vindplaats: ML / 215 (14)
Gedurende de verhuizing hebben de boerenmeisjes continu een feestelijk versierde kroon bewaakt. De mannen zijn er namelijk op uit deze kroon te roven en als ze dat lukt, verdienen ze een halve liter jenever. Op onderstaande foto wordt de kroon uitgedragen en getoond. 
Fotopersbureau Het Zuiden
Vindplaats: ML / 215 (11)
Het echtpaar Oerlemans-Harbers betrekt de nieuwe boerderij en hangt de kroon in de woonkamer onder de schouw. Deze blijft daar hangen tot een nieuwe buur op het buurtschap komt wonen.
Fotopersbureau Het Zuiden
Vindplaats: ML / 215 (12)
Bijzonder is dat deze verhuizing met zoveel pracht en praal werd uitgevoerd, zeker in de oorlogsjaren. Volgens bovengenoemd krantenartikel is dit mede te danken aan de heren van Landgoed De Utrecht die een feestelijk tintje aan deze overtrek hebben willen geven.

En hoe zit het met de boerenovertrek in de 21e eeuw? Dat het nu niet meer gaat om verhuizen moge duidelijk zijn. Rijdend in een boerenhuifkar, al dan niet verkleed in boerentenue, gezellig samenzijn, eten en drinken, dat is waar het nu om draait.

donderdag 31 oktober 2019

Over de poffer en de pet als nostalgie-instrumenten

In het kader van de Maand van de Geschiedenis met het thema Zij/Hij heeft de Brabant-Collectie een mini-expositie samengesteld over typerende Brabantse hoofddeksels.
Wie een nostalgische foto over Noord-Brabant zoekt, komt al snel bij een vrouw met een poffer uit. Wie er een man bij zoekt, vindt er het liefst een met geruite pet. De poffer is klederdracht, die volledig is verdwenen uit het straatbeeld, maar voor de geruite pet geldt dat niet. Die is als retro-mode teruggekeerd onder mannen én vrouwen.
Het zijn verschillende fenomenen: klederdracht en mode. Volgens de cultuurhistoriscus Gerard Rooijakkers was klederdracht in het verleden in het spraakgebruik voor sommigen zoiets als het tegendeel van mode. In het sociale verkeer was klederdracht vooral iets van dorpen en het platteland, minder van de stad.
Fotograaf onbekend
© Gaston Remery | Brabant-Collectie, Tilburg University

Fotograaf onbekend [Henri Berssenbrugge?]
De poffer
Volgens Rooijakkers kan een regionale mode overgaan in regionale dracht. Dan wordt een tijdelijke trend een vast kenmerk en wordt deze als het ware vastgelegd, versteend en tot symbool gemaakt. Dit is in de negentiende eeuw gebeurd met de Brabantse poffer. Een poffer is een witte kunstmatige bloemenkrans als hoofdbedekking met een soort hoefijzervorm en daaraan bevestigde linten. De bloemetjes lijken veelal op vergeet-me-nietjes, rozen en wasbloempjes. Het woord poffer zou etymologisch in verband staan met ‘oppoffen’, zichzelf groter maken, zoals ook het geval is bij pofmouwen.


Fotograaf onbekend
Fotograaf onbekend
Er bestonden verschillende varianten van de poffer, die met name voorkwam in De Meierij en in Oost-Brabant. Daar was deze aanvankelijk populair onder gegoede, gehuwde vrouwen. Poffers waren niet voor iedereen weggelegd; ze kostten zeker 35 gulden, een aanzienlijke som aan het begin van de twintigste eeuw.
© Tinus Swinkels | Erven Tinus Swinkels. Brabant-Collectie, Tilburg University
Na 1900 werden de poffers groter, breder, bijna kolossaal. De poffer werd op zondag gedragen, door de week droeg men een kleinere witte muts. Na de Tweede Wereldoorlog verdween de poffer, omdat deze onhandig en niet modieus zou zijn. Fietsen met een poffer was in verband met de wind bijvoorbeeld redelijk problematisch.
Fotograaf onbekend
Foto’s van vrouwen met poffers representeren het Noord-Brabant van vroeger, een niet in jaartallen gevat verleden. Ze staan voor ‘Brabantsheid’ en voor een tijd waarin een andere mentaliteit heerste. Wanneer dergelijke foto’s bij elkaar worden geplaatst in een boek of in een tentoonstelling, wordt actief nostalgie geconstrueerd. De poffer is dan zowel een symbool van ‘vroeger’ als van de Brabantse identiteit. In Brabantse streekmusea toont men graag poffers en verder zijn ze nog te zien bij folkloristische evenementen, denk aan carnavaleske boerenbruiloften. Er zijn echter geen plaatsen waar hedendaagse toeristen vrouwen kunnen bewonderen die zich in het dagelijks leven met poffers tooien.

De pet en het petje
De mannenpet werd veel gedragen in Brabant, maar is minder specifiek met de provincie verbonden dan de poffer. Wie op Google Images ‘geruite pet’ intypt, vindt vele bedrijven die deze als commercieel product leveren. Soms als feestartikel, soms als meer serieuze mode, maar wel met een knipoog naar het verleden.
Waar de geruite pet een vorm van retro-mode is die mensen een identiteit biedt van ‘net even anders’, geldt dit niet voor het moderne petje, een internationaal fenomeen. Dergelijke petjes worden door mannen gedragen, soms omgekeerd op het hoofd geplaatst, een vorm van trendgevoelige imitatie. Wie een petje verkeerd om draagt, meent uit de drukken dat hij dwars en trendy is, terwijl er in werkelijkheid sprake is van niet-originele nabootsing. Als iedereen dwars is, is niemand het meer.
Fotograaf onbekend
Fotograaf onbekend
© Gaston Remery | Brabant-Collectie, Tilburg University

De pet als retro-look
(© Thomas Ulrich via pixabay.com)

Het petje als eigentijdse uiting
(© Jo Zef Mrkwa via pixabay.com)

Het petje als politiek instrument
(© commons.wikimedia.org)
Representeert de poffer vooral Noord-Brabant, het petje is internationaal en voor alle leeftijden en klassen, maar eerder voor mannen dan voor vrouwen. Sommige waarnemers associëren het petje met iemand als Donald Trump, die in zijn presidentscampagne volkse mannelijkheid wilde uitdragen, een nostalgisch verlangen naar een tijd dat er andere morele waarden zouden hebben bestaan.

De retro-pet is dan weer bedoeld als life-style element dat mensen niet ‘standaard’ laat ogen, maar wel eigentijds, juist door aan het verleden te refereren. Dergelijke petten zijn onderdeel van de retrostijl die we niet alleen in de mode zien, maar ook in de muziekvideoclips, de film en in design.

Zo staan poffer, retro-pet en het Trump-petje elk voor een omgang met een variant van nostalgie.

‘Boerinneke, boerinneke
Och, wees toch geen zottinneke
Dat gij den poffer ooit weg doet
Voor een of andren prullenhoed
Op jouw boerinnensnoetje
Past poffer en geen hoedje’

‘gij, boerinneke, frank en vrij
Gij loopt met malsche schrede,
Och laat de stadsmode toch staan
En doe nooit met haar mede!’

Passages uit een gedicht met de titel ‘Ode aan de Noord-Brabantsche Poffermuts’ uit het blad Zuid-Willemsvaart uit 1923.

Bronnen
  • H. van den Broek, ‘De poffer’, in: D’n Uytenbeyndel 47 (voorjaar 2001) 3-13.
  • A. Diebels-Bartels, ‘Van sluier tot poffer’, in: Rosmalia 1 (1990-1991), no.2, april 1991, 10-12.
  • G. Rooijakkers, De poffer. Vrouwentooi in Brabant, Alphen aan de Maas, 2010.
  • ‘De Brabantse poffer’ in:  D’n Effer,  jaargang 12, nr.1 (Oktober 1998) , 8-12.
  • https://nl.wikipedia.org/wiki/Poffer

maandag 21 oktober 2019

Surinaamse jeugdromans van C. Butner

Het blijft, hoe je het ook bekijkt, een beetje merkwaardig dat er tot voor kort geen enkel boek van C. Butner in de collecties van de Tilburgse universiteitsbibliotheek en de Brabant-Collectie aanwezig was. Per slot van rekening is Butner in Brabant geboren en is hij de auteur geweest van een fors aantal jeugdboeken. Men zou verwachten dat daar toch minstens één exemplaar van terug te vinden zou zijn in, bijvoorbeeld, de seminariecollecties. Deze opmerkelijke leemte is kortgeleden gevuld door een schenking aan de Brabant-Collectie van zeven jeugdromans van Butner. De geschonken romans, bedoeld voor de jeugd van 10-14 jaar, zijn gesitueerd in het Suriname van de jaren vijftig en zestig van de vorige eeuw en vormen twee series: de Oerwoud Serie en de Harry en Josua Serie, die beide bestaan uit zes romans.
C. Butner: Goud in het slangenbos
C. Butner: Sporen door 't moeras
De boeken van Butner bevatten spannende verhalen die zich vaak afspelen in het machtige Surinaamse regenwoud en in de prachtige savanne, met titels als Naar de Oelemari, Sittigon, Noodlanding in de groene hel, Aan de rand van het Surinaamse oerwoud en Passagiers voor het oerwoud. Butners jeugdboeken werden in de periode 1956-1969 uitgegeven in Den Haag door G.B. van Goor en zonen. Deze, in de 19e eeuw opgerichte uitgeverij, was gespecialiseerd in het publiceren van jeugdboeken. De prachtige boekbanden, gelukkig soms zelfs nog met de stofomslagen, zijn aanvankelijk ontworpen door Jan Korver en later door Tilly Dalton (*1916).

C. Butner: Naar de Oelemari
C. Butner: Sittigon
C. Butner: Noodlanding in de groene hel
Over de Bredase schrijver C. Butner (1914-1987) is in de handboeken weinig of niets te vinden. Speurwerk leverde het volgende biografische resultaat. De familie Butner is oorspronkelijk afkomstig uit Dordrecht. Oervader Johannes Adrianus Butner werd er geboren in 1808. De grootvader van de jeugdboekenschrijver, Adrianus Butner, kwam ook in Dordrecht ter wereld. Hij studeerde geneeskunde en verhuisde naar Vlissingen. Adrianus Butner werd arts bij de Geneeskundige Dienst van het leger, kwam bij de KMA terecht en verhuisde daarvoor naar Breda. Hij behaalde uiteindelijk de rang van generaal-majoor. De plaatselijke kranten staan vol met rechtbankverslagen waarin dokter Butner uitsluitsel geeft over de doodsoorzaak bij Brabantse moorden. In 1882 wordt zoon Jacob Willem Butner geboren, die de vader van de schrijver zou worden. Ook Jacob Willem ging het leger in. Hij werd 1e luitenant der cavalerie en trouwde op 9 september 1907 met de Haagse Marie Antoinette Jeanne van Hemert. Het paar vestigde zich aan de Baronielaan 171 in Teteringen, een voormalig kerkdorp in de gemeente Breda. Daar werd hun zoon Constant Butner geboren, op vrijdag 31 juli 1914 om 11:56u, vernoemd naar de broer van zijn moeder.
In augustus 1921 vertrok het jonge gezin, vader, moeder en vier kinderen, met het SS Kawi naar Nederlands-Indië. Daar werd de inmiddels tot kapitein bevorderde Jacob Willem leraar wiskunde aan de in 1877 opgerichte HBS van Semarang. Het gezin keerde in 1928 terug naar Breda. Drie jaar later, op 25 oktober 1931, overleed majoor Jacob Willem Butner aan een bloedvergiftiging. Hij werd begraven op begraafplaats Zuylen aan de Tuinzigtlaan in Breda.
Constant Butner bezocht de Rijkstuinbouwschool in Boskoop. In het Gedenkboek der Rijkstuinbouwschool te Boskoop: 40 jaar, 1898-1938 staat Constant Butner als nr. 116 op de “Lijst van oud-leerlingen”. Daaruit blijkt dat hij in 1935 afstudeerde als tuinarchitect en bloemist en vervolgens naar Johannesburg in Zuid-Afrika is vertrokken. Vermoedelijk is hij kort na aanvang van Tweede Wereldoorlog naar Londen gereisd, om in dienst te treden als oorlogsvlieger bij de Royal Air Force. De interessante connectie hierbij is ongetwijfeld zijn neef Adriaan Viruly (1905-1986), zoon van de broer van Constants vader en piloot bij de KLM, die in 1941 via Zweden naar Engeland was gegaan.

C. Butner: Aan de rand van het Surinaamse oerwoud
C. Butner: Passagiers voor het oerwoud
Na de oorlog trad Constant Butner in dienst van de firma Bruynzeel. In augustus 1948 vertrok Butner op het SS Cottica met zijn 29-jarige echtgenote Ella Fleming Cracknell en een zoon naar Paramaribo. Het is niet bekend of Ella Cracknell en Constant elkaar in Johannesburg hebben ontmoet of in Londen. De eerste dagen in Suriname verbleef het gezin in pension Nahar aan De Waterkant. Het vaste adres werd Malibatrumstraat 19, op loopafstand van de Sint-Petrus-en-Pauluskathedraal waar de katholieke Constant waarschijnlijk zondags naar de mis ging. Het gezin werd uitgebreid met dochter Penelope Marion en moeder Ella begon in juli 1950 een kapsalon. Voor het dagblad De West schreef Butner sportverslagen. Vermoedelijk keerde het gezin Butner in 1954 terug naar Nederland. Butner stond inmiddels bekend als Suriname-kenner en verzorgde verschillende jeugdprogramma's op de radio, zoals Wonderlijke dieren in Suriname en Nuttige planten in Suriname. Begin jaren vijftig begonnen ook zijn jeugdromans te verschijnen en in 1961 deed hij als Suriname-kenner mee met de VARA TV-quiz Willens en wetens. De Beeldbank van het Nationaal Archief bevat afbeeldingen van Constant Butner als deelnemer aan die quiz: een streng uitziende, pezige man. Hij eindigde als derde en won fl. 333,33. Na 25 jaar, in april 1979, bracht de 65-jarige Butner een bezoek aan Suriname. Hij overleed op 10 december 1987. Dochter Penny overleed in 2001. Zijn vrouw Ella overleefde hem 19 jaar. Zij overleed in december 2010.
De Brabant-Collectie bezit een fors aantal jeugdromans en sinds kort dus ook zeven van de Brabantse auteur C. Butner. Zij vormen daarom een belangrijke aanwinst. Ze geven bovendien een goed beeld van de Nederlandse intellectuele kijk op de kolonie Suriname in de periode 1950-1965. En behalve dat ze nog steeds zeer leesbaar en spannend zijn, verkeren ze gelukkig ook nog in onberispelijke staat.
Deze jeugdromans van Butner zijn raadpleegbaar bij de Brabant-Collectie.

woensdag 9 oktober 2019

Jubileum Hasselts Gemengd Kapelle Koor 1934 -2019

Historische vlag van het koor
Het Hasselts Gemengd Kapelle Koor (HGKK) heeft op zaterdag 28 september jl. zijn 85-jarig jubileum gevierd met een bezoek aan de universiteitsbibliotheek en de Brabant-Collectie. Achtenveertig enthousiaste koorleden verdeeld over drie groepen volgden onderstaand programma.
Eén groep kreeg een rondleiding door de universiteitsbibliotheek. Deze eindigde in de raadpleegruimte waar een aantal werken van Brabantse componisten en andere muziekstukken konden worden ingezien. Materialen uit het eigen koorarchief - een vlag, posters en foto’s - kon men bewonderen in de ruimte achter het informatiepunt.
Koorleden bij de posters
Koorleden bij eigen archiefmateriaal
© Joost de Kort | HGKK
Een tweede groep luisterde naar een presentatie over de geschiedenis, inhoud en gebruiksmogelijkheden van Brabant-Collectie. Tegelijkertijd werd de diversiteit en rijkdom aan bijzondere materialen getoond aan de derde groep. Telkens na ruim een half uur vond er een wissel plaats. Bij de bijzondere materialen lag het accent op muziekgeschiedenis, de geschiedenis van Tilburg en die van de Hasseltse kapel. Naast highlights uit de collectie zagen de koorleden een handschrift met gregoriaanse zang, een antifonarium en diverse huwelijks- en kinderliederen. Bijzonder was de Guidoonse hand in een handschrift van de Theologische Faculteit.
Samengesteld handschrift
Ingebonden in Benedictijnerklooster Sint-Jacob, Luik
TF HS 14
De monnik Guido d’Arezzo (991-1033) is de bedenker ervan. Elk onderdeeltje van de binnenkant van de linkerhand wordt gebruikt om er met de rechterhand de verschillende toonhoogtes op te kunnen aanduiden. Gregoriaanse gezangen konden zo gemakkelijker worden geleerd. Het is de voorloper van onze notenbalk. De leden van het koor zetten de dag feestelijk voort bij een plaatselijke uitbater.

Op een idee gebracht? De Brabant-Collectie verzorgt rondleidingen voor groepen vanaf ca. 8 personen. Nadere informatie vindt u op de webpagina. Aanmelden kan via een e-mail aan: brabant@tilburguniversity.edu.

maandag 30 september 2019

Tijdschrift: Engelbrecht van Nassau

In juni 1982 zag het eerste nummer van Engelbrecht van Nassau het levenslicht en in 2019 is het er nog steeds en loopt de achtendertigste jaargang. Het verschijnt nu als kwartaalblad voor de leden van de erfgoedvereniging met dezelfde naam. De vereniging, opgericht in 1953, onderzoekt het erfgoed van Breda en omgeving en zet zich in om hier belangstelling voor te wekken. Dit gebeurt door middel van het organiseren van tal van activiteiten én het uitgeven van deze periodiek. Ook wil zij zich beijveren voor het behoud van het eigen karakter en de schoonheid van Breda en omgeving. De naamgever werd door zijn huwelijk met Johanna van Polanen de eerste heer van Breda.
Telde de eerste jaargang nog honderd pagina’s, anno nu zijn dat er meer dan tweehonderd; een logisch gevolg van het bloeiend onderzoek naar deze belangrijke stad met haar grootse historie. Het tijdschrift kent een gevarieerd aanbod van onderwerpen over de lange geschiedenis van Breda. Regelmatig wordt de band met het huis van Nassau in artikelen onder de loep genomen. Daarnaast worden randdorpen en stadswijken, wereldlijke en kerkelijke gebouwen, personen en verenigingen, kunst en erfgoed uitgelicht. Natuurlijk krijgen ook nieuw verschenen publicaties over Bredase onderwerpen de nodige aandacht. Een langlopende reeks artikelen gaat over de geschiedenis van (de naamgeving van) straten, van de hand van Gerard Notten. In deze reeks komen veel toponiemen, maar natuurlijk ook historische gebeurtenissen en belangrijke figuren aan bod.
Eén rubriek heeft de tand des tijds doorstaan en verschijnt tot op de dag van vandaag in elk nummer. Het is de ‘Kroniek van Breda’. Terugkijkend op het dan voorbije kwartaal passeert een keur aan Bredase gebeurtenissen de revue. Wanneer je ze allemaal achter elkaar zet, krijg je een mooi beeld van de laatste veertig jaar in Breda.

De redactie van Engelbrecht van Nassau slaagt er elk nummer in gedegen artikelen te publiceren die een wezenlijke bijdrage leveren aan het rijke verleden en heden van Breda. Het tijdschrift kent een oplage van 450 stuks, is rijk geïllustreerd (meest in zwart-wit) en heeft een prettige lay-out. Op de website van de vereniging vindt de geïnteresseerde nog meer van zijn gading over deze actieve erfgoedvereniging.

De jaargangen van Engelbrecht van Nassau zijn raadpleegbaar op niveau 0 van de Universiteitsbibliotheek (vindplaats: T 07408).

maandag 16 september 2019

Hollandse helden in de jaren 60. Het kleurenarchief van Louis van Paridon


Onlangs verscheen een prachtig fotoboek met ‘vergeten’ foto’s van de in de jaren zestig naar Heeswijk verhuisde Amsterdammer Louis van Paridon (1922-2016). Jarenlang lagen de dia’s in een vochtige stal van zijn boerderij in Heeswijk-Dinther. Maar onlangs kwam zijn archief, waarvan men dacht dat het er niet meer was, weer boven water. Duizenden dia’s van bekende Nederlanders uit de jaren zestig, zoals Mies Bouwman, Johan Cruijff, Sjaak Swart, tante Leen, Willeke Alberti en Toon Hermans, lagen keurig gearchiveerd in bruine papieren zakjes in een ladekast. Ook maakte hij veel zwart-wit beelden en later kleurenfoto’s van het dagelijks leven in katholiek Nederland. Deze foto’s leverde hij aan diverse kranten en tijdschriften, waaronder de Volkskrant, de Tijd, de Katholieke Illustratie en het Parool. Het fotoboek Hollandse helden in de jaren 60 geeft een goed tijdsbeeld van deze periode. 
Ook al nam hij deel aan een aantal exposities, voor het grote publiek en de fotohistorici bleef hij een onbekende. Van Paridon stopte eind jaren zestig plotseling met fotograferen. Hij stak zijn tijd in het opknappen van de boerderij die hij begin jaren zestig had gekocht. Waarom hij zo plotseling stopte, is niet duidelijk. Hij trok zich terug in de boerderij in de Brabantse bossen aan de rand van Heeswijk. Hij begon daar met het verzamelen van schilderijen en beeldhouwwerken, samen met zijn vriend en partner Michel Teulings. Ook lag hij regelmatig overhoop met de gemeente over diverse zaken, zoals de ruilverkaveling en de monumentenstatus van zijn boerderij. Pas na Van Paridons dood in 2016 vond Teulings het fotoarchief in de stal. Teulings nam contact op met fotobureau Hollandse Hoogte en dit leidde tot een eerste aanzet van het boek en de herontdekking van de fotograaf.

Vindplaats: BRA Z6 DIJC 2019

maandag 2 september 2019

DVD: Portretten uit De Peel

Tot begin jaren zestig van de vorige eeuw behoorde de Peelregio van Limburg en Noord-Brabant tot een van de dunst bevolkte en minst ontwikkelde delen van Nederland. Het is dan ook nog niet zo lang geleden dat daar complete gezinnen in hutten van takken, graspollen (plaggen) en opeengestapelde turf woonden. Jacques Peeters, fotograaf en gepensioneerd foto-journalist van dagblad De Limburger, was als jonge fotograaf geïntrigeerd door de kleurrijke figuren en situaties die hij er aan trof. Hij legde het vast in een groot aantal zwart-wit foto's. Hij maakte o.a. foto's van kluizenaar Grard Sientje, die opgroeide in een plaggenhut. Peeters' foto's zijn op hun beurt een bron van inspiratie voor filmmaker Wiek Lenssen. Hij ging op zoek naar de gefotografeerde mensen, hun verwanten en nog levende oude bekenden. Het resultaat is een documentaire die een poëtische en filmische benadering geeft van een bijzonder landschap en haar bewoners. Lenssen kreeg een eervolle vermelding op het Limburg Film Festival 2017 in de categorie Beste Lange Film voor Portretten uit De Peel.

De dvd is te bekijken op de raadpleegpc's op niveau 0 van de Universiteitsbibliotheek.
Vindplaats: BENG DVD PORT 2017