Over mij

Mijn foto
De Brabant-Collectie is in 1837 in 's-Hertogenbosch opgericht door het Provinciaal Genootschap van Kunsten en Wetenschappen in Noord-Brabant en wordt sinds 1986 beheerd door de bibliotheek van Tilburg University

dinsdag 11 juli 2023

Molens in Noord-Brabant

Voor het juninummer van het tijdschrift In Brabant doken Jeroen Arts, Arnoud-Jan Bijsterveld en Emy Thorissen in de beeldbanken van diverse Brabantse archieven en erfgoedinstellingen en stelden een beeldverhaal over molens in onze provincie samen.

Op 13 en 14 mei vond in Nederland voor de vijftigste keer Nationale Molendag plaats. Van de ongeveer twaalfhonderd molens in Nederland staat zo’n tien procent in Noord-Brabant, een fractie van wat er ooit heeft gestaan.

De Koeveringse molen was een standerdmolen die precies op de grens van de voormalige gemeenten Sint-Oedenrode, Veghel en Schijndel stond. Daarom gaf hertog Jan II in 1299, voorafgaand aan de bouw, toestemming dat de molen graan mocht malen voor de inwoners van deze drie dorpen. Op 25 september 1944, tijdens de bevrijding, werd de molen in brand geschoten.
Foto: Nard Vogels, voor 1944. Brabant-Collectie, Tilburg University

Tijdens de agrarische expansie in de elfde en twaalfde eeuw deden water- en windmolens hun intrede in de Nederlanden: de oudste vermeldingen van windmolens in Vlaanderen dateren uit die tijd. In cijnslijsten en oorkonden uit Noord-Brabant vinden we de eerste watermolens terug, zoals die van Stipdonk op de Aa bij Lierop, vermeld in 1179. De eerste West-Europese windmolens waren zogeheten standerd- of kastmolens, die graan tot meel maalden. In de eeuwen daarna volgden tal van technische verbeteringen, zoals een draaibare kap die het mogelijk maakt de wieken naar de wind te draaien. In de late middeleeuwen werden de eerste molens gebouwd in (bak)steen, aanvankelijk als rechtopgaande torenmolens, later taps toelopend. De oudste stenen molen van Nederland staat in Zeddam en dateert van voor 1441. Een unieke molen is de getijdenmolen in Bergen op Zoom, aangedreven door eb en vloed en gebouwd rond 1500.

De Hooidonkse watermolen staat in Nederwetten en bestaat uit twee houten gebouwen die deels over het water van de Dommel zijn gebouwd. Twee raderen van hout en metaal dreven in het verleden een koren-, olie- en houtzaagmolen aan.
Foto: Nard Vogels, jaren 1940. Brabant-Collectie, Tilburg University

Wind- en watermolens vervulden tal van functies: het waren vooral korenmolens. Daarnaast werden ze gebruikt om hout te zagen, uit zaden olie te slaan en graan of rijst te pellen. Watermolens dienden ook voor het vollen van wollen stoffen en het pletten van lompen voor papierfabricage. Voor het droogmalen van polders werd aanvankelijk de kleine wipmolen gebruikt. In het Land van Altena vinden we nu nog verschillende poldermolens. In havens, op boerderijen en in ambachtelijke werkplaatsen stonden tred- of rosmolens, waarbij de aandrijvingskracht werd geleverd door een paard of een ezel. Tijdens de belegering van ’s-Hertogenbosch in 1629 zette het Staatse leger rosmolens in om de geïnundeerde omgeving van de stad droog te leggen en haar zo tot overgave te dwingen. In de twintigste eeuw werden voor afwatering en irrigatie ook het metalen Bosmanmolentje (met vier wieken en de kenmerkende windvaan) en de veelbladige ‘Amerikaanse’ molens ingezet. Nu worden sommige watermolens ingezet als krachtcentrale, zoals de voormalige Volmolen in Waalre. Die wordt op dit moment omgebouwd naar een elektriciteitsproductie van 130 duizend kilowattuur per jaar, genoeg voor veertig gezinnen.

Molen De Vogelenzang in Lieshout is een in 1819 gebouwde bergkorenmolen. Vincent van Gogh vermeldt dat hij de molen in 1885 tekende en schilderde. De gemeente is sinds 1974 eigenaar van deze molen. Na de restauratie kan er weer graan worden gemalen.
Foto: Nard Vogels, jaren 1940. Brabant-Collectie, Tilburg University
Onze provincie moet honderden wind- en watermolens hebben geteld, maar de introductie van de elektro- en benzinemotor vanaf het begin van de twintigste eeuw maakte ze overbodig. Oorlogsgeweld en de kanalisatie van beken en rivieren deden de rest. Molens werden omgebouwd, gesloopt of raakten in verval. Zo zijn op Noord-Brabantse rivieren en beken slechts twaalf van de oorspronkelijk tientallen watermolens bewaard gebleven, vooral in Zuidoost-Brabant. Van Gogh legde verschillende hiervan vast. Na jarenlange verwaarlozing verdwenen ze zelfs nog in de jaren tachtig, net als sommige windmolens. Een bijzondere en fraai herstelde combinatie is de wind- en watermolen van Kilsdonk, onder Heeswijk-Dinther. Qua functie zien we de meest uiteenlopende combinaties: de Opwettense watermolen onder Nuenen diende in de loop van de eeuwen als korenmolen, oliemolen, volmolen, pelmolen, houtzaagmolen en ter aandrijving van de machines in een meubelmakerij.

Stellingmolen De Nijverheid, voorheen De Raaf, in Ravenstein, gebouwd in 1857, staat op het voormalige bastion Utrecht. Met zijn hoogte van 30 meter is het de op één na hoogste molen van Noord-Brabant.
Foto: Nard Vogels, jaren 1940. Brabant-Collectie, Tilburg University

Noord-Brabant telt nu nog zo’n 117 complete windmolens. Her en der staan de rompen van voormalige windmolens. Op verschillende websites worden de Noord-Brabantse molens beschreven en onderscheiden naar type en functie. Een veel voorkomend type is de belt- of bergmolen, gebouwd op aarden heuvels, om zodoende de wieken vanaf de grond te kunnen kruien. Om nabij bebouwing en steden meer wind te kunnen vangen, moesten windmolens namelijk steeds hoger worden. In de heuvel werd aan twee zijden een doorgang gemetseld, waardoor wagens de molen kunnen in- en uitrijden om te laden en te lossen. Stellingmolens zijn zo hoog dat de wieken niet, zoals bij een zogenoemde grondzeiler, vanaf de grond bediend kunnen worden maar vanaf een stelling of omloop rond de molen. In Noord-Brabant zien we ze op verschillende plaatsen, soms op of nabij vestingwallen. Op de wallen van ’s-Hertogenbosch stonden in de zestiende eeuw wel zeventien molens; de laatste werd in 1939 gesloopt. Bij de reconstructie van de vesting van Heusden in de jaren zeventig werden juist drie standerdmolens herbouwd. 

maandag 3 juli 2023

Wandelen door de Brabant-Collectie: Van Welberg naar Dinteloord

Etappe 2 Zuiderwaterlinie Wandelpad (ca. 23 km)

De wandeling begint vandaag in Welberg, behorend tot gemeente Steenbergen. In de Brabant-Collectie bevindt zich onderstaande prentbriefkaart uit circa 1915. Naast enkele kinderen zien we een groepje Nederlandse soldaten. Gezien de datering – aan het begin van de Eerste Wereldoorlog - waren zij mogelijk in de nabijheid van Welberg gelegerd of ingekwartierd bij de plaatselijke bevolking.
Steenbergen. Welberg. Prentbriefkaart. Maker onbekend. Uitgever: W. van de Kar.
Datering: ca. 1915. Formaat: 9 x 14 cm. Vindplaats: pbk-S 83 / 121 Welb (1)
Lange tijd is Welberg een agrarisch lintdorp langs de Welbergse dijk. Vanaf 1928, na de consecratie van de nieuwe Sint-Corneliuskerk en de opening van twee scholen en een patronaat onder leiding van pastoor Janus Ermen, is er sprake van een kleine dorpskern. Pastoor Ermen speelt een belangrijke rol bij een ware Mariadevotie die in het dorpje op gang komt. In de jaren 1930 raakt hij gefascineerd door de bedlegerige Janske Gorissen, die regelmatig mystiek-religieuze ervaringen heeft. Zo verschijnen Jezus en Maria aan haar, krijgt ze stigmata en huilt ze bloedtranen. Ermen maakt dit alles wereldkundig en gelovigen komen, zelfs vanuit België en Duitsland, met busladingen vol om het ‘Bruidje van Jezus’ te zien. Maar in de jaren 1940 start het Vaticaan een uitgebreid onderzoek naar de verschijningen van Janske en naar haar werkelijke relatie met pastoor Ermen. Tien jaar later wordt verdere verering verboden. Wil je meer weten over deze Welbergse verschijningen en hoe alles uiteindelijk in de doofpot verdween, lees dan Vurige liefde van Peter Jan Margry.
Informatiepaneel bij de Mariakapel, Hoofdstraat te Welberg (augustus 2022)
© Jolanda van den Akker / Brabant-Collectie, Tilburg University
We verlaten Welberg, maken een bocht naar het oosten en lopen via de noordkant Steenbergen binnen. Hier volgt de wandelroute min of meer de buitenste omwalling van de 17e-eeuwse zeshoekige vesting, mooi te zien op onderstaande kaart uit de Brabant-Collectie. Linksboven is de Leur Schans afgebeeld, maar daarover straks meer.
De Stad Steenbergen en de Leur Schans met des Selfs Vastigheid
als mede het begin van de Linie en de Haven
. Kopergravure. Maker: Jan de Lat.
Formaat: 30,2 x 22,2 cm. Vindplaats: S 83 / 020 (2)
Steenbergen groeide tussen de 13e en de 15e eeuw dankzij de zoutwinning uit tot een belangrijke handelsstad. Zout, indertijd een schaars product dat vaak van ver gehaald moest worden, werd voornamelijk gebruikt voor het conserveren van voedsel. De veengebieden rondom Steenbergen, eeuwenlang overstroomd door zeewater, leenden zich echter goed voor moernering oftewel selnering. Veen werd verbrand, waarna de resterende as gespoeld werd met water. Na het indampen van het pekelwater bleef een redelijke kwaliteit zout over. Door een grote brand in 1366 en twee opeenvolgende watersnoodrampen (1421 en 1460) stortte niet alleen de zoutwinning in, maar raakte ook de stad eind 15e eeuw in verval. Nog meer rampspoed volgde tijdens de Tachtigjarige Oorlog (1568-1648). De stad had een strategische ligging op een landweg tussen de Zeeuwse en Hollandse eilanden, waardoor meerdere gevechten en belegeringen plaats vonden. Zoals bijvoorbeeld de Slag bij Steenbergen op 17 juni 1583.
Bataille de Steenbergen donnée le 17. Juin l'an 1583. Kopergravure.
Formaat: 14,8 x 18,5 cm. Vindplaats: S 83 / 1583 (4)
Dit werk uit de Brabant-Collectie heeft dezelfde voorstelling als de ets, getiteld Bataille de Steenberghen, vervaardigd door Romeyn de Hooghe naar ontwerp van Don Juan de Ledesma in 1670-1699. Op bijna dezelfde prent in de collectie van het Rijksmuseum zie je de letter H (rechts, boven het huisje) bij Alexander Farnese, hertog van Parma en bevelhebber van de Spaanse troepen. Linksboven op de prent zie je Steenbergen.
Na de herovering van de stad door prins Maurits volgden vanaf 1626 herstel en uitbreiding van de vestingwerken. Fort Henricus werd gebouwd en Steenbergen werd onderdeel van de West-Brabantse Waterlinie. Vanaf dat moment was het een onneembare vesting.

We vervolgen onze route en lopen langs de Sint-Gummaruskerk, op onderstaande prentbriefkaart rechts in beeld. Deze afbeelding stamt uit 1929, ruim voor de catastrofale vernieling van de kerk tijdens de Tweede Wereldoorlog. De kerk werd opgeblazen, de torens stortten in, het schip brandde uit en het glaswerk ging verloren. Na de oorlog volgde een renovatie en in 1949 werd de kerk weer in gebruik gesteld. In de jaren 1960 herbouwde men de toren en zo’n veertig jaar later volgde nog een grootschalige restauratie.
Steenbergen - Vogelvlucht. Prentbriefkaart. Maker onbekend. Uitgever:
P.A. Vermeulen. Datering: 1929. Formaat: 8,8 x 13,7 cm. Eigendom Brabant-Collectie

Sint-Gummaruskerk, Steenbergen (augustus 2022)
© Jolanda van den Akker / Brabant-Collectie, Tilburg University
We verlaten Steenbergen, lopen noordwaarts over de West-Havendijk en komen aan bij fort Henricus, op oude kaarten ook wel Leur Schans genoemd. Met zijn 11,5 hectare aan oppervlakte was het een van de grootste forten in het zuidwesten van de Republiek der Verenigde Nederlanden en vormde het vanaf 1626 een belangrijke schakel in de verdediging van Steenbergen. Het fort lag in die tijd nog aan open water en stond in directe verbinding met de zee. Herhaaldelijk werd het land onder water gezet (inundatie) om te vijand tegen te houden. De 450 manschappen in het fort en de kanonnen op de aarden wallen deden de rest van het werk.
In 1816 raakte het fort in onbruik en kreeg uiteindelijk de functie van landbouwgrond. Eerherstel volgde in 2017 toen eigenaar Natuurmonumenten subsidie kreeg voor een reconstructie van het fort. Er ligt nu een toegangsbrug over de gracht en de aarden wallen zijn hersteld. Vanaf een uitkijktoren heb je mooi zicht op de contouren van het fort en de wijde omgeving. De oude gebouwen zijn niet herbouwd, omdat men niet precies wist hoe die er vroeger uitzagen. Informatieborden geven je een idee hoe het leven er hier in de 17e eeuw uitzag, toen honderden soldaten en hun vrouwen en kinderen er een compleet dorp vormden. Wil je meer weten over de geschiedenis van het fort, lees dan deze publicatie van Han Leune.


We lopen over een grasdijk met links een polderlandschap en rechts de Steenbergse Vliet, waarop menig langsvarend plezierjacht te zien is. Er is ook ruimte gemaakt voor de natuur, want een gedeelte van de Vliet staat onder beheer van Natuurmonumenten. Dus kijk vooral goed om je heen, dan zie je wellicht nog een bruine kiekendief over het moerasgebied scheren.

We naderen buurtschap De Heen dat zijn naam ontleent aan een grassoort die in deze omgeving veel voorkomt. Het is gesticht in 1614, enkele jaren na de bedijking van de polder. De magistraat van Steenbergen zag de stichting van een dorp in de polder als een bedreiging voor zijn stad. Dat is voor ons nu wellicht moeilijk voorstelbaar, als je kijkt naar de omvang van De Heen. Echter, de stad Steenbergen kende indertijd een periode van groot verval en het was niet ondenkbaar dat De Heen, veel gunstiger gelegen aan open water, daarvan zou kunnen profiteren. De vrees was onterecht. In De Heen had men geen aspiraties op het gebied van handel en verkeer en de polder had enkel agrarische doeleinden.

De eerste inpolderingen vonden hier plaats vanaf 1331, toen hertog Jan van Brabant de inwoners van Steenbergen toestemming gaf om polders en dijken aan te leggen. Maar pas halverwege de 15e eeuw neemt dit serieuze vormen aan. Onderstaande uitsneden van drie kaarten uit de Brabant-Collectie geven een indruk van de landaanwas in deze streek in opeenvolgende periodes, beginnend in 1692 en eindigend in de periode 1825-1850.
Uitsnede van: Brabante, Parte Settentrionale Dedicato Al Reuerendissimo Signore
Canonico Gio: Cupilli
. Gekleurde kopergravure. Maker en uitgever: Maria Vincenzo Coronelli.
Datering: 1692. Formaat: 43 x 58 cm. Vindplaats: Generaliteitsland Brabant / West / XVII d (2)

Uitsnede van: Brabantiae Batavae pars occidentalis etc. Gekleurde kopergravure. Uitgevers:
Nicolaas Visscher II en Petrus Schenk II. Datering: na 1726. Formaat: 46 x 57 cm.
Vindplaats: Generaliteitsland Brabant / West / XVIII d (1) (bis)
Op bovenstaande kaart zie je ten noorden van Steenbergen de naam Leur-Schans staan. Zo werd fort Henricus vroeger genoemd. Links daarvan ligt Heene, de oude benaming voor De Heen. Goed zichtbaar is hier de gunstige ligging van dit plaatsje aan open water.
Uitsnede van: Kaart van het Arrondissement Breda, volgens de kaart van den Luitenant 
Generaal Kraayenhoff
. Manuscriptkaart; pen, gekleurd. Datering: 1825-1850.
Formaat: 54,5 x 72,5 cm. Vindplaats: Provincie Noord-Brabant / West / X!X b (1)
Bovenstaande kaart laat zien dat rond 1825-1850 de inpoldering weer verder gevorderd is. Tevens geven de jaartallen vermeld bij de polders een beeld van wanneer welk stuk land beschikbaar kwam.

Het is nu even doorbijten op de lange, rechte polderwegen. Een fijne onderbreking vormt het sluizencomplex Benedensas, ook te vinden op bovenstaande historische kaart. Het complex, geopend in 1824, zorgde er ruim anderhalve eeuw voor dat het water van het Volkerak bij vloed niet landinwaarts stroomde. Na het afsluiten van het Volkerak in 1987 verloor de sluis deze functie.
We komen bij een rolbrug die zorgt voor een verbinding met een eilandje in de Steenbergse Vliet. Je moet op een knop drukken om de brug in werking te zetten, maar wees geduldig. Het kan soms wel enkele minuten duren (uit veiligheidsoverwegingen) voor er ook maar iets gebeurt. Je geduld wordt beloond met restaurant, huiskamercafé en theetuin Beneden Sas, een rustieke pauzeplek (check vooraf de openingstijden).
Deze rolbrug, zij het in een iets oudere vorm, is te zien in de televisieserie Merijntje Gijzen’s Jeugd. Begin jaren 1970 werden onder regie van Kees van Iersel bij Benedensas en omgeving filmopnames gemaakt voor deze 11-delige serie, gebaseerd op de gelijknamige romancyclus van A.M. de Jong. Het werd een ware kijkhit. De Jong gebruikte veel eigen jeugdherinneringen en schetste een beeld van het boerenarbeidersmilieu begin 1900 in West-Brabant. Aflevering 1, te zien op YouTube, begint met beelden van het sluizencomplex en het oude peilhuisje. Hier werden jarenlang de eb- en vloedstanden gemeten. Vervolgens zie je twee mannen aan een wiel draaien om de rolbrug in beweging te zetten. Deel 1 van de romancyclus Merijntje Gijzen’s jeugd was overigens in 1936 ook al eens verfilmd. Over Merijntje Gijzen en de beeldvorming van het Brabantse verleden schreef cultuurhistoricus Olivier Rieter - onder andere werkzaam als vrijwilliger bij de Brabant-Collectie - een boeiend artikel in het tijdschrift In Brabant.
Via een ‘gewone’ brug zetten wij vervolgens voet aan wal en lopen door het Saspoldertje. Een fraai stukje natuur, waar het overigens wel drassig kan zijn. De liefhebber die nog meer natuur wil meepakken én bereid is wat extra kilometers aan de route toe te voegen, kan een wandeling door de Dintelse Gorzen overwegen. Of een keer terugkomen uiteraard.


De resterende kilometers van vandaag lopen we over dijkwegen met 360˚ rondom zicht op het polderlandschap. Allereerst de Koningsoorddijk en de Kleinedijk, die samen ongeveer de noordelijke begrenzing van de Koningsoordpolder vormen. De bedijking van deze polder stamt uit 1699-1700. Vervolgens bereiken we via de Smallendijk, de Oudlandsedijk en de Stoofdijk de buitenwijken van Dinteloord. Knooppunt 32 is het eindpunt van vandaag. De volgende keer lopen we verder naar Willemstad.

Bronnen:
  • A. Delahaye: Dorp en polder aan de Vliet: bij het 350-jarig bestaan van de Heensche polder en het dorp De Heen. S.l.: s.n., 1962. Vindplaats: CBM B 05439
  • F. van Eekelen: De vloek van de zeemeerminnen: Steenbergen, een stad met geschiedenis. Soest: Uitgeverij Boekscout.nl, 2014. Vindplaats: BRA Y EEKE 2014
  • K.A.H.W. Leenders: Verdwenen venen: een onderzoek naar de ligging en exploitatie van thans verdwenen venen in het gebied tussen Antwerpen, Turnhout, Geertruidenberg en Willemstad 1250-1750 (Actualisering 2013). Woudrichem: Pictures Publishers, 2013. Vindplaats: BRA W LEEN 2013
  • J.M.G. Leune: Kroniek van het fort Henricus te Steenbergen. Broek op Langedijk: GigaBoek, 2017. BRA J LEUN 2017
  • O. Rieter: Merijntje Gijzen: nostalgie of anti-nostalgie? Beeldvorming over het Brabantse verleden. In: In Brabant, 2020, jaargang 11, nummer 1, pag. 6-11. Vindplaats: T 10771

donderdag 22 juni 2023

Commissaris van de Koning op bezoek bij Brabant-Collectie

Donderdagochtend 15 juni jl. vereerde de commissaris van de Koning in Noord-Brabant, mr. Ina Adema, de Brabant-Collectie met een bezoek. De collectie is eigendom van de provincie en wordt beheerd in de Universiteitsbibliotheek van Tilburg. Mevrouw Adema werd ontvangen door onder anderen de rector van de Universiteit, Wim van de Donk, en de directeur van Library and IT Services, Corné van Nispen.

Medewerkers van de Brabant-Collectie gaven uitleg over de werkzaamheden die nodig zijn voor het beheer en de ontsluiting van de collectie en vertelden hoe deze rijke en veelzijdige verzameling wordt ingezet voor allerlei maatschappelijke, economische en wetenschappelijke doelen. Tenslotte werd een selectie uit de collectie getoond door de conservator.

Mevrouw Adema was erg onder de indruk van de diversiteit van de collectie en schatte deze van grote waarde voor Brabant en de Brabanders. Ze gaf aan dat ze nu begreep uit welke bron de schrijvers van vele historische artikelen putten en ook dat het belangrijk is dat mensen bewust zijn van hun geschiedenis. En niet alleen de huidige generatie, maar ook de toekomstige generaties. Haar bezoek sloot ze af met de woorden “wat een fantastische collectie en het is duidelijk dat die met heel veel passie en kunde beheerd en ontsloten wordt”.
© Corine Bon / Brabant-Collectie, Tilburg University
© Corine Bon / Brabant-Collectie, Tilburg University

maandag 19 juni 2023

Genealogie: de voortdurende, veelzijdige belangstelling voor personen en families van weleer

 
De biografie als literair genre heeft de interesse van veel lezers. We vinden het interessant om te lezen over hoe iemand leefde, voor welke vragen of problemen men zich gesteld zag en hoe deze al dan niet werden opgelost. Er verschenen (en verschijnen) talloze biografieën; over kunstenaars, historische figuren en auteurs.

Deze zelfde kwesties speelden vanzelfsprekend ook een rol voor de ‘gewone’, anonieme burger en zijn familie. Ook die geschiedenissen zijn in het verleden – al dan niet door de betrokkende zelf – opgetekend. En ze vormen een aanleiding voor onderzoek. Dit gebeurt tot op de dag van vandaag, vanuit de nieuwsgierigheid naar de eigen of andermans familiegeschiedenis. In tijdschriften, jaarboeken en in heuse biografieën worden levensbeschrijvingen opgetekend en krijgt de lezer zicht op het reilen en zeilen van (mensen uit) voorbije generaties. GEN. Magazine voor familiegeschiedenis is zo’n tijdschrift. Het komt vier keer per jaar uit en is een uitgave van het Centraal Bureau voor Genealogie, tegenwoordig CBG/Centrum voor familiegeschiedenis geheten. Omdat het een landelijk tijdschrift is, komen niet alleen Brabantse voorbeelden voorbij. Het maartnummer van 2023 mag daarom wel wat extra aandacht krijgen. Drie substantiële artikelen zijn – naast enkele korte berichten – direct aan Brabant te linken. We laten de artikelen hier kort de revue passeren.

De eerste bijdrage (auteur: Jacqueline Verkleij) gaat over de achttiende-eeuwse Maria van Antwerpen (1719-1781); een boeiende persoon, gezien vanuit onze tijd, waarin vaak over ‘gender’ en ‘identiteit’ wordt geschreven en gesproken. Maria staat bekend als een vrouw die als soldaat heeft gevochten in het Staatse leger, maar ook is veroordeeld voor travestie. De verhoren die zij voor de rechtbank heeft ondergaan, zijn in juridische archieven bewaard gebleven en verder is een deel van haar levensverhaal (met de nodige literaire vrijheden) opgetekend in De Bredasche Heldinne, of merkwaardige levens-gevallen van Maria van Antwerpen uit 1751. De auteur van dat boek is Franciscus Lievens Kersteman die Maria leerde kennen toen hij zelf vanwege oplichting van een juwelier in de Bredase gevangenis zat. En er is nog een ‘vermaekelyk liedeken van een manhaftig vrouwpersoon’ gemaakt, waarin het leven van Maria centraal staat. In haar verklaringen voor de rechtbank (1769) gaf ze nadrukkelijk aan ‘in de natuur een manspersoon, maar uiterlijk een vrouwspersoon’ te zijn. In het in de (autobiografische) ik-vorm geschreven De Bredasche Heldinne staat het nodige over haar diensttijd, waarin zij de naam Jan van Ant voerde. Er volgden twee huwelijken met vrouwen (de eerste keer als Jan, de tweede keer als Machiel), én evenzovele ontmaskeringen met daaropvolgende verbanningen. De wieg van Maria van Antwerpen stond in Breda, een deel van haar leven (van dienstmeid tot soldaat) speelde zich af in die stad en daar werd ze uiteindelijk ook begraven. Het kleurrijke verhaal dat in De Bredasche Heldinne uit de doeken wordt gedaan, sluit aan bij de traditie van de travestieromans die in de loop van de achttiende eeuw populair werden, en bij het populaire genre van de criminele biografie: de levensbeschrijving van beruchte misdadigers. Maar bovenal zijn het de biografische aspecten die het tot een bijzonder boek maken.

Het tweede Brabantse artikel is van de hand van Willem van den Elzen die onderzoek heeft gedaan naar de geschiedenis van misdaad en criminaliteit in Oss. In de rechtbankverslagen stuitte hij meer dan eens op de familienaam De Bie. In de periode van ongeveer 1850-1940 zijn leden van deze beruchte familie met enige regelmaat betrokken bij diefstallen, belastingontduiking, mishandeling en zelfs doodslag en moord. Als in de tweede helft van de negentiende eeuw meer aandacht komt voor handhaving en rechtspraak wordt er vanzelfsprekend meer opgetekend. Deze bronnen, samen met andere genealogische archieven, zorgen voor een beter zicht op een familiegeschiedenis in Oss. De sociale context waarbinnen dit gebeurde (armoe > diefstal > criminaliteit > misdaad) komt in het artikel aan bod, evenals de ‘gemakkelijke’ beschuldigingen aan het adres van de familie van een bij tijd en wijle corrupte overheid.

Genealogisch spoorzoeken aan de hand van foto’s is de kern van de bijdrage van Peter Eyckerman over een carte de visite van H.J. Tollens. Deze fotograaf was actief in Dordrecht, Roermond en Eindhoven. Van de ooit gemaakte carte de visite-foto’s is bij het overgrote deel niet te zeggen wie er is afgebeeld. De portretfoto was tenslotte niet meer alleen voor de allerrijksten weggelegd. Met een paar aanknopingspunten kan toch onderzoek gedaan worden naar de herkomst en de geportretteerden. Kleding, meubilair en de achtergrond kunnen, als je over meer foto’s uit hetzelfde atelier beschikt, van dienst zijn bij de datering. Ook de informatie over de fotograaf op de foto kan ons meer vertellen. En bestaat er een vermoeden van de geportretteerde dan heb je met genealogische data wellicht de sleutel in handen. Of als er een andere foto van de geportretteerde is overgeleverd. Maar dan moeten wel alle puzzelstukjes passen….

Drie artikelen met een totaal verschillende invalshoek; goed geschreven en prettig leesbaar. Zit er iets overeenkomstigs in? Ja! Brabant.

Vindplaats: T 09700

maandag 29 mei 2023

Het Zuid-Nederlandse bierwandelboek

Vorig jaar verscheen een leuk boek met mooie foto’s voor bierliefhebbers die van wandelen houden en wat van Zuid-Nederland willen zien. Het boek bevat 15 wandelroutes van ongeveer 5 tot 15 km, waarvan er 7 door Noord-Brabant gaan. De wandelingen eindigen allemaal bij een gelegenheid waar men een speciaal-, lokaal of regionaal biertje kan drinken. Ook beginnen en eindigen de wandelingen in de buurt van een OV-punt, een treinstation of een bushalte. De wandelingen worden gelopen aan de hand van een QR-code, die de routelijn en alle bezienswaardigheden onderweg in Google-maps geeft. Verder krijg je informatie over de brouwerij en het speciaalbier dat bij het eindpunt geschonken wordt. Op deze manier krijg je een goede kijk op de veelzijdigheid van de biercultuur in het zuiden van Nederland. Het boek begint met de uitleg over de QR-code. Daarna komen de wandelingen: 4 in Zeeland, 7 in Noord-Brabant en 4 in Limburg. Het boek eindigt met een brouwerijenregister.

Vindplaats BRA H4 DERK 2022

maandag 8 mei 2023

Wandelen door de Brabant-Collectie: Van Bergen op Zoom naar Welberg

Etappe 1 Zuiderwaterlinie Wandelpad (ca. 18 km)

Vandaag is de aftrap van de nieuwe blogreeks over het Zuiderwaterlinie Wandelpad. We starten de wandeling bij knooppunt 20, Stationsstraat 5 te Bergen op Zoom. Het historische stadshart, met onder andere de Grote Markt en het Markiezenhof, laten we letterlijk links liggen, want wij lopen verder noordwaarts. Maar de liefhebber kan uiteraard een extra ommetje aan de route toevoegen.
Onderstaande prentbriefkaart uit de Brabant-Collectie laat zien hoe onze startplek er eind 19e, begin 20e eeuw uitzag. Het pand met het torentje aan de linkerzijde, Stationsstraat 12, stamt uit 1884 en is een rijksmonument. Ontwerper én bewoner hiervan was C.P. van Genk, een architect uit Bergen op Zoom.
Bengen (sic) op Zoom. Stationsstraat. Prentbriefkaart. Maker onbekend. Uitgever: A.I.A. de Kok,
Bergen op Zoom. Datering: periode 1884-1903. Formaat: 9 x 14 cm. Vindplaats: pbk-B 46.2 / 121 Stat (1) 
Bij onze eerste halteplaats, Ravelijn Op den Zoom, gaan we verder terug in de tijd. Tijdens de Tachtigjarige Oorlog (1568-1648) kreeg Bergen op Zoom de status van vesting- en garnizoensstad en werden bestaande verdedigingswerken uitgebreid. Men doorstond maar liefst twee belegeringen: die van de hertog van Parma in 1588 en die van Spinola in 1622. Eind 17e eeuw moesten de vestingwerken vernieuwd worden en Menno van Coehoorn kwam met een uitgebreid plan dat gezien kan worden als zijn meesterwerk. De stad kreeg de bijnaam La Pucelle (= De Maagd), omdat ze onoverwinnelijk leek. Maar in 1747 liep het mis en viel Bergen op Zoom in Franse handen.
Het ravelijn diende ter verdediging van de erachter gelegen vestingwal. Na de opheffing van de vestingstatus van Bergen op Zoom in 1867 werd veel afgebroken, maar dit ravelijn bleef gespaard. Belangrijkste reden hiervoor was dat de omliggende gracht van belang was voor de drinkwatervoorziening. Die gracht heet De Vest, maar wordt in de volksmond Pielekeswater genoemd. Deze naam voert terug naar het Antwerpse woord pilleken (uitgesproken als pieleke) voor eend. Een staande opmerking onder Bergenaren voor iemand die een erg omslachtig betoog houdt is: Hij gaat langs het Pielekeswater.
Ravelijn op den Zoom. Pillekenswater. Prentbriefkaart. Maker onbekend. Uitgever: A.I.A. de Kok,
Bergen op Zoom. Datering: 1907. Formaat: 8,8 x 13,7 cm. Eigendom Brabant-Collectie
Van 1927 tot 1977 bevond zich een gemeentekwekerij op dit ravelijn, daarna werd het een openbaar plantsoen. In de jaren dertig van de vorige eeuw vond een eerste restauratie plaats. In 2017-2018 gebeurde dat opnieuw, in nauw overleg met Stichting Menno van Coehoorn. Als de toegangspoort open is, kun je de binnenplaats bekijken. Een bezoek van het gehele bouwwerk kan alleen o.l.v. de Stadsgidsen Bergen op Zoom.

We laten de stad achter ons en volgen de West-Brabantse Waterlinie, het oudste gedeelte van de Zuiderwaterlinie en vanaf 1628 de vervanger van de Linie van Eendracht. Landbouwgronden en moerassige gebieden tussen Bergen op Zoom en Steenbergen stonden tussen 1628 en 1830 maar liefst zes keer onder water om diverse vijanden tegen te houden. Op de hogere delen lagen de volgende vier forten (gezien vanaf Bergen op Zoom in noordelijke richting): Moermont (verdwenen en een woonwijk geworden), Pinssen, De Roovere en Henricus. De eerste drie waren in een recordtijd van 23 weken gebouwd en werden opgeleverd in november 1628.
Tabvla Bergarum ad Zomam Stenbergae et novorum ibi opaerum etc. Gekleurde kopergravure.
Maker: Franciscus van Schoten. Amsterdam: Johannus Janssonius, 1638. Formaat: 22,5 x 53,5 cm.
Vindplaats: Hertogdom Brabant / West / Bergen op Zoom / 1638
Bovenstaande kaart uit 1638 toont deze vier forten en het tussenliggende, geïnundeerde gebied. Rechtsonder is een inzetkaartje te zien, getiteld Castra Pinssi. Dit is Fort Pinssen, dat zijn naam dankt aan kolonel Willem Pijnssen van der Aa, de bevelhebber over het legerkamp en de eenheden die werkten aan de linie. Het fort ging in 1816 dicht en raakte in de loop der jaren overwoekerd. Het is nu niet meer toegankelijk, maar de omgeving leent zich prima om er heerlijk te wandelen.

We lopen verder noordwaarts over de laatste restanten van een liniewal, gerealiseerd in 1727 naar een ontwerp van Menno van Coehoorn. Deze liniewal verbond de drie zuidelijke forten met elkaar. Van de oorspronkelijk 5,5 km lange linie is 1 km bewaard gebleven. Natuurfilmer en documentairemaker Roel Diepstraten liep dit traject ook en maakte filmbeelden voor de tv-serie Op Pad van Omroep Brabant.

We komen aan bij Fort De Roovere, het grootste fort van de West-Brabantse Waterlinie. De naamgeving gaat terug naar Pompejus de Roovere, de staatsman die verantwoordelijk was voor de bouw van fortificaties. Naar hem is ook de Pompejus-toren genoemd, een 25 meter hoge uitkijktoren. Sinds maart 2018 kun je, na het overwinnen van 129 traptreden, genieten van een fraai uitzicht over het fort en de omgeving. De toren, ontworpen door RO&AD Architecten, is tevens een openluchttheater en biedt plaats aan 225 personen. Dezelfde architecten ontwierpen de zogenaamde Mozesbrug. Deze brug ligt als een sleuf ín de gracht en is van veraf niet te zien. Eenmaal op de brug loop je op ooghoogte met het water, een bijzondere ervaring.
Zicht vanaf de Mozesbrug op de Pompejus-toren bij Fort De Roovere (augustus 2022)
© Jolanda van den Akker / Brabant-Collectie, Tilburg University
Jacob Vleugels was de oorspronkelijke ontwerper van De Roovere, en ook de forten Pinssen en Moermont kwamen van zijn hand. De Roovere werd gebouwd naar Oudnederlands model met een bastion op elk van de vier hoeken. In plaats van gemetselde muren - die niet bestand bleken tegen gietijzeren kogels – bestond het fort uit dikke aarden wallen. In 1727 en rond 1784 werden verbeteringen en wijzigingen doorgevoerd aan het fort. Naast enkele barakken en magazijnen bevond zich midden 18e eeuw op het eenvoudige binnenterrein ook een kerk. En dat is mooi te zien op onderstaande kaart uit onze collectie. In 1816 werd het fort als vestingwerk opgeheven en het van oorsprong kale gebied eromheen raakte in de daaropvolgende jaren steeds meer begroeid. De grootschalige restauratie in 2010 heeft van De Roovere een historische en recreatieve trekpleister gemaakt.
Aftekening van t Rovers Fort met desselfs Belegering door de France Generaal Louwendaal
met de Aantekening van de Attaque van weerskante, en de Lienie
. Kopergravure. Datering: 1747.
Formaat: 30,1 x 22,5 cm. Vindplaats: B 46.2 / 1747 (62)
We gaan weer verder met onze wandeling en lopen door natuurgebied Het Laag, ook bekend als Halsters en Oudlands Laag. Dit gebied ligt anderhalve meter onder NAP, mede door de vervening die hier vanaf 1263 plaatsvond. De turfwinning in West-Brabant is een vaak vergeten geschiedenis. In 2005 staken enkele heemkundigen de koppen bij elkaar om dit onderwerp meer publieke aandacht te geven, wat resulteerde in Projectgroep Herleving Turfgeschiedenis West-Brabant. Ook het aangrenzende Belgische land kent een lange verveningsgeschiedenis, een mooie aanleiding dus voor een grensoverschrijdend project. Aldus geschiedde in 2018 met Beleef de verdwenen venen. Wandel- en fietsroutes werden uitgezet en verzameld in een ‘turfbelevingsbox’. Op de route werden zogenaamde veenpalen van cortenstaal geplaatst met gedichten van Geert de Kockere. De hoogte van de palen laat zien hoe ver het land is afgegraven. Ben je op zoek naar een gedegen studie over deze vergeten geschiedenis, lees dan Verdwenen venen van Karel Leenders.
Veenpaal met een gedicht van Geert de Kockere (augustus 2022)
© Jolanda van den Akker / Brabant-Collectie, Tilburg University
De lage ligging maakte dit gebied generaties lang uitermate geschikt voor inundatie. Als gevolg hiervan stond het land soms jaren achter elkaar onder water, met als gevolg een permanente ‘plas-dras-situatie’ die agrarisch gebruik onmogelijk maakte. Nadat inundatie niet langer werd ingezet als militair verdedigingsmiddel werd in de jaren 1930 het waterpeil omlaag gebracht en het gebied omgevormd tot grasland. Maar nu voert de natuur de boventoon: in 2009 is de voedselrijke bovenlaag afgegraven en krijgen zeldzame planten weer een kans.

En zo bereiken we Welberg, het eindpunt van deze etappe. Wil je verder lezen over de streek waar we vandaag doorheen zijn gelopen, dan heeft de Brabant-Collectie heel wat te bieden. Te veel om op te noemen, en onderstaande lijst met bronnen is dan ook slechts bedoeld als startpunt. Bekijk daarom zeker onze zoekinterface BCfinder en ontdek wat wij nog meer in huis hebben aan boeken en tijdschriftartikelen, maar natuurlijk ook aan afbeeldingen en historische kaarten.

Bronnen:
  • E. Adriaansen e.a.: Canon van Bergen op Zoom: 55 hoogtepunten verteld voor jong én oud. Bergen op Zoom: De Geschiedkundige Kring van Stad en Land van Bergen op Zoom, 2022. Vindplaats: BRA Y ADR 2022
  • A.M. Bosters: Fort De Roovere: enige nadere gegevens uit de eerste helft van de zeventiende eeuw. In: Jaarboek "De Ghulden roos". Roosendaal: Oudheidkundige Kring 'De Ghulden roos', 2001. Pag. 22-37. Vindplaats: BRA Y GHUL 2001
  • A. van den Bulck en R. Hermans: Weg van de turf: fietsrouteboek. Roosendaal: Werkgroep Herleving Turfhistorie West-Brabant, 2012. Vindplaats: BRA H4 BULC 2012
  • K.A.H.W. Leenders: Verdwenen venen: een onderzoek naar de ligging en exploitatie van thans verdwenen venen in het gebied tussen Antwerpen, Turnhout, Geertruidenberg en Willemstad 1250-1750 (Actualisering 2013). Woudrichem: Pictures Publishers, 2013. Vindplaats: BRA W LEEN 2013
  • Zuiderwaterlinie Noord-Brabant: een open boek. 's-Hertogenbosch: Provincie Noord-Brabant, 2018. Vindplaats: BRA N ZUID 2018

woensdag 26 april 2023

Terugblik op het symposium Bedelfeesten – Verslag van een inspirerende middag

Op woensdag 19 april jl. kwamen in de Black Box van Tilburg University ruim zestig professionals en geïnteresseerden bijeen voor een studiedag over bedelfeesten. Op het symposium, een initiatief van de Brabant-Collectie en het Verbond Volkscultuur in de Lage Landen (VVLL), werden de eerste resultaten gepresenteerd van het onderzoek naar heden en verleden van plaatselijke bedelfeesttradities. In een in Nederland en Vlaanderen uitgezette enquête is onderzoek gedaan naar de status: is er nog sprake van een levende traditie, welke ontwikkelingen zijn merkbaar, welke aanpassingen zijn er gepleegd en welke specifieke gebruiken (liedjes, dansen, eten etc.) horen er bij.

De deelnemers werden met een aantal karakteristieke bedelliedjes muzikaal verwelkomd door de (groot)ouders van jeugdkoor Cantabile. De voorzitter van VVLL, Tony Vaessen, sprak een welkomstwoord. Dagvoorzitter Jos Swanenberg, bijzonder hoogleraar Taal en Cultuur aan Tilburg University, nam het programma door en vertelde over zijn eigen bedelfeestervaringen, waarbij hem vooral de grote plaatselijke verschillen waren opgevallen. De terugloop van deelname aan bedelfeesten, een van de rode draden tijdens het symposium, koppelde hij aan andere ontwikkelingen, zoals de teruggang van kerkbezoek en verenigingsleven, en ook de verminderde aandacht voor taal en dialect. Omdat het bij bedelfeesten over immaterieel erfgoed gaat, kun je er geen fysiek resultaat van tonen. Wat volgens Swanenberg daarom van belang is, is aandacht besteden aan kennisopbouw en ook de feesten vooral te blijven vieren.

Koor Cantabile, Merksplas
© Paul Slot. Brabant-Collectie, Tilburg University

Jos Swanenberg en Tony Vaessen
© Paul Slot. Brabant-Collectie, Tilburg University
Ineke Strouken, de voormalig directeur van het Nederlands Centrum voor Volkscultuur en het Kenniscentrum Immaterieel Erfgoed Nederland (KIEN), schetste het historisch kader van de bedelfeesten en het belang dat in de voorbije eeuwen aan de feesten werd toegekend. Het betreft een reeks van momenten in de winterperiode die – mede ingegeven door de Kerk – structuur geven aan die periode, vanuit de gedachte: ‘Hoe kom je de winter door?’. Uiteraard passeerde de hele reeks de revue: Sint-Maarten (11 november), Sint-Nicolaas (6 december), Kerstmis (25-26 december), Onnozele Kinderen (28 december), Sint-Silvester (31 december), Nieuwjaar (1 januari), Driekoningen (6 januari), Vastenavond en Palmpasen. Met Sint-Maarten moest de kelder ‘winterklaar’ zijn en gedurende de winter werd deze vervolgens langzaam leeggegeten. In de lezing werd ingegaan op de betekenis van elk feest en op de kenmerken: het vieren op een vaste dag, het geven en krijgen van snoep en/of geld, verkleed gaan en (bedel)zingen, en het uitgangspunt van het feest: een heus verhaal. Belangrijke historische ontwikkelingen vonden plaats in de tweede helft van de negentiende eeuw, toen de feesten transformeerden van een volwassenenfeest naar een kinderfeest, en in de loop van de twintigste eeuw toen het spontane karakter deels werd ingewisseld voor een strakker georganiseerde activiteit. Uit de enquête kwam volgens Strouken naar voren dat er wel degelijk nog veel bedelfeesttradities levend zijn, maar soms wel “eilandjes” zijn geworden. Ook merkte ze een aantal nieuwe ontwikkelingen op: Halloween, Kerkbalans en de Goede Doelen Week. De bedreigingen die op de loer liggen, bestaan eruit dat mensen de achterliggende verhalen niet meer kennen en nieuwe bewoners er niet mee zijn opgegroeid. Het speelt bovendien een rol dat kinderen ’s avonds niet meer alleen over straat mogen. Én… ouders hebben het te druk. Er worden echter ook kansen gesignaleerd: kinderen vinden het echt leuk en spannend om te doen, we leven nadrukkelijk in een geef-cultuur en zijn creatief in het geld ophalen voor een goed doel. Aan het slot van haar verhaal pleitte Strouken voor een andere naam: in plaats van bedelfeesten is het beter om te spreken van geeffeesten.

Paul Spapens, publicist over volkscultuur, gaf een uiteenzetting over de vervaardiging en het gebruik van het in zijn ogen “meest democratische instrument van de wereld”: de rommelpot of de foekepot. Emy Thorissen, conservator bij de Brabant-Collectie, vertelde aansluitend over enkele ervaringen die door mensen zijn ingestuurd naar aanleiding van een artikel over bedelfeesten in het tijdschrift Brabeau. Een verkeersbord in het dorp Essen waarop tijdens Oudjaar wordt gewaarschuwd voor zingende kinderen, is een fraai voorbeeld van lokale aandacht die voor het bedelzingen wordt gevraagd. Op een vraag schetste Tony Vaessen enkele ervaringen uit zijn eigen jeugd: ouders stonden niet altijd te springen als er weer een bedelfeest gevierd werd en het Sint-Maartensvuur in Dommelen en Waalre was een belevenis waar beide dorpen voor uitliepen en nog steeds voor uitlopen.

Paul Spapens met de rommelpot 
© Paul Slot. Brabant-Collectie, Tilburg University
Tijdens het symposium werden op twee momenten filmcompilaties vertoond uit documentaires die Tony Vaessen en Emy Thorissen maakten voor KempenTV, waarin de hedendaagse praktijk van diverse bedelfeesten in beeld is gebracht. De reacties van deelnemers aan het bedelzingen en de mensen bij wie wordt aangebeld, zijn belangrijke graadmeters hoe het ervoor staat met de traditie. In Luyksgestel en Soerendonk kunnen we spreken van springlevende tradities, terwijl elders heuse bedreigingen op de loer liggen. De filmfragmenten geven aanknopingspunten voor hoe de traditie in leven gehouden kan/moet worden.

Ton Meijers, kerkjurist en lid van het Sint Maarten Utrecht Beraad, ging vervolgens in op de tekst van het bedellied Sinter Mertes Veugelke uit onder andere zijn geboorteplaats Venlo, ook een Martinusstad. Hij maakte aan de hand van heldere voorbeelden duidelijk dat de tekst zeker geen nonsens bevatte, zoals in de zangliteratuur wel is beweerd. Het gaat volgens Meijers om de stapeling van een aantal volksliedjes. Dat het als nonsensliedje is getypeerd, komt mede door de vele tekstvarianten en bijvoorbeeld de aan carnaval te koppelen strofen ‘Mieke de woep zoot op de stoep, en leet der eine vleege’. Historisch filmmateriaal en enkele audio-uitvoeringen van het liedje completeerden Meijers’ verhaal.

De bijdrage uit Vlaanderen werd verzorgd door Jeroen Janssens van de Erfgoedcel Kempens Karakter. De traditie van het Nieuwjaarszingen is er springlevend. Sinds het taboe van de armoe er in de jaren ’60 vanaf is gegaan, is het steeds nadrukkelijker een kinderfeest geworden. Op 31 december wordt in de ochtenduren van deur tot deur getrokken en krijgen kinderen geld of snoep in hun speciaal hiervoor genaaide ‘zangzak’. Een klein washandje maakt ook deel uit van deze uitrusting; dat is voor het geld. Diverse liedjes, ook voor hen die niets willen geven ("Hoog huis, laag huis, hier woont een gierige pin in huis”), maken deel uit van het zangrepertoire. In goede samenwerking tussen gemeenten, scholen en erfgoedcellen wordt veel aandacht gegenereerd voor het Nieuwjaarszingen: er is een herkenbaar logo ontwikkeld, de zangzakken worden bedrukt en verspreid, en er worden affiches verspreid die mensen achter het raam hangen om aan te geven dat ze thuis zijn.

Hennie van Schooten lichtte namens de Stichting Het Vierde Geschenk de vernieuwing toe die de Driekoningenstoet in Tilburg doormaakt. Op zondag 8 januari 2023 werd voor de eerste maal de Sterrentocht gelopen. Deze is gebaseerd op de intocht van de Driekoningen, maar het uitgangspunt is nu een interculturele optocht waarbij het licht centraal staat. Het licht wordt door de deelnemers in diverse vormen meegevoerd. Het verhaal rond Driekoningen heeft in de Sterrentocht nieuwe accenten gekregen; het christelijke verhaal is min of meer losgelaten. Het meebrengen van speelgoed voor hen die het minder goed hebben, is belangrijk en sluit aan bij het solidaire karakter en de ‘iedereen doet mee’-gedachte. De Sterrentocht heeft voor deze vernieuwde traditie speciaal liedjes laten schrijven, houdt workshops op scholen en heeft als alternatieve folder een papieren kroon waarop verleden en heden van het feest staan uitgelegd. De multiculturele idealen die er bij de stichting zijn, hadden dit jaar een beperkte invulling, met deelname aan de Sterrentocht van een Poolse en een Afrikaanse groep. Gehoopt wordt dat de inclusieve deelname de komende jaren gaat groeien.

Na de pauze ging Paul Spapens in gesprek met Maria Castro. Afkomstig uit Mexico besprak zij hoe in haar geboorteland met zijn sterke katholieke traditie diverse BEDELfeesten feitelijk ook het karakter van een DEELfeest hebben: op 6 januari worden door de drie koningen cadeaus uitgedeeld en ontvangen. Er wordt taart gegeten en degene die hierin een bedeltje vindt, is de pineut en moet trakteren op Maria Lichtmis (2 februari). In de dagen vóór Kerstmis tonen mensen hun gastvrijheid (net als Jozef en Maria die op zoek gingen naar een slaapplaats) en wordt met anderen de maaltijd gedeeld. Maria Castro zong het daarbij behorende Mexicaans bedelliedje ‘Las Posadas’, waarin Jozef langs deuren gaat om te vragen naar onderdak.

Paul Spapens en Maria Castro
© Paul Slot. Brabant-Collectie, Tilburg University
Het symposium werd afgesloten met een paneldiscussie onder leiding van de dagvoorzitter. Deelnemers waren Frea Vancraeynest (Histories), Ludwig Caluwé (Algemeen Nederlands Verbond), Marco van Baalen (KIEN) en Paul Spapens. Vancraeynest benadrukte dat de “overdracht op nieuwe generaties belangrijk (is) voor het duurzaam overleven van de bedelfeesten”. Ook vroeg zij aandacht voor het aanwezige verschil tussen stad en platteland in de huidige uitvoering van de feesten. Caluwé vertegenwoordigt een organisatie die vooral ondersteuning biedt. Hij riep op om de “kennis over het onderwerp te bundelen en deze vast te leggen in een publicatie”. Over de vraag of bedelfeesten kunnen voortbestaan zonder steun van de gemeente is hij duidelijk: “Steun is onontbeerlijk! Er is geen sprake van een commercieel karakter, dus de feesten zouden het zeer lastig kunnen krijgen”. Van Baalen bracht de bedelfeesten in verband met de Omgevingswet die in 2024 in Nederland zal ingaan. Tradities hoeven volgens hem niet per se onveranderd te blijven bestaan. Mensen moeten zich er bij thuis voelen, ook ‘nieuwe’ mensen die de traditie niet kennen. De gebruiken moeten een zekere mate van relevantie hebben en als onderdeel van de “biografie van een plek” spelen bedelfeesten nadrukkelijk een rol en hebben daarmee zeker kansen. Spapens vroeg aandacht voor het probleem van het vinden van aansluiting bij andere culturele groepen. In het kader van de Tilburgse Sterrentocht is er veel energie in gestoken, maar met nog een beperkt succes. “We leven wel bij elkaar, maar we kennen elkaar niet” is een belangrijke constatering. Om tot meer resultaat te komen moet deze barrière worden geslecht. Vanuit het publiek werden aan het slot nog enkele interessante vragen en invalshoeken ingebracht, zoals: om jongeren beter te bereiken moet je niet over, maar met ze praten en waarom lukt het met het ene feest wel en met het andere niet. Ook werd aandacht gevraagd voor de vermoeidheid bij de kartrekkers in de verschillende organisaties en de hieruit voortkomende bedreiging voor het voortleven van de traditie.

Discussiepanel v.l.n.r. Paul Spapens, Marco van Baalen, Ludwig Caluwé en Frea Vancraeynest
© Paul Slot. Brabant-Collectie, Tilburg University

Op dit afwisselende symposium met lezingen, muziek, bewegend beeld en interactie met het publiek werd stilgestaan bij de huidige praktijk van de bedelfeesten en de kansen en bedreigingen die ermee gepaard gaan. Als optimistische afsluiting kon worden vastgesteld dat geeffeesten ván en vóór iedereen zijn en dat, wanneer er aandacht is voor het door-ontwikkelen en vernieuwen van de tradities en ingespeeld wordt op veranderde waarden en behoeften, er zeker een toekomst voor is.