Over mij

Mijn foto
De Brabant-Collectie is in 1837 in 's-Hertogenbosch opgericht door het Provinciaal Genootschap van Kunsten en Wetenschappen in Noord-Brabant en wordt sinds 1986 beheerd door de bibliotheek van Tilburg University
Posts tonen met het label Eerste Wereldoorlog. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Eerste Wereldoorlog. Alle posts tonen

maandag 20 juni 2022

Wandelen door de Brabant-Collectie: Van Soerendonk naar de Venbergse Watermolen

Etappe 9 Brabants Vennenpad (24,3 km)

We starten de wandeling vandaag in Soerendonk oftewel Zurrik in het plaatselijk dialect. De Brabant-Collectie bezit onderstaande gekleurde penseeltekening van een gestileerde kraanvogel, het wapen van deze plaats.
Wapen van Soerendonk. Gekleurde penseeltekening.
Maker en datering onbekend. Formaat: 31,5 x 42,5 cm.
Vindplaats: ML / 513 (144)
Deze tekening vormt een mooie aanleiding om nader in te gaan op het fenomeen overheidsheraldiek, een taak die valt onder de Hoge Raad van Adel. Op 5 januari 1815 verzoekt de Raad alle steden, dorpen, heerlijkheden, districten en corporaties die voorheen een wapen in gebruik hadden om een tekening of beschrijving daarvan in te dienen. De vorst bevestigt vervolgens deze wapens. Overheden en organisaties die geen wapen voeren, kunnen hun wens voor een nieuw wapen doorgeven aan de Raad. Burgemeester Andries van der Sanden van Soerendonk geeft gehoor aan deze oproep. Hij schrijft aan de gouverneur van de provincie dat de plaatsen Maarheeze, Soerendonk en Gastel, die voorheen gecombineerd waren onder de naam Baronie van Kranendonk, als algemeen wapen een kraanvogel hebben. De burgemeester verzoekt in het bezit daarvan te worden bevestigd. Aldus geschiedt: op 31 augustus 1818 wordt bij besluit van de Hoge Raad van Adel een wapen verleend met als beschrijving “Een schild van lazuur beladen met een kraanvogel in natuurlijke kleur”. Cranendonck, de gemeente waar Soerendonk sinds 1997 onder valt, herbergt in zijn naam de woorden kraan (kraanvogel) en donk (hoogte, heuvel in waterrijke omgeving). Deze naam is al eeuwen in gebruik en verwijst er ongetwijfeld naar dat kraanvogels massaal neerstreken in deze contreien tijdens hun voor- en najaarstrek. Ook nu nog kun je met een beetje geluk deze prachtige vogels in het voor- en/of najaar over zien vliegen tijdens je tocht op het Brabants Vennenpad. Dus kijk in die periodes van het jaar vooral ook eens naar boven en luister goed of je hun betoverende vluchtroep kunt horen.

We verlaten het dorp en lopen verder in westelijke richting naar natuurgebied Soerendonks Goor. In 1957 werd dit gebied ondanks hevig protest ontgonnen, maar dat draaide uit op een mislukking. Twintig jaar later werd de ingreep alweer teruggedraaid en inmiddels is er ruimte gemaakt voor de ‘natte natuur’. We lopen langs een grote waterplas genaamd Het Goor. Oktober 2020 startte Staatsbosbeheer hier met werkzaamheden om de waterkwaliteit te verbeteren en de 25 jaar oude vogelkijkhut Hou ut Moi te vervangen. Een jaar later waren de werkzaamheden afgerond en werd de nieuwe hut opgeleverd. Een mooie plek dus voor de vogelliefhebbers onder ons om deze plas, een belangrijke pleisterplaats voor trekvogels, af te turen.
Noud Aartsen maakte in 1992 onderstaande foto van het gebied waar we zijn.
Groote Heide. Foto. Maker: Noud Aartsen. Datering: 1992.
Formaat: 20,2 x 25,2 cm. Vindplaats: NA/BL/23/006
© Noud Aartsen / Brabant-Collectie, Tilburg University
Op de achterkant van deze foto heeft de fotograaf met pen geschreven: verschraling – vergrassing Groote heide – Gastelsche heide – Het Goor (nabij Soerendonk). Van vergrassing heeft dit natuurgebied nog steeds last, onder andere door stikstofdepositie. Dit kun je goed zien aan de alom aanwezige grassoort pijpenstrootje die andere planten verdringt.

We gaan verder en lopen een paar kilometer langs de grens met België tot we uitkomen bij de Sint-Benedictusabdij van Achel oftewel: Onze-Lieve-Vrouw-van-La-Trappe-van-de-Heilige-Benedictus. Meer bekend is de benaming Achelse Kluis, die verwijst naar de periode 1686-1798 toen hier een gemeenschap van kluizenaars gevestigd was.
St. Benedictus Abdij Achel - Gastenhuis. Prentbriefkaart.
Maker, datering, uitgever: onbekend. Formaat: 15 x 10 cm
Vindplaats: pbk-A 18 / 441.12 Trap (1)
De voormalige cisterciënzerabdij ligt deels op Belgisch, deels op Nederlands grondgebied: in België behoort het tot gemeente Hamont-Achel en in Nederland tot gemeente Heeze-Leende.
De grens Nederland-België bij de Achelse Kluis (augustus 2021)
© Jolanda van den Akker / Brabant-Collectie, Tilburg University
In 1846 stichten de trappisten van de abdij van Westmalle er een priorij in de geest van de cisterciënzerorde. In 1871 wordt de priorij tot abdij verheven en heet dan Sint-Benedictusabdij. Louis Philippona (1827-1879) verblijft acht dagen in de abdij en publiceert in 1863 een kort verslag van zijn retraite. Ten tijde van het verschijnen hiervan werkt hij als journalist en gebruikt de naam Multapatior (betekent: ik lijd veel).
Titelpagina van: Eene retraite bij de paters
Trappisten te Achel
van Louis Philippona.
Vindplaats: CBM B 47954
De abdij is volgens de auteur “rondom in die woestijn van heide en zand gelegen”. Ter plekke wordt hij hartelijk welkom geheten door de broeders: “Onder duizend vriendelijke woorden ging nu de Priester voort met ook voor mijn avondmaal te zorgen, en eene groote tinnen kan met overheerlijk, in het klooster gebrouwd bier prijkte weldra naast een hooge stapel sneden van een smakelijk zelfgebakken gruisbrood.” De vermelding van het heerlijke bier is een saillant detail, want enkele jaren later, in 1875, richt hij Multapatior’s Bond ter Bestrijding van Bedwelmende Dranken op. Maar goed, hij ageert met name tegen misbruik van sterke drank (jenever), zoals te lezen is zijn boekwerkje "Multapatior’s strijd tegen misbruik van sterken drank en openbare dronkenschap” (Amsterdam: Jan D. Brouwer, 1875). In die zin heeft hij een meer gematigde benadering vergeleken met soortgelijke organisaties die in die tijd opgericht worden.
Al in 1850 begonnen de broeders met het brouwen van Trappist Achel. Tussen de Eerste Wereldoorlog en 1998 lag de productie stil. In dat jaar wordt het brouwen nieuw leven ingeblazen. Wel onder het toeziend oog van de monniken van Westmalle, aangezien sinds eind 2020 er geen paters meer in de abdij wonen. Maar dat doet niets af aan de kwaliteit van het bier en zo blijft de Achelse Kluis met haar brasserie en abdijwinkel een prima pauzeplek.

Voordat we verder wandelen gaan we nog even terug in de tijd. Op de toegangsweg naar de abdij staat sinds 2015 een reconstructie van de Dodendraad, exact op de plaats waar deze was gesitueerd tijdens de Eerste Wereldoorlog. Voor deze reconstructie is gebruik gemaakt van een historische foto die zich in het archief van de Achelse Kluis bevindt.
Reconstructie van de Dodendraad bij de Achelse Kluis (augustus 2021)
© Jolanda van den Akker / Brabant-Collectie, Tilburg University
De Dodendraad (ook Draad des Doods, Dodenhek en Den Droad genoemd) was een 332 km lange, dodelijke draadversperring die de Duitsers tijdens de Eerste Wereldoorlog aanlegden langs de gehele Belgisch-Nederlandse grens. De draad, waarop 2.000 volt spanning stond, moest verhinderen dat mensen, maar ook smokkelwaar en spionageberichten, van bezet België naar neutraal Nederland zouden gaan. Voor die tijd was het een technisch hoogstandje een dergelijk hoge spanning over een grote lengte op te wekken. Bovendien was het een nieuw en ontzagwekkend wapen. Veel mensen hadden nog weinig ervaring met elektriciteit, laat staan met hoogspanning. Er mag dan ook aangenomen worden dat er veel slachtoffers vielen puur uit onwetendheid.
Bij de Achelse Kluis loopt de grens dwars door de abdij, en dat is een ongunstige positie voor de abdijbroeders tijdens de Eerste Wereldoorlog. De meesten van hen vluchten naar Valkenswaard en reizen van daaruit door naar ordegenoten in Tegelen en Diepenveen. Twee monniken en vijf lekenbroeders blijven achter. Intussen hebben de Duitsers de abdij bezet. Zij deinzen er niet voor terug een deel van de abdijmuur af te breken en de Dodendraad dwars door de kloostertuin te leggen. De kosten hiervoor worden bij de broeders neergelegd. In 1917 komen de broeders uit Diepenveen noodgedwongen weer naar Achel terug. De broeders die in Tegelen verblijven, kunnen pas aan het einde van de oorlog terugkeren.
De Dodendraad heeft naar schatting honderden mensenlevens gekost, maar kon niet verhinderen dat duizenden mensen toch de grens over kwamen. Wil je meer lezen over de Dodendraad, klik dan hier om onze collectie te raadplegen.

We laten de Achelse Kluis achter ons en lopen in noordelijke richting, langs het Leenderbos, en komen uit bij het vijvercomplex langs de Tongelreep.
Vijvers nabij de Tongelreep (augustus 2021)
© Jolanda van den Akker / Brabant-Collectie, Tilburg University
Zoals vermeld in het vorige blog viel de opkomst van de commerciële viskweek ongeveer samen met het einde van de valkerij. In 1900 verpacht gemeente Valkenswaard een gebied van 20 ha, gelegen ten noorden van de weg Valkenswaard-Leende en ten westen van de Tongelreep, aan de gebroeders Antoon en Jasper van Best. Deze sigarenfabrikant respectievelijk burgemeester van Valkenswaard leggen er visvijvers aan voor het kweken van karpers. Het water uit de Tongelreep voedt de onderling verbonden vijvers die door dijkjes van elkaar gescheiden zijn. In 1902 volgt Samuel John van Tuyll baron van Serooskerken (1874-1955) het voorbeeld van gebroeders Van Best. Hij laat iets noordelijker, aan de oostkant van de Tongelreep, 55 ha aan visvijvers aanleggen. Deze gebieden zijn mooi zichtbaar op een topografische kaart uit 1929. De kwaliteit van de consumptievis is overigens prima: op een landbouwtentoonstelling in Den Haag, september 1907, behalen de gebroeders Van Best een bronzen medaille. In 1920 eindigt hun pachttermijn en komt het gebied weer in handen van gemeente Valkenswaard, die het vervolgens verpacht aan de Nederlandse Heidemaatschappij. Deze maatschappij is hier geen onbekende, want zij heeft al jarenlang grote ontginningswerkzaamheden uitgevoerd rondom Valkenswaard. Op de beeldbank van het Nationaal Archief staan enkele mooie foto’s van de visteelt door de Heidemij.
Met de opkomst van de sportvisserij wordt na de Tweede Wereldoorlog in de vijvers pootvis gekweekt, die vervolgens wordt uitgezet bij hengelsportclubs. De exploitatie van de vijvers komt in 1957 in handen van de Organisatie ter Verbetering van de Binnenvisserij. Zij is in 1952 bij wet opgericht als kennis- en adviescentrum voor zoetwatervisserij en visstandbeheer. Om de visproductie te verhogen bemest de OVB de vijvers met afval van een slachthuis en een lijmfabriek. Dat afval wordt aangevoerd vanuit Valkenswaard en Eindhoven en ter plekke bij de visvijvers verwerkt tot visvoer. In 2004 stopt men op last van de overheid met de viskwekerij: dankzij de OVB is de visstand op orde en de verkoop van kweekvis wordt verder overgelaten aan commerciële kwekers. Het gebied met de visvijvers is momenteel grotendeels een voor het publiek niet-toegankelijk vogelreservaat onder beheer van Brabants Landschap. Interessante filmbeelden zijn te zien bij twee afleveringen van de tv-serie De Wandeling: een aflevering uit 1998 en eentje uit 2003.
Onze route loopt een stukje zuidelijker. Hier is in 1933, in het kader van de werkverschaffing, De Oase aangelegd: het eerste openluchtzwembad van Valkenswaard. Voor foto's hiervan kun je terecht op de beeldbank van Heemkundekring Weerderheem. Zo’n veertig jaar na de opening moest het zwembad sluiten, omdat waterkwaliteit en hygiëne niet aan de regels voldeden. Het bad werd gesloopt en omgezet in een hengelvijvercomplex. Verder 
liggen hier ook enkele voormalige viskweekvijvers die in 1970 zijn aangelegd ter uitbreiding van het bovengenoemde vijvergebied. Momenteel maakt het onderdeel uit van de herinrichting beekdal Tongelreep.

Na het passeren van Bruggerhuizen en het Brugven lopen we een stukje over de voormalige spoorlijn Hasselt-Valkenswaard-Eindhoven; het zogenaamde ‘Bels Lijntje’. Hier hebben we de vorige etappe al uitgebreid bij stil gestaan, maar de volgende anekdote is het vermelden waard. Elisabeth (‘Betje’) Heesterbeek en haar man Cornelis (‘Nellis’) wonen vanaf hun huwelijk in 1896 in spoorwegwachtershuisje nr. 30 aan de Parallelweg West 49 in Valkenswaard. Beiden werken bij de spoorwegen. Nellis houdt zich onder andere bezig met onderhoud van de spoorlijnen. Betje is in dienst als “wachteres”. Op het spoortraject bij De Sil en Zeelberg zijn op dat moment bedienbare spoorbomen in gebruik die op ongeveer 300 meter van elkaar verwijderd liggen. De taak van Betje is om met een toeter een signaal voor de machinist te geven zodra alles veilig is. Ze loopt dus continu heen en weer tussen de twee spoorwegovergangen. In de tussentijd krijgt Betje maar liefst 18 kinderen, waarvan 6 tweelingen, en bereikt de respectabele leeftijd van 87 jaar. Op de beeldbank van Heemkundekring Weerderheem staat een afbeelding van het spoorwachtershuisje nr. 30.

En zo komen we aan bij het eindpunt van de wandeling van vandaag, de Venbergse Watermolen. De volgende keer lopen we verder naar Luyksgestel.

Bronnen:
  • J. van Appeldorn (juni 2014): Van Bels-lijntje naar... Miljoenenlijntje. In: 't Periodiekske; themanummer. Pag. 1-32. Vindplaats: T 07919
  • J. van Appeldorn: De natuur in Valkenswaard en de invloed van de mens op het landschap. Vianen: Optima; Valkenswaard; Heemkundekring Weerderheem, juli 2016. Vindplaats: BRA Y3 APPE 21
  • C.M. Bungenberg de Jong: Geschiedenis en ontwikkeling van het viskweekbedrijf "Valkenswaard". Utrecht: Vereniging ter Verbetering van de Binnenvisserij, 1964. Vindplaats: CBM 966 B 29
  • Multapatior: Multapatior's strijd tegen misbruik van sterken drank en openbare dronkenschap. Amsterdam: Jan D. Brouwer, 1875. Online resource
  • L. Philoppona: Eene retraite bij de pater Trappisten te Achel. Arnhem: Witz, 1863. Vindplaats: CBM B 47954
  • H. van Royen (2019): In ballingschap tijdens de Groote Oorlog: Belgische Trappisten in Nederland. In: De Kovel: monastiek tijdschrift voor Vlaanderen en Nederland. Jaargang 12, nr. 57, pag. 74-77. Vindplaats: T 10961

maandag 29 april 2019

Willem II en Ajax, maar dan een eeuw geleden

Op 5 mei 2019 staan de voetbalclubs Willem II en Ajax tegenover elkaar in de finale van de KNVB-beker. Van de ene club, Willem II, is het verrassend dat ze tot deze finale zijn doorgedrongen, Ajax heeft een andere staat van dienst; het staat al decennia lang aan de top. Toch was er een periode dat ook Willem II (opgericht in 1896) langdurig een geduchte tegenstander was en samen met Ajax tot de top van Nederland behoorde. Dat was onder andere het geval rond en tijdens de Eerste Wereldoorlog. Juist over deze periode is een publicatie verschenen: Kampioenen ’14-’18. Voetbal in neutraal Nederland (uitgever Just Publishers). Want Nederland was weliswaar neutraal in de periode 1914-1918, maar dat betekende niet dat alles gewoon zijn gang ging, ook niet op het terrein van de sport. In de publicatie gaan vier clubspecialisten (A. Slotboom, R. Rossmeisl, H. Starink en M. Pot) in op het kampioenschap van hun club. Naast Ajax (1918) en Willem II (1916) zijn dat Sparta (1915) en Go Ahead Eagles (1917).
In het begin van de twintigste eeuw was er nog lang geen sprake van betaald voetbal in Nederland. Het ging er heel anders aan toe, zo kunnen we in de verschillende hoofdstukken lezen. Het voetballand was aanvankelijk verdeeld in twee, later drie en nog later vier regio’s en daarin werden competities afgewerkt. Vanaf 1913 is er naast een Eerste Klasse Oost en West sprake van een Eerste Klasse Zuid en neemt de kampioen van ook die regio deel aan de strijd om de landstitel. De winnaars van iedere regio kwamen in een hele competitie tegen elkaar uit om het algeheel kampioenschap te bestrijden. Maar tijdens de Eerste Wereldoorlog was er meer aan de hand.

Doordat Nederland gemobiliseerd was en spelers hun militaire plicht vervulden, konden clubs vaak niet hun sterkste teams opstellen. Om een hiaat op te vullen kon Willem II tijdelijk een beroep doen op Karel Hollander, speler van Go Ahead Eagles maar gelegerd in Breda. Na het verdwijnen van de acute oorlogsdreiging eind 1914 werden op regionaal niveau noodcompetities georganiseerd. Deze verliepen echter tamelijk chaotisch vanwege de onzekere situatie (wat te denken van het vervoer naar een uitwedstrijd) en de heersende staat van beleg. Na een brief van de Belgische voetbalbond was het Nederlandse clubs niet langer toegestaan Belgische voetballers die als vluchteling het Belgische grondgebied hadden verlaten in de Nederlandse competitie op te stellen. Met uitzondering dan weer van die voetballers die in het Nederlandse leger actief waren. Het binnenhalen van het kampioenschap van de Eerste Klasse Zuid in 1916 door Willem II werd vertraagd doordat een wedstrijd tegen NAC moest worden overgespeeld omdat een speler onrechtmatig (vanwege mobilisatieregels) was opgesteld.

Onze aandacht gaat in deze publicatie vooral uit naar Willem II uit Tilburg. De bijdrage van Roger Rosmeisl biedt voor de in voetbal geïnteresseerden veel wetenswaardigheden over de club (en het voetbal in het algemeen) aan het begin van de twintigste eeuw. Bijvoorbeeld hoe Willem II toch aan die rood-wit-blauwe shirts komt. Zoons van de Tilburgse textielfamilie Van den Bergh weten bij de voetbalclub Prinses Wilhelmina in Enschede, waar zij studeren, een restpartij rood-wit-blauwe shirts op de kop te tikken. The rest is history. De strijd om het landskampioenschap wordt in 1916 door Willem II aangebonden met Sparta en Go Ahead Eagles. Op 1 jun 1916 is de beslissende wedstrijd bij en tegen Go Ahead Eagles; Willem II moet winnen. Om het thuisfront in Tilburg te informeren over de stand en uitslag (0-1) worden postduiven (!) ingezet.



Een interessante bijdrage handelt over Pius Arts (1881-1955), een zeer veelzijdig man die veel heeft betekend voor Willem II. Hij was behalve advocaat ook speler-voorzitter van Willem II. En als bestuurslid van de NVB (Nederlandse Voetbal Bond) pleit hij in 1917 succesvol voor toelating van Ajax tot het hoogste niveau. Een jaar later wordt Ajax, met de befaamde Jack Reynolds als trainer, kampioen … in Tilburg. Ze verslaan daar Willem II. Arts was over een lange periode voorzitter van de club: van 1901 tot 1919. Hij is vernoemd naar paus Pius IX, om wiens soevereiniteit door zouaven werd gestreden. Van 1922 tot 1952 bekleedde Arts diverse politieke functies en in 1921 was hij medeoprichter van het Tilburgse Sportpark aan de Goirleseweg, de voorloper van huidige Koning Willem II stadion.

Dat het voetbal in oorlogstijd bijzondere, vandaag de dag onbekende aspecten kende wordt ook nog geïllustreerd door de volgende dichtregels, geschreven direct na het behalen van de landstitel in juni 1916:


(…)
‘Laat Verdun, Verdun maar blijven;
Laat ze vechten op zee…
’t Kan ons allemaal niet bommen…
Kampioen is Willem II !’


De quote ‘Voetbal is oorlog’ is dan nog lang niet uitgevonden.


Vindplaats: NGE H3 SLOT 2018

maandag 16 maart 2015

‘Van heidegrond tot Vluchtoord Uden’: in tien weken tijd heeft Uden een Belgisch dorp

Vorige maand was het 100 jaar geleden dat de gemeente Uden ongeveer 11.000 Belgische vluchtelingen gastvrij een woon- en leefplek bood op Vluchtoord. Naar aanleiding hiervan heeft de Udense burgemeester Henk Hellegers een rijk geïllustreerd boek geschreven. Een werkgroep van Heemkundekring Uden verzamelde aan de hand van persberichten en artikelen uit de Udensche Courant de informatie over de voorgeschiedenis van het Vluchtoord en de jaren 1914-1915.
Het boek besteedt onder andere aandacht aan Uden en de ‘Groote Oorlog’, de bouw van het Vluchtoord, de komst en de opvang van de vluchtelingen en het leven in het Belgisch Dorp. Hoe de Udenaren zelf het dorp hebben ervaren loopt als een rode draad door het boek.

Meer boeken over Uden en het vluchtoord Uden kunt u vinden in de rubrieken N3 en Y.

Vindplaats: BRA N3 HELL 2015

donderdag 3 juli 2014

De Eerste Wereldoorlog

De Brabant-Collectie heeft interessante aanwinsten verworven op het terrein van de Eerste Wereldoorlog.

Allereerst een schetsboek met veilingnummer 3911 op veiling 60 van Bubb Kuyper in Haarlem.
M.J. van Doorn, Oorlog Schetsboek, Breda, 1916
Vindplaats: KHS D 203 
Dit schetsboek is van de hand van Martinus Jacob (Tinus) van Doorn (Padang, Sumatra 1905 - Ukkel, België 1940). Tinus is in 1913 met zijn ouders vanuit Nederlands-Indië naar Breda gekomen. Al op school begint hij schetsen van de Eerste Wereldoorlog en dieren te maken. Op de H.B.S. is Tinus leerling van Anton Wirtz (1872-1945). Op ongeveer elfjarige leeftijd maakt hij dit schetsboek. Het bevat negen potloodtekeningen in een losse ringband. Zeven tekeningen zijn scènes uit de Eerste Wereldoorlog. Alle schetsen hebben een titel en zijn - op één na - gesigneerd en gedateerd (1916). Het formaat van de schetsen is 16 x 23,8 cm.

Gesneuvelde Oostenrijkers
M.J. van Doorn

potloodtekening, 1916
Vindplaats: KHS D 203
Duitsche stelling
 M.J. van Doorn

potloodtekening,1916
Vindplaats: KHS D 203
Een gevecht tot het einde tusschen een Duitsch en Engelsch schip
M.J. van Doorn
potloodtkening, 1916
Vindplaats: KHS D 203
De tekenaar van dit schetsboek groeit uit tot een niet onverdienstelijk kunstenaar met een goed gevoel voor kleur. Hij begint zijn tekenopleiding aan de Akademie van Beeldende Kunsten in Den Haag. Exposities van zijn schilderijen en grafiek zijn een succes. In 1932 hangt zijn werk in het Stedelijk Museum van Amsterdam. Ook legt hij zich toe op decoratief werk en boekillustratie (o.a. voor Antoon Coolen). In 1938 verhuist Tinus van Doorn met zijn vrouw Annie (Akkie) Vermeulen vanuit de Achterhoek naar Ukkel (België). De oorlogsdreiging valt hen zwaar. Op de dag dat de Duitsers Brussel bezetten, maken hij en zijn vrouw een einde aan hun leven. Hij laat een oeuvre na van circa 150 schilderijen, 400 tekeningen en linosnedes en een vijftiental beelden.

De tweede aanwinst betreft een prentbriefkaart van de Waalrese fotograaf Jan Bijnen (1874-1959), wiens fotocollectie de Brabant-Collectie beheert. Het glasnegatief met het woonhuis aan de Stationstraat was reeds in ons bezit, maar niet de ansicht.
Groete uit Waalre
Fotograaf: Jan Bijnen / © 
Brabant-Collectie
Prentbriefkaart
Vindplaats: pbk-JB WO1 Waal (1)
 
In een eerder blogbericht van 19 april 2013 toonden we een foto van dezelfde woning en haar bewoners. Waarschijnlijk was de familie van Moorsel de eerste bewoner, maar rond 1920 of iets eerder betrok de familie Verhoeven dit pand.
Achterzijde prentbriefkaart
Deze prentbriefkaart, voorzien van het poststempel Waalre d.d. 24 september 1914, is aan het begin van de Eerste Wereldoorlog verzonden aan een militair (zie rechter bovenhoek) en wel aan: Den Heer L.H. Obers, Wielrijders Korps, 42. Landweer Batteljon, 1ste Comp., Eindhoven.

De volgende tekst staat erbij geschreven:
Beste Henri, 
Hartelijk dank voor Uwe mooie kaarten en 
daarvoor komen wij met ons vijven U een groet terug
brengen Zoo Als U op de 
anzicht ziet. U moet maar 
eens kijken of U ons nog 
kent. Want wij zijn daar-
op nog niet zoo groot als 
Zondag. U moet nog 
maar eens overkomen als 
U vrije hebt. Als U uit 
Eindhoven moet vertrekken
laat het ons dan weten. Vele 
groeten van de familie Steyvers,
maar vooral van Stephanie van Moorsel. 
U moet soo nouw maar niet kijken want ik heb lelijk geschreven.

Meer prentbriefkaarten uit de Brabant-Collectie over dit onderwerp zijn te zien in het beeldverhaal in het juninummer van het tijdschrift In Brabant: zie het artikel 'De Eerste Wereldoorlog. Beelden van een vreemde strijd'.