Over mij

Mijn foto
De Brabant-Collectie is in 1837 in 's-Hertogenbosch opgericht door het Provinciaal Genootschap van Kunsten en Wetenschappen in Noord-Brabant en wordt sinds 1986 beheerd door de bibliotheek van Tilburg University
Posts tonen met het label molens. Alle posts tonen
Posts tonen met het label molens. Alle posts tonen

maandag 12 augustus 2024

Wandelen door de Brabant-Collectie: Van Drunen naar Vlijmen

Etappe 9 Zuiderwaterlinie Wandelpad (28,5 km)

Vandaag hebben we een flinke wandeling voor de boeg die van Drunen via Heusden naar Vlijmen loopt. Tweede helft 18e eeuw zag deze omgeving er uiteraard een stuk anders uit, zoals te zien is op onderstaande kaart uit onze collectie.
Kaart der Stadt en Landt van Heusden. Manuscriptkaart; pen, gekleurd. Maker onbekend. Datering:
1750-1800. Form.: 22,6 x 33,5 cm. Vindpl.: Generaliteitsland Brabant / Oost / Land van Heusden / XVIII B (1) 
Ondanks de toegenomen drukte en bebouwing kunnen we ook vandaag de dag nog genieten van natuurschoon en een flinke dosis cultuurhistorie op onze route. En dat begint meteen al bij knooppunt 39, het startpunt van onze wandeling. Hier, aan de uiterste westrand van Drunen, volgen we een graspad in noordelijke richting dat parallel loopt aan de Heidijk rechts van ons. Het is een restant van een middeleeuws dijkenstelsel, aangelegd in de periode 1230-1270 op de grens tussen Holland en Brabant. De Heidijk vormde de zuidelijke begrenzing van een enorme polder van 42.000 ha, de Groote of Hollandsche Waard. Deze polder ging tijdens en na de Sint-Elisabethsvloed van 1421 totaal verloren, ook al werd een deel van het gebied in de daaropvolgende eeuwen opnieuw ingepolderd.
Overigens volgen wij slechts een klein gedeelte van de Heijdijk. De gehele dijk (onder een andere benaming weliswaar) is veel langer en loopt als een lint vanaf hier helemaal langs de zuidkant van Drunen verder oostwaarts naar Nieuwkuijk en Vlijmen. Naast het historische belang heeft de Heidijk ook een grote natuurwaarde als leefgebied voor diverse planten- en diersoorten.

We lopen onder de Spoordijk door. Waar eerst de treinen de Baarse Overlaat passeerden op het traject Lage Zwaluwe – ’s-Hertogenbosch (zie ook etappe 8), rijden nu de fietsers ons voorbij. Rechts van ons ligt, ingeklemd tegen de prominent aanwezige geluidswal van de A59, de voormalige korenmolen Hertogin van Brabant.
Molen Hertogin van Brabant te Drunen. Foto. Maker onbekend.
Datering: 1930-1960. Formaat: 19 x 15 cm. Vindplaats: D 85 / 841.11 Hert (1)
We komen uit bij de Zeedijk, waar we op de kruising met de Kapelstraat in Elshout onderstaande grenspaal passeren. Op nog zes andere locaties in gemeente Heusden vind je zo’n paal die de oude grens tussen Holland en Brabant uit 1795 markeert.
Grenspaal op de Zeedijk bij Elshout (oktober 2023).
© Jolanda van den Akker / Brabant-Collectie, Tilburg University
Het is nu vier kilometer lang genieten tot aan Doeverenal wandelend over de meanderende Zeedijk die omzoomd is met veel groen. Bedenk wel dat je dit pad moet delen met (soms veel) fietsers. Deze zogenaamde zijkade is in de 11e en 12e eeuw aangelegd en maakte onderdeel uit van de eerder genoemde Groote of Hollandsche Waard. Na de Sint-Elisabethsvloed werd de dijk versterkt en opgehoogd, maar hij heeft nu geen waterkerende functie meer. We passeren een zestiental fotogenieke wielen die een rijke flora en fauna herbergen.
Wiel - Elshout. Foto. Maker: Jan van Giersbergen. Datering: 1950-1970. 
Formaat: 11 x 16,7 cm. Vindplaats: Giersb_NB_43
Wiel aan de Zeedijk nabij Elshout (oktober 2023). © Jolanda van den Akker /
Brabant-Collectie, Tilburg University
Omringd door al dat moois zou je haast vergeten dat in voorbije eeuwen de inwoners van deze streek veelvuldig met rampspoed werden geconfronteerd. Op zwakke plekken ontstonden door wateroverlast regelmatig breuken in de dijk, met alle ellende van dien. De meeste wielen zijn op deze manier ontstaan. Onderstaande prent van de Brabant-Collectie verbeeldt de overstroming van het Bergse Veld bij de Doeverense Sluis. Op 15 november 1775 probeerden mensen zichzelf en hun vee in veiligheid te brengen bij de ruïne van de kerk van Doeveren.
Gezicht van het Bergsche Veld, in het Land van Heusden, aan de Doversche Sluis,
in de overstrooming, den 15den Nov. 1775
. Kopergravure. Maker: N. van der Meer jr.
Datering: 1775-1776. Formaat: 33,7 x 50,5 cm. Vindplaats: D 57 / 1775 (1)
De Zeedijk kreeg vanaf eind 16e eeuw ook een militaire functie, waardoor het omliggende gebied meermaals geïnundeerd werd om de vijand op afstand te houden. Samen met onder andere de Doeverense Sluis en Fort Hedikhuizen (later meer hierover) maakte de Zeedijk deel uit van de Stelling van Heusden, een onderdeel van de Zuiderwaterlinie. Gemeente Heusden en onder andere provincie Noord-Brabant onderkenden de cultuurhistorische waarde van deze dijk en begonnen vanaf 2015 met het herstel van de verdedigings- en waterwerken. En daar plukken wij als wandelaar nu de vruchten van.

We bereiken Doeveren. Van de 16e-eeuwse schans die hier gelegen heeft, kan de scherpe observeerder nog iets van de contouren en de gracht in het landschap terug zien. Dan volgen enkele taaie kilometers verder oostwaarts langs de Bergsche Maas. Meer over de totstandkoming van deze nieuw gegraven rivier kun je lezen in het rijk geïllustreerde boek Honderd jaar Bergsche Maas; de scheiding van Maas en Waal.
Na het bedrijventerrein van Heeschbeen zien we in de verte vestingstad Heusden liggen. Eerste helft 18e eeuw verbeeldde kunstenaar Friedrich Bernhard Werner het zicht op deze stad als volgt.
Heusden. Tekening pen en penseel. Maker: F.B. Werner. Datering:eerste helft
18e eeuw. Formaat: 15,5 x 27,9 cm. Vindplaats: H 58 / 010 (3)
De route voert ons eerst met een grote bocht langs de buitenrand van de stad. Bij knooppunt 57 lopen we linksom over de vestingwallen langs de gracht en de bastions en hebben mooi zicht op de gerestaureerde stad. Heusden speelde een cruciale rol in de Tachtigjarige Oorlog (1568-1648) en verwierf faam als zuidelijkste bolwerk van de Oude Hollandse Waterlinie. In 1816 eindigde de vestingstatus en raakte Heusden in verval. De oorlogsverwoestingen van 1944 deden daar verder ook geen goed aan. Van eind jaren 60 tot in de jaren 80 van de vorige eeuw volgde een grootscheepse restauratie van de vesting. Onderstaande plattegrond van de Amsterdamse cartograaf Joan Blaeu is hierbij vaak als inspiratiebron genoemd.
Hevsden. Kopergravure, gekleurd. Maker: Joan Blaeu. Datering: 1652.
Formaat: 55 x 64 cm. Vindplaats: H 58 / 020 (5)
De resultaten van de restauratie mogen er zijn, ook al spreken sommigen van een ‘nostalgisch reservaat’. Interessant in dit kader is het artikel dat onze collega Olivier Rieter in 2020 schreef voor het tijdschrift In Brabant.

Op onze route over de stadswallen passeren we onder andere de Bromsluis, een (gedeeltelijke) reconstructie van kasteel Heusden, enkele stadspoorten en de haven. Weer terug bij knooppunt 57 hebben we onze ronde van Heusden voltooid en gaan we verder in de richting van Herpt. Hier passeren we de voormalige stoomzuivelfabriek Sint-Isidorus, waarvan de Brabant-Collectie onderstaande prentbriefkaart in haar bezit heeft.
Groete uit Herpt. Prentbriefkaart. Maker en uitgever onbekend. Datering: 1913-1920.
Formaat: 9 x 14 cm. Vindplaats: pbk-H 54.1 / 346.11 (1)
Nog een stukje cultureel erfgoed op onze route is Fort Hedikhuizen (momenteel niet opengesteld voor publiek). Het is gebouwd in de periode 1860-1863 ter verdediging van de nabijgelegen sluis waar we zo meteen langs lopen. In 1952 werden fort en sluis als vestingwerk opgeheven. Lange tijd was het fort een feest- en trouwlocatie. In 2022 kreeg het een nieuwe eigenaar, die momenteel bezig is met een herbestemming en renovatie van het fort.

Lopend over de fraai gelegen Hoge Maasdijk passeren we het Haarsteegse Wiel en de inundatiesluis van Hedikhuizen, gebouwd in 1862. Met deze sluis kon men op een gecontroleerde manier water vanuit de Maas binnendijks laten stromen ter bescherming van vesting Heusden. Dit rijksmonument is in 2002 gerestaureerd.

Inundatiesluis bij Fort Hedikhuizen (oktober 2023)
 © Jolanda van den Akker / Brabant-Collectie, Tilburg University
Via de Inlaagdijk lopen we langs de noordzijde van Haarsteeg. Vanaf hier hebben we aan onze linkerhand zicht op natuurreservaat De Sompen en Zooislagen. Deze natte natuurparel, grotendeels een oude Maasmeander, herbergt een rijke flora en een eendenkooi die alleen met een gids te bezoeken is. Via de Voordijk lopen we langs de oostkant van Vlijmen tot knooppunt 30, het eindpunt van vandaag.
De volgende keer lopen we van Vlijmen naar Lith.

Bronnen:
  • T. van der Aalst e.a.: Honderd jaar Bergsche Maas: de scheiding van Maas en Waal. Wijk en Aalburg: Pictures Publishers, 2004. Vindplaats: BRA W3 AALS  2004
  • J. van Balkom e.a.: Heusden... een groene gemeente! Vlijmen: Natuur- en Milieuvereniging gemeente Heusden, 2017. Vindplaats: BRA W4 BALK 2017
  • D. Dijs: Heusden: medaillon aan de Maas; portret van een gerestaureerde stad. Amersfoort: Akkolade, 1988. Vindplaats: BRA W4 DIJS 1988
  • Elshoutse Zeedijk: Historie en Natuur. In: Met Gansen Trou: themanummer, 2006, nr. 7/8, pag. 99-128. Vindplaats T 07445
  • H. van Engen e.a.: De metamorfose van Heusden: hoe een vestingstad aan de sloopkogel ontsnapte. Woudrichem: Pictures Publishers, 2019. Vindplaats: BRA Y3 ENGE 2019
  • B. van Opzeeland: De Elshoutse Zeedijk: stilte na de storm. In: Met Gansen Trou, 2014, nr. 4, pag. 49-59. Vindplaats: T 07445 

dinsdag 11 juli 2023

Molens in Noord-Brabant

Voor het juninummer van het tijdschrift In Brabant doken Jeroen Arts, Arnoud-Jan Bijsterveld en Emy Thorissen in de beeldbanken van diverse Brabantse archieven en erfgoedinstellingen en stelden een beeldverhaal over molens in onze provincie samen.

Op 13 en 14 mei vond in Nederland voor de vijftigste keer Nationale Molendag plaats. Van de ongeveer twaalfhonderd molens in Nederland staat zo’n tien procent in Noord-Brabant, een fractie van wat er ooit heeft gestaan.

De Koeveringse molen was een standerdmolen die precies op de grens van de voormalige gemeenten Sint-Oedenrode, Veghel en Schijndel stond. Daarom gaf hertog Jan II in 1299, voorafgaand aan de bouw, toestemming dat de molen graan mocht malen voor de inwoners van deze drie dorpen. Op 25 september 1944, tijdens de bevrijding, werd de molen in brand geschoten.
Foto: Nard Vogels, voor 1944. Brabant-Collectie, Tilburg University

Tijdens de agrarische expansie in de elfde en twaalfde eeuw deden water- en windmolens hun intrede in de Nederlanden: de oudste vermeldingen van windmolens in Vlaanderen dateren uit die tijd. In cijnslijsten en oorkonden uit Noord-Brabant vinden we de eerste watermolens terug, zoals die van Stipdonk op de Aa bij Lierop, vermeld in 1179. De eerste West-Europese windmolens waren zogeheten standerd- of kastmolens, die graan tot meel maalden. In de eeuwen daarna volgden tal van technische verbeteringen, zoals een draaibare kap die het mogelijk maakt de wieken naar de wind te draaien. In de late middeleeuwen werden de eerste molens gebouwd in (bak)steen, aanvankelijk als rechtopgaande torenmolens, later taps toelopend. De oudste stenen molen van Nederland staat in Zeddam en dateert van voor 1441. Een unieke molen is de getijdenmolen in Bergen op Zoom, aangedreven door eb en vloed en gebouwd rond 1500.

De Hooidonkse watermolen staat in Nederwetten en bestaat uit twee houten gebouwen die deels over het water van de Dommel zijn gebouwd. Twee raderen van hout en metaal dreven in het verleden een koren-, olie- en houtzaagmolen aan.
Foto: Nard Vogels, jaren 1940. Brabant-Collectie, Tilburg University

Wind- en watermolens vervulden tal van functies: het waren vooral korenmolens. Daarnaast werden ze gebruikt om hout te zagen, uit zaden olie te slaan en graan of rijst te pellen. Watermolens dienden ook voor het vollen van wollen stoffen en het pletten van lompen voor papierfabricage. Voor het droogmalen van polders werd aanvankelijk de kleine wipmolen gebruikt. In het Land van Altena vinden we nu nog verschillende poldermolens. In havens, op boerderijen en in ambachtelijke werkplaatsen stonden tred- of rosmolens, waarbij de aandrijvingskracht werd geleverd door een paard of een ezel. Tijdens de belegering van ’s-Hertogenbosch in 1629 zette het Staatse leger rosmolens in om de geïnundeerde omgeving van de stad droog te leggen en haar zo tot overgave te dwingen. In de twintigste eeuw werden voor afwatering en irrigatie ook het metalen Bosmanmolentje (met vier wieken en de kenmerkende windvaan) en de veelbladige ‘Amerikaanse’ molens ingezet. Nu worden sommige watermolens ingezet als krachtcentrale, zoals de voormalige Volmolen in Waalre. Die wordt op dit moment omgebouwd naar een elektriciteitsproductie van 130 duizend kilowattuur per jaar, genoeg voor veertig gezinnen.

Molen De Vogelenzang in Lieshout is een in 1819 gebouwde bergkorenmolen. Vincent van Gogh vermeldt dat hij de molen in 1885 tekende en schilderde. De gemeente is sinds 1974 eigenaar van deze molen. Na de restauratie kan er weer graan worden gemalen.
Foto: Nard Vogels, jaren 1940. Brabant-Collectie, Tilburg University
Onze provincie moet honderden wind- en watermolens hebben geteld, maar de introductie van de elektro- en benzinemotor vanaf het begin van de twintigste eeuw maakte ze overbodig. Oorlogsgeweld en de kanalisatie van beken en rivieren deden de rest. Molens werden omgebouwd, gesloopt of raakten in verval. Zo zijn op Noord-Brabantse rivieren en beken slechts twaalf van de oorspronkelijk tientallen watermolens bewaard gebleven, vooral in Zuidoost-Brabant. Van Gogh legde verschillende hiervan vast. Na jarenlange verwaarlozing verdwenen ze zelfs nog in de jaren tachtig, net als sommige windmolens. Een bijzondere en fraai herstelde combinatie is de wind- en watermolen van Kilsdonk, onder Heeswijk-Dinther. Qua functie zien we de meest uiteenlopende combinaties: de Opwettense watermolen onder Nuenen diende in de loop van de eeuwen als korenmolen, oliemolen, volmolen, pelmolen, houtzaagmolen en ter aandrijving van de machines in een meubelmakerij.

Stellingmolen De Nijverheid, voorheen De Raaf, in Ravenstein, gebouwd in 1857, staat op het voormalige bastion Utrecht. Met zijn hoogte van 30 meter is het de op één na hoogste molen van Noord-Brabant.
Foto: Nard Vogels, jaren 1940. Brabant-Collectie, Tilburg University

Noord-Brabant telt nu nog zo’n 117 complete windmolens. Her en der staan de rompen van voormalige windmolens. Op verschillende websites worden de Noord-Brabantse molens beschreven en onderscheiden naar type en functie. Een veel voorkomend type is de belt- of bergmolen, gebouwd op aarden heuvels, om zodoende de wieken vanaf de grond te kunnen kruien. Om nabij bebouwing en steden meer wind te kunnen vangen, moesten windmolens namelijk steeds hoger worden. In de heuvel werd aan twee zijden een doorgang gemetseld, waardoor wagens de molen kunnen in- en uitrijden om te laden en te lossen. Stellingmolens zijn zo hoog dat de wieken niet, zoals bij een zogenoemde grondzeiler, vanaf de grond bediend kunnen worden maar vanaf een stelling of omloop rond de molen. In Noord-Brabant zien we ze op verschillende plaatsen, soms op of nabij vestingwallen. Op de wallen van ’s-Hertogenbosch stonden in de zestiende eeuw wel zeventien molens; de laatste werd in 1939 gesloopt. Bij de reconstructie van de vesting van Heusden in de jaren zeventig werden juist drie standerdmolens herbouwd. 

maandag 18 juli 2022

Wandelen door de Brabant-Collectie: Van de Venbergse Watermolen naar Luyksgestel

Etappe 10 Brabants Vennenpad (25,7 km)

We beginnen de wandeling vandaag bij de Venbergse Watermolen. Deze molen wordt voor het eerst genoemd in een document uit 1227 van hertog Hendrik I van Brabant die een derde deel schenkt aan een zusterklooster in Postel. Ruim honderd jaar later komt de molen volledig in bezit van de norbertijnenabdij in deze plaats. Dit bezit eindigt in 1716 na confiscatie van alle Postelse abdijbezittingen in de Meierij van ‘s-Hertogenbosch door de Raad van State van Holland. In 1740 volgt een publieke verkoop. Inmiddels is de Venbergse Hoeve een van de meest renderende boerderijen van de omgeving geworden. Onder andere familie Snieders – grondlegger van brouwerij Dommelsch – is in de 18e eeuw eigenaar geweest van de hoeve en molen. Het gebouw in de huidige opzet dateert van 1895, met nog enkele delen die ouder zijn.
Venbergse Watermolen. Foto. Maker: Jan van Giersbergen.
Datering: jaren 1960. Formaat: 11,3 x 17,2 cm. Vindplaats: Giersb_NB_33
© Brabant-Collectie, Tilburg University

Venbergse Watermolen (oktober 2021)
© Jolanda van den Akker / Brabant-Collectie, Tilburg University
Vanaf 1918 is de molen in handen van familie Rietra, een molenaarsgeslacht dat oorspronkelijk afkomstig is uit Noord-Italië. Begin jaren 70 van de 20e eeuw dreigt de molen te verzakken, maar er is geen subsidie voor restauratie. Dus pakken vader en zoon Jac Rietra deze klus zelf maar op. Rietra importeert hiervoor hout uit het Oostenrijkse plaatsje Schwoich, waar hij met zijn familie regelmatig vakantie viert. Bij de heropening van de molen in 1977 is de burgemeester van Schwoich aanwezig. Op de beeldbank van Heemkundekring Weerderheem staan hier enkele mooie foto’s van, zoals bijvoorbeeld deze. Momenteel wordt er niet meer gemalen met de molen, maar in de zomermaanden draait hij nog regelmatig. Verder is er een horecagelegenheid en is het een bekend vertrekpunt geworden voor een kanotochtje over de Dommel.

We laten de molen achter ons liggen en lopen zuidwaarts richting De Malpie; een prachtig en afwisselend natuurgebied met stuifzand, heide, vennen, bossen en de Dommel die er dwars doorheen stroomt. Over de herkomst van de naam bestaan verschillende theorieën. Sommigen zien er een afgeleide in van het Franse ‘mal pays’ (slecht land), maar dat idee wordt vaak afgewezen aangezien de naam Malpie niet afkomstig is uit de Franse Tijd. Anderen zien er het oud-Nederlandse woord ‘maal pee’ in terug: maal betekent grenspaal en pee is een zandrug of zandpad, dus: een plaats waar paden over een zandrug langs een grenspaal leiden. Een andere naamsverklaring is dat mal duidt op malen, en pie op pad: een maalpad naar de Venbergse molen. Wie het weet, mag het zeggen.
Valkenswaard. "De Malpaysberg". Prentbriefkaart. Maker en datering: onbekend.
Uitgever: Boek- en kantoorboekhandel J. Priem, Valkenswaard. Formaat: 9 x 14 cm.
Eigendom Brabant-Collectie, Tilburg University
We lopen langs de Malpieberg, een soort zandduin die ongeveer 6 meter hoger ligt dan zijn omgeving. Het hoogteverschil is na de laatste ijstijd ontstaan door het opstuiven van zand. In de laagten die overbleven vormden zich vennen. Zo’n 15.000 jaar geleden vestigden de eerste mensen zich rond De Malpie, zo ook op de Malpieberg. Er zijn hier restanten van bewoning gevonden, maar hoe permanent die nederzetting was, is moeilijk te zeggen. Wat vaststaat is dat dit een strategische plek was: vlak bij de bossen voor de jacht en de Dommel om te vissen, maar hoog en droog als die rivier buiten haar oevers trad.
Valkenswaard (Borkel) Naar Malpays-Vennen. Prentbriefkaart. Maker en datering: onbekend.
Uitgever: Gebr. Simons, Ubach over Worms. Formaat: 9 x 14 cm.
Eigendom Brabant-Collectie, Tilburg University
De Malpie (oktober 2021)
© Jolanda van den Akker / Brabant-Collectie, Tilburg University
We verlaten De Malpie, steken de Dommel over en lopen langs de graslanden met aan de rechterhand Borkel en aan de linkerhand Schaft. De eerste schriftelijke vermelding van Borkel is rond 1340-1350 in het Cijnsboek van de hertog van Brabant. De naam Schaft duikt zo’n honderd jaar later op. Het zijn twee aparte kerkdorpjes, van elkaar gescheiden door de Dommel. Borkel kenmerkt zich door schrale zandgronden en heide, Schaft profiteert van meer vruchtbare grond. Mei 1810 worden de plaatsen samengevoegd tot één gemeente, Borkel en Schaft. Maar voor de bewoners blijven het toch lang twee afzonderlijke, hechte gemeenschappen. In 1845 wordt in Borkel een gezamenlijke nieuwe kerk gebouwd, de Sint-Servatiuskerk. In 1934 wordt de plaats ‘opgeslokt’ in de nog grotere gemeente Valkenswaard.
Borkel en Schaft, de "Dommel". Prentbriefkaart. Maker en datering: onbekend.
Uitgever: JosPé. Formaat: 9 x 13,8 cm. Eigendom Brabant-Collectie, Tilburg University
Zicht op de Sint-Servatiuskerk van Borkel (oktober 2021)
© Jolanda van den Akker / Brabant-Collectie, Tilburg University
Joop van Appeldorn schreef in 2015 een interessant verhaal over twee families die in de 19e eeuw “op de Schaft” woonden en bekend stonden als teuten. Dit zijn rondreizende handelaren die indertijd een belangrijke rol speelden in dit gedeelte van Brabant. De families waar Van Appeldorn over schrijft, verblijven lange tijd in het westen van het land en verkopen daar met name textiel. Dat gebeurt vaak in een winkel die gerund wordt door de jonge dochters, maar ook door mannen die met goederen op de rug langs de deuren trekken. Na enige tijd komen ze weer terug naar hun dorp, vaak met een goed gevulde geldbuidel. Ze worden daar dan mensen van aanzien, die hun vermogen in onroerend goed beleggen en leningen verstrekken. Vaak is er sprake van specialisatie bij deze handelslui. Zo heb je: koperteuten, tafteuten oftewel pakdragers (handelaren in textiel), snijders oftewel dierenlubbers (specialisten in het castreren van vee), haarteuten, echelteuten (handelaren in bloedzuigers voor medicinale doeleinden) en gleiswerk-teuten (handelaren in aardewerk). Ze trekken vanuit de Kempen en het Duitse Westfalen door Nederland, Duitsland, Frankrijk, Luxemburg en Denemarken. Teuten organiseren zich in kleine gezelschappen die zich kenmerken door hun complexe organisatie. In die zin onderscheiden zij zich van leurders en marskramers. Ook Luyksgestel, het eindpunt van onze wandeling, heeft een indrukwekkend teutenverleden. Maar daarover de volgende keer meer.

Lopend langs de Dommel bereiken we het buurtschap Achterste Brug. De in Valkenswaard geboren dichter, schrijver en vertaler Frans Hoppenbrouwers (1940-2013) schreef hierover het volgende sonnet, dat is opgenomen in zijn bundel Dorp aan de Dommel (2010).

De Achterste Brug

Het boeren leven heeft hier nog een stem.
Al overheerst de maïs ook hier het koren,
je kunt er soms de schuwe kwartel horen
of een patrijs, schor kirrend, in de brem.

De koeien staan bijeen rustig te grazen
of liggen, loom herkauwend, in het gras.
Het is nog steeds zoals het vroeger was,
je hoort er nog het zoemen van de dazen.

Ik zit hier soms een uur lang te genieten,
nabij de Dommel die mijn liefde heeft.
Ik luister naar het groeien van de bieten,

daar ik veel eerbied heb voor al wat leeft.
Ik zou hier heel mijn leven willen blijven,
al weet ik goed dat dromen niet beklijven.

Als eerbetoon aan deze dichter heeft werkgroep Beleef het gedicht een wandelroute en een fietsroute uitgezet, waarbij je langs een aantal zogenaamde gedichtentafels komt. Dit zijn aluminium tafeltjes die gedekt zijn met een oranje ‘kleedje’. Hierop liggen twee dichtgeslagen boeken met daarop een vogeltje. Daarnaast ligt een opengeslagen boek met twee gedichten: een van Hoppenbrouwers en eentje van een basisschoolleerling uit Valkenswaard. Tijdens onze wandelroute komen we meerdere van deze gedichtentafels tegen.

We lopen verder en komen bij De Plateaux-Hageven, een Nederlands-Belgisch natuurgebied. Opnieuw een heerlijk gebied om al wandelend te doorkruisen, met een variatie aan bos, heide en vennen. Cultuurhistorisch van belang zijn hier de Pelterheggen vloeiweiden. Dit stelsel van kanaaltjes, sloten, stuwen en aquaducten liet tweede helft 19e eeuw het kalkrijke water uit de Maas over de weiden stromen, zodat die geschikt werden voor hooiland. Na 1900 werden, door de introductie van kunstmest, de vloeiweiden minder belangrijk en raakten in verval. Maar gelukkig werden ze rond 1983 hersteld. Dat Nederland samen met enkele andere Europese landen onlangs de techniek van grasbevloeiing heeft voorgedragen aan de UNESCO-lijst voor immaterieel erfgoed zegt genoeg. Overigens is de plantengroei hier ook uitzonderlijk. Tijdens de aanleg van de vloeiweiden werden grasplaggen, die vol zaten met zaden en kruiden, uit Zwitserland gebruikt. Daardoor bloeien hier nu nog krokussen en brede orchissen. In 1950 kocht een aannemer de Pelterheggen. Hij liet vanuit Maastricht extra grond, die gevuld was met zaadjes van de herfsttijloos, aanbrengen. Vandaar dat je deze voor Nederland zeldzame plant hier kunt tegenkomen.

Ook De Liskes, een voormalig visvijvercomplex, is een gebied waar natuurrijkdom en cultuurhistorie hand in hand gaan. In de vorige etappe is uitgebreid ingegaan op de commerciële visteelt van begin 20e eeuw rondom Valkenswaard. Bij De Liskes werden in die tijd karpers en waterlelies gekweekt. Kort na de Tweede Wereldoorlog is het in verval geraakte complex vrijwel geheel opnieuw aangelegd, omdat sinds de crisisjaren het benodigde geld voor onderhoud ontbrak. Er kwamen nieuwe kades en dijken, stuwen en duikers (ook wel waterhuishoudkundige kunstwerken genoemd). In 1992 komt De Liskes in handen van Natuurmonumenten en die maakt er een mooi natuurgebied van. Maar in de loop der tijd raken de dijken en kades overwoekerd en de vijvers vallen regelmatig droog. In 2021 start Natuurmomenten samen met Waterschap De Dommel een project voor herstel van de visvijvers. Op 23 mei jl. is de oplevering van dit project gevierd met de onthulling van een nieuw informatiebord. Door het herstel is een belangrijk natuurgebied én een stukje cultuurhistorie behouden gebleven.

En zo bereiken we de eindbestemming van deze dag: Luyksgestel. De volgende keer, als we verder lopen naar Bladel, meer over dit dorp vlak bij de Belgische grens.


Bronnen:
  • J. van Appeldorn: Borkel en Schaft en zijn teuten. Vianen: Optima; Valkenswaard: Heemkundekring Weerderheem, januari 2015. Vindplaats: BRA Y3 APPE 9
  • J. van Appeldorn: De natuur in Valkenswaard en de invloed van de mens op het landschap. Vianen: Optima; Valkenswaard: Heemkundekring Weerderheem, juli 2016. Vindplaats: BRA Y3 APPE 21
  • C.M. Bungenberg de Jong: Geschiedenis en ontwikkeling van het viskweekbedrijf "Valkenswaard". Utrecht: Organisatie ter Verbetering van de Binnenvisserij, 1964. Vindplaats: CBM 966 B 29
  • F. Hoppenbrouwers: Dorp aan de Dommel: bloemlezing van Valkenswaardse gedichten. Valkenswaard: Stichting Poëzie Lokaal, 2010. Vindplaats: CBM 057 E 57

maandag 25 april 2022

Wandelen door de Brabant-Collectie: Van de Collse watermolen naar station Heeze

Etappe 7 Brabants Vennenpad (19,2 km)

Vanaf de weg zien we de Collse watermolen liggen, een dubbele onderslagmolen met rechts een koren- en links een oliemolen. De molen ligt, net als de Opwettense watermolen uit etappe 6, aan de Kleine Dommel.
Collse watermolen (maart 2021)
© Jolanda van den Akker / Brabant-Collectie, Tilburg University

Collse watermolen. Foto. Maker en datering onbekend.
Formaat: 15 x 24 cm. Vindplaats: E 21 / 842.11 Coll (4)
Het oudst bekende document waarin de molen wordt genoemd, dateert uit 1337. De Hertog van Brabant geeft de molen ‘te Colle’ in leen aan Rudolfus Rover van Hoescoet, die hem op zijn beurt verkoopt aan Otto van Cuyck, de heer van Cuijk en Mierlo. In 1680 brandt de molen geheel af, maar een jaar later herrijst hij weer en wordt tot 1859 verpacht. Dan komt de molen in handen van Jan Smulders, burgemeester en molenaar in Zesgehuchten. Vincent van Gogh woont vanaf december 1883 twee jaar in Nuenen. Lente 1884 schildert hij de Collse molen. Dit olieverfschilderij wordt november 2017 voor bijna 3 miljoen euro aangekocht door Het Noordbrabants Museum in 's-Hertogenbosch. De eerste helft 20e eeuw raakt de molen in verval, maar gelukkig komen in 1975 initiatieven op gang voor herstel. In 2003 is de reconstructie en restauratie afgerond en vanaf dan verhuurt gemeente Eindhoven de molen aan stichting De Eindhovense Molens.

Iets verderop aan de Collseweg ligt ‘t Huys te Coll. Molenaar Rombout Smits koopt in 1778 een huis naast de molen dat is ingericht als bierhuis. Negen jaar later bouwt hij tussen dat pand en de Collseweg een nieuw huis, ’t Huys te Coll, en dat wordt ook een bierhuis. Zijn nazaten zetten dit zo voort. In 1873 komt het in handen van koopman Jacob Neiszen. In 1918 is Johanna, ongehuwd en een van de vier kinderen van Jacob, de enige bewoonster van het huis. Ze leeft een teruggetrokken leven, met enkel een bok en wat kippen als gezelschap. Wordt ze eerst nog als tante Han aangesproken, al snel verandert dat in Collse heks en de kinderen uit de buurt roepen haar na met Hanneke Tanneke Toverkol. Het verhaal gaat dat ze zo mensenschuw was dat leveranciers de bestellingen door een luikje in een raam naar binnen moesten schuiven. In 1933 wordt ze ernstig ziek en komt in het ziekenhuis terecht waar ze niet veel later op 69-jarige leeftijd sterft. De gemeente heeft er een hele kluif aan haar zwaar vervuilde woning uit te mesten. Half Tongelre loopt uit bij het verbranden van al het afval.

Lopend door de prachtige, maar drassige Urkhovense Zeggen komen we uit bij het Eindhovens Kanaal, dat als een kaarsrecht lint in het landschap ligt. Dit kanaal is tussen 1843 en 1846 gegraven en vormt een verbinding tussen Eindhoven en de Zuid-Willemsvaart. Het heeft nu alleen nog een recreatieve functie. We lopen verder langs de Kleine Dommel en komen uit bij de tuinen van Kasteel Geldrop, die in 1870 in Engelse landschapsstijl zijn aangelegd.
Kasteel van Geldrop. Prentbriefkaart. Maker en datering onbekend.
Uitgever: Rembrandt. 
Formaat: 12,5 x 9 cm. Vindplaats: pbk-G 26.1 / 820.11 (1)  
Het kasteel zelf zien we op een afstandje liggen. Het bouwwerk is overigens geen middeleeuwse burcht, maar ontstaan uit de nieuwe edelmanswoning die kasteelheer Amandus I van Horne rond 1616, vlak voor zijn dood, heeft gesticht. Centraal stond een woontoren oftewel donjon die is afgebroken in 1840. De Brabant-Collectie bezit onderstaande aquarel, maar het is onbekend of het hier de woontoren betreft of de Burght, een ander kasteel in Geldrop. Beide torens raakten in verval in de 18e eeuw.
Ruïne van het Kasteel te Geldrop in Staats-Brabant. Aquarel.
Maker en datering onbekend. Formaat: 21,9 x 16,3 cm. Vindplaats: G 26 / 820.11 (2)
Tegenwoordig is het kasteel in handen van een stichting en worden er tal van evenementen georganiseerd. Aangekomen op de Heuvel in Geldrop loont het de moeite een klein uitstapje te maken naar de Sint-Brigidakerk. Architect Carl Weber maakte het ontwerp voor deze kerk, die in 1891 wordt ingezegend. Het eindresultaat is een forse kruiskerk met een achtzijdige koepel in neoromaanse stijl.
Geldrop. R.K. Kerk. Prentbriefkaart. Maker onbekend. Datering: vóór 1917.
Uitgever: G. Thielens-Cappers. Formaat: 14 x 9 cm. Vindplaats: pbk-G 26.1 / 411.11 Brig (4) 
Op deze plaats stond eerst een andere kerk. In de 14e eeuw bouwt men hier een dorpskerk die is toegewijd aan O.L. Vrouw en Brigida. Als deze te klein wordt bevonden, wordt halverwege/eind 19e eeuw het plan opgemaakt een nieuwe kerk te bouwen mét behoud van de toren. Maar een zware storm verwoest op 30 oktober 1887 de toren dusdanig dat deze alsnog gesloopt wordt. Onderstaande tekeningen tonen de oude kerktoren vóór en na het instorten.
Toren te Geldrop Noord-Braband 30 Oct. 1887. Fotolithografie. Maker: G.J. Thieme.
Datering: 1887. Formaat: 32,9 x 22,7 cm. Vindplaats: G 26 / 411.11 Brig (4)
Deze afbeeldingen horen bij een artikel uit 26 november 1887, gepubliceerd in De Opmerker (jaargang 22, nr. 48). Dit eerste architectuur- en bouwtijdschrift van Nederland verscheen van 1866 tot 1919 en was van 1883 tot 1892 het orgaan van architectuurgenootschap Architectura et Amicitia. In het artikel lezen we: “Zoo weinig beteekenend de kerk zelve was, zoo flink zag de toren eruit. (…) Het plan was dan ook den toren te behouden, reden waarom men, alvorens de kerk geheel te sloopen, den toren verankerde volgens orders van een architect.” Maar dit mocht niet baten; genoemde storm verwoestte de toren. De auteur van het artikel had geen goed woord over voor degenen die verantwoordelijk waren voor het beheer van de toren: “De man echter, die met den toestand goed bekend moest zijn, had nog kort te voren verklaard, dat er hoegenaamd geen gevaar bestond, waarom dan ook des Zondagsmorgens nog de klokken geluid werden. En dit alles niettegenstaande veertien dagen te voren reeds een van de nieuwe ankers gesprongen was, reeds brokken metselwerk bij den traptoren hadden losgelaten, en sedert acht dagen het torenuurwerk was blijven stilstaan!” Volgens de auteur was er sprake van verzwakking van de muren en had men vóór het slopen van de kerk dit eerst moeten herstellen. En de aangebrachte ankers hadden helemaal geen nut, integendeel, ze verminderden eerder de stabiliteit. De auteur besluit als volgt: “Uitgenomen de spits, die slechts als een noodkap dienst deed, was de kolossus een sieraad voor de gemeente; hij getuigde van schoonheidszin, offervaardigheid en geloof der Geldropsche voorvaderen. Aan de roekeloosheid, onbedachtzaamheid en onkunde van de deskundigen onzer eeuw, heeft Geldrop het verlies van dien dierbaren reliek en groote financiëele schade daarenboven te wijten. (…) Ware zoo iets voorgevallen, bijv. in Duitschland, den architect ware voorzeker zijn brevet van bekwaamheid ontnomen. Dat te onzent hierop geen acht wordt geslagen, pleit niet voor vrijheid, maar getuigt van ordeloosheid.”

We lopen verder en zien nog net, voordat we oevers van de Kleine Dommel volgen, de fraaie gevel van het Weverijmuseum in de Molenstraat. Hier was tot 1981 N.V. Wollenstoffenfabriek v/h A. van den Heuvel & Zoon gevestigd, die in zijn bloeiperiode werk bood aan 400 medewerkers. Vanuit het museum is de inpandige Geldropse watermolen te bezichtigen die vroeger in gebruik was als spinnerij. We laten de bebouwing achter ons, steken via het viaduct de A67 over en bereiken Natuurpoort De Plaetse en het Heidecafé. Een mooie gelegenheid voor een pauze, om daarna te genieten van de vergezichten op de Strabrechtse Heide. Hierna komen we bij het laatste stukje cultureel erfgoed van vandaag: Kasteel Heeze.

Kasteel Heeze N.B. Prentbriefkaart. Maker en datering onbekend.
Uitgever: H. Vollenberg. Formaat: 9,2 x 14 cm. Vindplaats: pbk-H 41.3 / 820.11 (1)
Het huidige bouwwerk is geheel omgracht en dateert uit 1662-1665. Architect Pieter Post kreeg van kasteelheer Albert Snouckaert van Schauburg de opdracht een grote, vierkante burcht te bouwen op de plaats van het middeleeuwse kasteel Eymerick. Maar al tijdens de bouw van de voorburcht werd duidelijk dat het gehele project te duur zou worden. Aldus bleef het bij deze voorbouw, die nog werd verhoogd met een extra verdieping. Kasteel Eymerick bleef staan. Overigens is de ligging strategisch gekozen aan de samenvloeiing van de Groote Aa met de Sterkselse Aa. Hierdoor is de watervoorziening van de grachten altijd op orde. Na het kasteel gaan deze twee beken verder als de Kleine Dommel oftewel Rul, al gedurende meerdere van onze wandeletappes een trouwe gezel. Sinds 1760 woont familie Van Tuyll van Serooskerken op Kasteel Heeze. Daarmee is het één van de laatst bewoonde kastelen van Nederland. Het gebouw is opengesteld voor rondleidingen en je kunt er terecht voor diverse zakelijke en/of feestelijke bijeenkomsten. Voor nu laten we het complex links liggen en lopen de 500 meter lange oprijlaan af. Achteromkijkend kunnen we nog even genieten van het uitzicht.
Kasteel Heeze met oprijlaan (mei 2021)
© Jolanda van den Akker / Brabant-Collectie, Tilburg University
Vanaf hier is het nog maar een klein stukje naar station Heeze, het eindpunt van vandaag. De volgende keer lopen we verder naar Soerendonk.

Bronnen:
  • E. Franken e.a.: Kasteel Geldrop: een edel verleden. Utrecht: Uitgeverij Matrijs, 2016. Vindplaats: BRA J FRAN 2016
  • W. van Heugten e.a.: Watermolen 't Coll Eindhoven. Eindhoven: Stichting 'De Eindhovense Molens', 2003. Vindplaats: BRA J3 HEUG 2003
  • J. van Hoek (1995): Vincent van Gogh, de Collse heks en het Rouwboerke. In: Gruun Buukske. Jaargang 24, nummer 3, pag. 98-101. Vindplaats: T 07410
  • J. Spoorenberg (1995): Nogmaals de Collse heks. In: Gruun Buukske. Jaargang 24, nummer 4, pag. 125-126. Vindplaats: T 07410
  • H. Verhees-Wouters: De geschiedenis van het Kasteel Geldrop & zijn bewoners. Heemkronyk, jaargang 36, nummer 2/3. Geldrop: Heemkundige Kring "De Heerlijkheid Heeze-Leende-Zesgehuchten", 1997. Vindplaats: BRA J VERH 1997

maandag 28 maart 2022

Wandelen door de Brabant-Collectie: Van Wolfswinkel naar de Collse watermolen

Etappe 6 Brabants Vennenpad (17.5 km)

Nadat we het gehucht Wolfswinkel zijn gepasseerd, lopen we richting de noordkant van Son en Breugel. We komen uit bij een dode arm van de Dommel en het natuurgebied De Sonse Bergen.
Sonsche bergen. Prentbriefkaart. Datering: 1948. Uitgever: JosPé, Arnhem.
Formaat: 9 x 14 cm. Eigendom Brabant-Collectie
De “heuvels” die we hier tegenkomen, behoren tot de Midden-Brabantse dekzandrug die zo’n 10.000 jaar voor Christus is ontstaan. In 1830 is het gebied in handen van een negental eigenaren. De Dommel meandert fraai door het landschap, tot in 1878-1879 de rivier wordt rechtgetrokken door een drietal bochten af te snijden. Een dode arm van de Dommel en een poel in het weiland herinneren aan de oude loop. Boeren leggen in die tijd houtwallen aan om hun akkers te beschermen tegen het stuifzand en voor het winnen van geriefhout. John Bruinsma (Heem Son en Breugel, 2002, jg. 17, nr. 2) stelt dat het aannemelijk is dat deze houtwallen middeleeuws zijn. In 1926 begint dr. Anton F. Philips met de aankoop van gronden in dit gebied, genaamd De Kleine Heide. Zijn doel is van deze akkertjes, heide- en stuifzandgebieden een ontspanningsoord te maken voor de kinderen van zijn werknemers. Tevens laat hij het gebied beplanten met naald- en loofbomen. In totaal wordt 27,5 ha omgedoopt tot Landgoed Son, een plek die grote recreatieve bekendheid krijgt, ook buiten Son. Lang blijft het gebied onaangetast, totdat eind 1958 het zuidelijke deel van het landgoed wordt verkocht aan N.V. Maatschappij voor Onroerend Goed De Nieuwe Erven. Deze aan Philips verbonden onderneming bouwt er 152 huurwoningen. Het resterende noordelijke gedeelte gaat De Sonse Bergen heten. In de jaren 70 van de vorige eeuw slaat de verloedering toe en lijdt het bosgebied onder illegale vuilstort en crossende brommers. Philips verkoopt de Sonse Bergen in 1974 aan Brabants Landschap en na een gebiedsruil komt het in 1991 in handen van Staatsbosbeheer. Momenteel is gemeente Son en Breugel betrokken bij het beheer en onderhoud. Recente grootschalige houtkap schoot bij sommigen in het verkeerde keelgat, zoals hier te lezen is. Bij de nieuwe boomaanplant zijn nu de omwonenden betrokken en hopelijk komt het vertrouwen hierdoor terug.

We verlaten de bossen en komen uit bij de Sint-Genovevakerk, de Rooms-Katholieke parochiekerk van Breugel. Deze kerk is gewijd aan de heilige Genoveva van Parijs. Volgens de overlevering zou zij in de buurt van Breugel hebben gewoond en water uit een poel hebben gedronken die later Genovevaput werd genoemd. Aan het water werd door vereerders een geneeskrachtige werking toegekend. De put is waarschijnlijk in de 17e eeuw gedempt, maar de exacte locatie is niet meer bekend. In de kerk bevinden zich een relikwie en een eikenhouten beeld van Sint-Genoveva.
Groeten uit Breugel. Prentbriefkaart met de Sint-Genovevakerk. Maker en uitgever onbekend.
Datering vóór 1959. Formaat: 9 x 14 cm. Vindplaats: pbk-B 85 / 411.11 Geno (2)
Sint Genovevastraat, met gelijknamige kerk, te Breugel (maart 2022)
© Jolanda van den Akker / Brabant-Collectie, Tilburg University
De gotische kerk stamt uit de tweede helft 15e eeuw. De middeleeuwse constructie van schip en koor wordt omstreeks 1580 vervangen, mogelijk na brandstichting. Op zondag 9 november 1800 wordt de kerk wederom getroffen als bij een zware storm de oorspronkelijk 25 meter hoge torenspits op het dak van de kerk valt. Trouwe lezers van deze blogreeks kunnen zich wellicht nog herinneren uit Etappe 5 dat op diezelfde dag de knop van de Knoptoren in Sint-Oedenrode is gewaaid! Een dag met catastrofale gevolgen dus, maar niet alleen voor deze twee plaatsen. Een monsterstorm raast over de Bataafse Republiek en de Zuidelijke Nederlanden. Deze laat een spoor van vernieling achter en veroorzaakt veel schade aan huizen, kerken en bossen. Online is een verslaglegging van deze storm te lezen, getiteld “Beschrijving van den storm van den negenden November des jaars 1800” (Haarlem: A. Loosjes Pz., 1801). Hierin spreekt de anonieme auteur van “eenen Storm, die waarlijk eenige overeenkomst gehad heeft met die Orkaanen, welke somtijds de geduchtste verwoestingen op de Eilanden van America aanrichten”. Pas in 1821 krijgt de Sint-Genovevakerk een nieuwe spits, die overigens aanzienlijk korter is. Een jaar later worden de dwarsbeuken gesloopt. Deze worden tijdens de restauratie en uitbreiding van de kerk onder leiding van architect Jan Strik in 1959-1960 herbouwd.

We lopen de Sint Genovevastraat uit en bereiken het Pieter Brueghelplein. Hier staat een stenen gedenkteken ter nagedachtenis aan de kunstschilder Pieter Bruegel de Oude (ca. 1525-1530 – 1569). Zijn exacte geboorteplaats is niet bekend, maar het vaakst worden genoemd Breda en Breugel. De Vlaamse schrijver Felix Timmermans deed onderzoek naar het leven van deze schilder en kwam met het initiatief in Breugel een monument op te richten. Architect A.J. Kropholler maakte het ontwerp van dit eenvoudige gedenkteken.
Zaterdag 9 oktober 1926 onthult jhr. mr. Alexander van Sasse van Ysselt het monument. Hij is voorzitter van Het Provinciaal Genootschap van Kunsten en Wetenschappen in Noord-Brabant, de voorloper van de Brabant-Collectie. De Maasbode publiceert op 11 oktober een uitvoerig verslag, waarin onder andere deze anekdote staat: “We moesten naar Breugel, een gehucht, diep in het Brabantsche land, waar rond de twintiger jaren der vijftiende eeuw de schilder zou geboren zijn, dien men den “Boeren” Breugel, of ook wel den “Ouden” Breugel noemt. (…) Felix Timmermans, die er Zaterdag zijn moest, omdat hij er een hoofdrol in de feesten te vervullen had en die er al eens een keer geweest was, vond het dorpje nauwelijks terug. Hij had in de omgeving van Breda gezocht in plaats van bij Eindhoven en zoo kwam hij er aan, toen het moment suprème reeds voorbij was. (…) Breughel was gehuldigd, doch toen kwam opeens de auto aangesnord met de feestredenaars. De hoeden gingen omhoog. Felix Timmermans drong door de dicht opeen gegroepte menigte en klom op het spreekgestoelte om zijn rede te beginnen. Beschuttend werden parapluies boven hem gehouden, maar de regen doorweekte nog zijn papieren; zijn stem klonk niet uit boven den wind. Hij moest het opgeven. Men vlood zoo vlug men kon naar de boerenbehuizing, waar tot slot zooals het feestprogram meldde, het Breugheliaansche koffiemaal werd gehouden.”

We verlaten Breugel en lopen richting het Wilhelminakanaal. De eerste plannen om Eindhoven en Tilburg met de Maas te verbinden, stammen al uit 1794. Toch duurt het tot 1910 voor men met de aanleg begint. Op 4 april 1923 vindt de officiële opening van het nieuwe kanaal plaats. Via de Sonse brug steken we het water over. In 1923 werd hier een draaibrug aangelegd die ook geschikt was voor de stoomtramlijn Eindhoven-Son-Nijnsel-Veghel. Tijdens de Tweede Wereldoorlog speelt de brug een belangrijke rol in Operatie Market Garden, want deze brug is de enige die dan nog intact is. 17 september 1944 blazen de Duitsers de brug op, maar de Britse genie is in staat een baileybrug te bouwen die ook na de oorlogsjaren nog dienst doet. De brug verandert nog een keer in een hefbrug, dan weer in een draaibrug en uiteindelijk staat er sinds 1981 deze hefbrug.
Hefbrug over het Wilhelminakanaal bij Son (februari 2021)
© M. Saris (privécollectie)
Een paar kilometer verderop bereiken we weer de oevers van de Dommel. Aan de overkant zien we de Oude Toren van Nederwetten.
Oude Toren, Nederwetten (februari 2021)
© Jolanda van den Akker / Brabant-Collectie, Tilburg University

Sint-Lambertuskerk. Foto. Maker: Rijksdienst voor de Monumentenzorg.
Datering: 1898. Formaat: 17 x 23 cm. Vindplaats: N 17.6 / 411.11 Lamb (1)
De voormalige Sint-Lambertuskerk, waarvan nu nog enkel de Oude Toren resteert, stamt uit de 15e eeuw. Als in 1896 de nieuwe kerk is ingewijd, wordt de oude in 1898 gesloopt. Alleen de toren blijft bewaard, omdat deze eigendom is van de gemeente. De toren raakt in verval, totdat het een rijksmonument wordt in 1972. Een volledige restauratie heeft echter nooit plaats gevonden.
We lopen verder langs de oevers van de Dommel en bereiken de stadsrand van Eindhoven. Dit is een schitterend stuk van de etappe, ook al kan het hier nogal eens drassig zijn. Na het oversteken van de Sterrenlaan bereiken we Eckart, een voormalig landgoed.

Woensel - Kasteel Eckart. Prentbriefkaart. Maker en uitgever: Jan Bijnen.
Formaat: 9 x 14 cm. Vindplaats: pbk-W 80.1 / 820.11 Ecka (1)
Hof Eckart of Eykart wordt voor het eerst vermeld in 1312 met als leenheer Rogier van Leefdael. Door vererving komt het de jaren daarna in handen van diverse adellijke families en krijgt de versterkte boerderij door aan- en verbouw de vorm van een kasteel. In 1906 wordt het in opdracht van eigenaar jhr. Theodoor Gijsbertus Smits van Oyen vrijwel volledig opnieuw opgetrokken door Eduard Cuypers. In 1937 kopen de Broeders van de Heilige Norbertus van Elshout het landgoed en stichten er Huize Sint-Jozefdal, een verpleeginrichting voor mannen met een verstandelijke beperking. Deze inrichting wordt na een fusie in 1949 overgenomen door de Broeders van Liefde en vanaf 1980 door leken. Momenteel vinden mensen met een verstandelijke beperking een thuis op Woonpark Eckartdal.

We verlaten de stad en op weg naar Nuenen passeren we de Opwettense watermolen.
Opwettense watermolen te Nuenen (februari 2021)
© Jolanda van den Akker / Brabant-Collectie, Tilburg University

Opwetten '29. Pentekening. Maker: J.D. Looyen. Datering: 1929.
Formaat: 22 x 27 cm. Vindplaats: O 35 / 842.11 (1)
Architect en pentekenaar Johan Dionysius Looyen maakte in de reeks “Watermolens op den Dommel” deze pentekening, die op 23 november 1929 gepubliceerd werd in de Provinciale Noordbrabantsche en ’s Hertogenbossche courant. In zijn begeleidende tekst zegt Looyen dat hij verrast is door deze “geestige watermolen” en dat het terreinverschil tussen de grondslag en de waterspiegel opmerkelijk is. En verder: “Maar vooral kenmerkt zich het groote verschil van hoogte in de kolossale afmetingen die de raderen hebben verkregen. (…) Met groote rust en majesteit zwieren de raderen in de open lucht, waardoor het geheele aspect meer leven en vroolijkheid krijgt.” En inderdaad, met twee raderen van 7,5 en 9,3 meter heeft deze molen het grootste waterrad van Nederland. De Opwettense watermolen aan de Kleine Dommel is gebouwd in de 11e eeuw door de monniken van de Benedictijner Abdij van Sint-Truiden. Het is een dubbele onderslagmolen die heeft dienstgedaan als koren-, olie-, zaag- en volmolen. Tweemaal heeft er brand gewoed, maar telkens is de molen herbouwd. Rond 2010 is de molen gerestaureerd, waarna de zuidzijde in gebruik is genomen als restaurant.
Tot slot: een aanrader voor verder lezen, maar zeker ook kijken is het prachtige (foto)boek De Opwettense watermolen (2021) van Piet-Hein van Halder.

Via het buurtschap Eeneind lopen we naar de Collse watermolen, het eindpunt van vandaag. Over drie weken gaan we weer verder, en wel naar station Heeze.

Bronnen:
  • J. Bleeker (2010): De Sonse Bergen. In: Heem Son en Breugel. Jaargang 25, nummer 2, pag. 33-41. Vindplaats: T 07765
  • J. Bruinsma (2002): Oude houtwallen in de Sonse Bergen. In: Heem Son en Breugel. Jaargang, 17, nummer 2, pag. 31-35. Vindplaat: T 07765
  • J. Dijsselbloem-Visser e.a.: De Sint-Genovevakerk van Breugel. Son en Breugel: Heemkundekring Son en Breugel, 1993. Vindplaats: BRA J DIJS 1993
  • P-H van Halder: De Opwettense watermolen. 's-Hertogenbosch: P-H van Halder, 2021. Vindplaats: BRA J3 HALD 2021
  • H. Strijbos (1991): De Sint-Genovevakerk van Breugel. In: Heem Son en Breugel (themanummer). Nummer 4, pag. 90-120. Vindplaats: T 07765