Over mij

Mijn foto
De Brabant-Collectie is in 1837 in 's-Hertogenbosch opgericht door het Provinciaal Genootschap van Kunsten en Wetenschappen in Noord-Brabant en wordt sinds 1986 beheerd door de bibliotheek van Tilburg University

donderdag 23 mei 2019

Driemaal Coppens in Museum De Wieger

Op 12 mei jl. is de expositie ‘Driemaal Coppens in beeld’ met een culturele middag voor genodigden geopend in het gemeentehuis te Deurne. Het werk van de familie Coppens wordt getoond: beeldhouwer Joep, fotograaf Martien en schilder/schrijver Els. Aanleiding voor deze tentoonstelling is het zestigjarig jubileum van Joep Coppens als beeldhouwer. In 1959 kapte hij zijn eerste beeld: een portret van zijn vader, de fotograaf Martien Coppens. 
Voor deze gelegenheid werkte de Brabant-Collectie samen met Museum De Wieger en verstrekte 35 originele vintage prints van Martien Coppens in bruikleen. 
Op de bovenverdieping worden bronzen en houten beelden van Joep in combinatie met foto’s van Martien geëxposeerd. Joep is in hoge mate geïnspireerd door het werk van zijn vader. In de plasticiteit ligt een sterke parallel qua licht- en donkerspel. Zowel de abstracte als figuratieve beelden vormen een harmonisch geheel met de foto’s. De thema’s variëren van het boerenleven en de Peel tot architectuur en industrie.
© Paul Slot | Brabant-Collectie, Tilburg University
© Paul Slot | Brabant-Collectie, Tilburg University
© Paul Slot | Brabant-Collectie, Tilburg University
In de ateliers worden de beelden van Joep gecombineerd met de olieverfschilderijen van Els uit de periode 1971-1992: (kinder)portretten, stillevens en landschappen in een naïef-realistische stijl, maar ook hangen hier haar grote abstracte werken.
© Paul Slot | Brabant-Collectie, Tilburg University

© Paul Slot | Brabant-Collectie, Tilburg University
In de tuin van De Wieger staan nog enkele grotere bronzen beelden van Joep opgesteld.
© Paul Slot | Brabant-Collectie, Tilburg University
Bij de tentoonstelling is een rijk geïllustreerde catalogus 3x Coppens in beeld verschenen met de ondertitel: ‘Beelden zeggen meer dan duizend woorden’. Het voorwoord is van Hildo Mak, burgemeester van Deurne. Conservator Lex van de Haterd geeft in zijn inleiding een korte biografische schets van Joep, maar biedt ook inzicht in zijn beweegredenen om het werk van de familie Coppens in deze jubileumtentoonstelling te laten zien. Cultuurhistoricus Ger Jacobs plaatst het werk van Joep Coppens in de context van ontwikkelingen in de beeldhouwkunst en trekt daarbij enkele parallellen met o.a. Aristide Maillol. Conservator Emy Thorissen belicht de positie en het belang van het werk van fotograaf Martien Coppens en reconstrueert de expositie ‘Zelfportret in 117 foto’s’ uit 1983. Zijn talrijke fotoboeken en exposities hebben bijgedragen aan de erkenning van de fotografie als kunstvorm en aan de positie van de vakfotograaf in Nederland. Dichteres Helma Michielsen benadrukt in haar bijdrage de veelzijdigheid van Els. De catalogus is verkrijgbaar bij Museum De Wieger en via www.joepcoppens.nl.
Cover tentoonstellingscatalogus
De tentoonstelling in Museum De Wieger te Deurne is nog te zien tot en met 15 september 2019.
Bekijk ook het artikel van Rob Schoonen in het Eindhovens Dagblad.

dinsdag 21 mei 2019

Boekbanden van Jan Sluijters

Ontwerp uit 1902
Marie Neve, Helen’s Kleintjes (4e druk), Haarlem: De Erven F. Bohn, 1902
Tot nu toe werden er in de Universiteitsbibliotheek Tilburg én de Brabant-Collectie geen boeken verzameld alleen om hun buitenkant. De band was slechts een verlengstuk van de inhoud. De tekst was het belangrijkste en werd al dan niet ondersteund door illustraties. De staat waarin de - in oplage gemaakte - uitgeversbanden verkeren, is soms erbarmelijk. Deze banden staan lukraak in de reguliere collectie en als ze niet ontsloten worden, blijven ze in feite voor eeuwig onzichtbaar. 

In de periode 1890-1940 maakten beeldende kunstenaars ontwerpen voor boekbanden. Ten behoeve van de verkoop werd in opdracht van de uitgever het bandontwerp voor het boek door de kunstenaar gemaakt. Het betreft linnen boekbanden, maar ook kwetsbare papieren bandjes. Soms werden wensen van tevoren kenbaar gemaakt, zoals met betrekking tot de kleur van het linnen én het aantal kleuren bij de druk, want voor elke kleur moest een afzonderlijk persstempel gemaakt worden. Chique exemplaren werden zelfs van goudstempeling voorzien. Vaak werden ontwerpen jarenlang hergebruikt, zowel voor hetzelfde als voor een ander boek.

Het werk van de in ’s-Hertogenbosch geboren schilder, tekenaar en graficus Jan Sluijters (1881-1957) is veelzijdig, maar als productieve ontwerper van boekbanden is hij tamelijk onbekend. Onder invloed van eigentijdse kunststromingen maakte Sluijters boekbandontwerpen vanaf 1902 tot in de jaren twintig. Slechts met een paar lijnen en met treffende eenvoud wist hij uiteenlopende voorstellingen, zowel karikaturaal als naturalistisch uit te beelden. Soms was de vormentaal gebaseerd op de natuur. 

Ontwerp van 1907
Op de hoogte. Maandschrift voor de huiskamer (jrg. 4) 1907
Sluijters heeft zich niet aan één uitgever gebonden, maar werkte tegelijkertijd voor verschillende uitgevers zoals Becht, Bohn, Cohen, Hilarius, Noordhoff en Valkhoff. 
De Amsterdamse uitgever H.J.W. Becht gaf een veertigtal banden van hem uit. Zijn ontwerpen sierden boeken van succesauteurs als Tine van Berken en Selma Lagerlöf.
Ontwerp uit 1906
Tine van Berken, Kruidje-roer-me-niet (2e druk), Amsterdam: H.J.W. Becht, [1912]
Reeks: Ons Clubje biblibliotheek voor meisjes (deel 10)
Ontwerp van 1904
Selma Lagerlöf, De wonderen van den antichrist (3e druk), Amsterdam: H.J.W. Becht, [1919]
Ruim tachtig Sluijtersbanden zijn in de Tilburgse collecties te vinden, waarvan een aantal in verschillende exemplaren of in kleurvarianten. Gelukkig signeerde Sluijters zijn ontwerpen. Meestal treft men op het voorplat zijn monogram aan of anders zijn initialen of zijn volledige naam.
Monogram Jan Sluijters
Ontwerp van 1911
E.B. Knipe, De kleine miss Fales, Amsterdam: L.J. Veen, [1911]
Ontwerp uit 1914
Agatha, Brieven van een poes (4e druk), Amsterdam: H.J.W. Becht, [1914]

Meer achtergrondinformatie: zie Emy Thorissen, ‘Sluijters: een niet zo bekende boekbandontwerper’ In: In Brabant jrg. 10, nr. 1 (maart 2019), p. 54-69.



Te zien: in de universiteitsbibliotheek op niveau 0 en niveau 1 (21 mei t/m 9 augustus 2019). Op niveau 0 is de mini-expositie verlengd t/m 21 oktober 2019.

maandag 29 april 2019

Willem II en Ajax, maar dan een eeuw geleden

Op 5 mei 2019 staan de voetbalclubs Willem II en Ajax tegenover elkaar in de finale van de KNVB-beker. Van de ene club, Willem II, is het verrassend dat ze tot deze finale zijn doorgedrongen, Ajax heeft een andere staat van dienst; het staat al decennia lang aan de top. Toch was er een periode dat ook Willem II (opgericht in 1896) langdurig een geduchte tegenstander was en samen met Ajax tot de top van Nederland behoorde. Dat was onder andere het geval rond en tijdens de Eerste Wereldoorlog. Juist over deze periode is een publicatie verschenen: Kampioenen ’14-’18. Voetbal in neutraal Nederland (uitgever Just Publishers). Want Nederland was weliswaar neutraal in de periode 1914-1918, maar dat betekende niet dat alles gewoon zijn gang ging, ook niet op het terrein van de sport. In de publicatie gaan vier clubspecialisten (A. Slotboom, R. Rossmeisl, H. Starink en M. Pot) in op het kampioenschap van hun club. Naast Ajax (1918) en Willem II (1916) zijn dat Sparta (1915) en Go Ahead Eagles (1917).
In het begin van de twintigste eeuw was er nog lang geen sprake van betaald voetbal in Nederland. Het ging er heel anders aan toe, zo kunnen we in de verschillende hoofdstukken lezen. Het voetballand was aanvankelijk verdeeld in twee, later drie en nog later vier regio’s en daarin werden competities afgewerkt. Vanaf 1913 is er naast een Eerste Klasse Oost en West sprake van een Eerste Klasse Zuid en neemt de kampioen van ook die regio deel aan de strijd om de landstitel. De winnaars van iedere regio kwamen in een hele competitie tegen elkaar uit om het algeheel kampioenschap te bestrijden. Maar tijdens de Eerste Wereldoorlog was er meer aan de hand.

Doordat Nederland gemobiliseerd was en spelers hun militaire plicht vervulden, konden clubs vaak niet hun sterkste teams opstellen. Om een hiaat op te vullen kon Willem II tijdelijk een beroep doen op Karel Hollander, speler van Go Ahead Eagles maar gelegerd in Breda. Na het verdwijnen van de acute oorlogsdreiging eind 1914 werden op regionaal niveau noodcompetities georganiseerd. Deze verliepen echter tamelijk chaotisch vanwege de onzekere situatie (wat te denken van het vervoer naar een uitwedstrijd) en de heersende staat van beleg. Na een brief van de Belgische voetbalbond was het Nederlandse clubs niet langer toegestaan Belgische voetballers die als vluchteling het Belgische grondgebied hadden verlaten in de Nederlandse competitie op te stellen. Met uitzondering dan weer van die voetballers die in het Nederlandse leger actief waren. Het binnenhalen van het kampioenschap van de Eerste Klasse Zuid in 1916 door Willem II werd vertraagd doordat een wedstrijd tegen NAC moest worden overgespeeld omdat een speler onrechtmatig (vanwege mobilisatieregels) was opgesteld.

Onze aandacht gaat in deze publicatie vooral uit naar Willem II uit Tilburg. De bijdrage van Roger Rosmeisl biedt voor de in voetbal geïnteresseerden veel wetenswaardigheden over de club (en het voetbal in het algemeen) aan het begin van de twintigste eeuw. Bijvoorbeeld hoe Willem II toch aan die rood-wit-blauwe shirts komt. Zoons van de Tilburgse textielfamilie Van den Bergh weten bij de voetbalclub Prinses Wilhelmina in Enschede, waar zij studeren, een restpartij rood-wit-blauwe shirts op de kop te tikken. The rest is history. De strijd om het landskampioenschap wordt in 1916 door Willem II aangebonden met Sparta en Go Ahead Eagles. Op 1 jun 1916 is de beslissende wedstrijd bij en tegen Go Ahead Eagles; Willem II moet winnen. Om het thuisfront in Tilburg te informeren over de stand en uitslag (0-1) worden postduiven (!) ingezet.



Een interessante bijdrage handelt over Pius Arts (1881-1955), een zeer veelzijdig man die veel heeft betekend voor Willem II. Hij was behalve advocaat ook speler-voorzitter van Willem II. En als bestuurslid van de NVB (Nederlandse Voetbal Bond) pleit hij in 1917 succesvol voor toelating van Ajax tot het hoogste niveau. Een jaar later wordt Ajax, met de befaamde Jack Reynolds als trainer, kampioen … in Tilburg. Ze verslaan daar Willem II. Arts was over een lange periode voorzitter van de club: van 1901 tot 1919. Hij is vernoemd naar paus Pius IX, om wiens soevereiniteit door zouaven werd gestreden. Van 1922 tot 1952 bekleedde Arts diverse politieke functies en in 1921 was hij medeoprichter van het Tilburgse Sportpark aan de Goirleseweg, de voorloper van huidige Koning Willem II stadion.

Dat het voetbal in oorlogstijd bijzondere, vandaag de dag onbekende aspecten kende wordt ook nog geïllustreerd door de volgende dichtregels, geschreven direct na het behalen van de landstitel in juni 1916:


(…)
‘Laat Verdun, Verdun maar blijven;
Laat ze vechten op zee…
’t Kan ons allemaal niet bommen…
Kampioen is Willem II !’


De quote ‘Voetbal is oorlog’ is dan nog lang niet uitgevonden.


Vindplaats: NGE H3 SLOT 2018

donderdag 18 april 2019

Expositie en boekpresentatie Anton Schellens in Kasteel Geldrop

Stichting C.R. Hermans organiseert in samenwerking met de Brabant-Collectie van Tilburg University van 10 mei tot en met 30 juni 2019 een expositie over Anton Schellens, zijn fotografie en schilderijen in Kasteel Geldrop. De officiële opening vindt plaats op 9 mei om 15.00 uur en wordt verricht door oud-premier Mr. Dries van Agt.
Tegelijk verschijnt ook de publicatie Anton Schellens (1887-1954). Fotograaf van het ongerepte Brabantse plattelandsleven bij Uitgeverij Vantilt in Nijmegen. Historicus Cor van der Heijden deed jarenlang onderzoek naar de persoon en het werk van Anton Schellens. Hierbij werden niet alleen de originele glasplaten, maar ook veel van Schellens naar internationale fototentoonstellingen ingezonden afdrukken teruggevonden. Voor het eerst zullen deze foto’s te zien zijn, evenals diverse van de kunstwerken uit de collectie van Schellens.

© Anton Schellens | Stichting C.R. Hermans / Erven Schellens 
Pittoresk
Vooral tussen 1910 en 1925 maakte hij, geïnspireerd door kunstschilders uit de Haagse School en hun navolgers, in de omgeving van Eindhoven een uitgebreide collectie foto’s. Wat Jongkind, Mauve, Willem Maris en Breitner met palet en penseel maakten, probeerde Schellens met zijn hobby, fotografie. Met zorg koos hij in zijn Eindhovense omgeving taferelen van het pure, onbedorven en pittoreske plattelandsleven, met eenvoudige optrekjes waar keuterboeren, thuiswerkende ambachtslieden en oude vrouwen hun dagen sleten zoals generaties voor hen dat deden.
Schellens ensceneerde met de grootst mogelijke zorg het interieur en stelde zijn camera zodanig op dat de afbeelding er zo pittoresk mogelijk uitzag (waarbij hij een fascinatie had voor binnenvallend licht). Hij zag er niet tegenop om de inrichting van de woonkamer af en toe volledig te veranderen of experimenteerde met (al dan niet met door hemzelf meegebrachte) voorwerpen als dit de sfeer ten goede kwam. En niet onbelangrijk: hij instrueerde en positioneerde zijn ‘modellen’ op een vergelijkbare manier zoals de door hem zo bewonderde kunstschilders dat deden.

© Anton Schellens | Stichting C.R. Hermans / Erven Schellens 
Internationale erkenning
Het maken van de foto was voor Schellens nog maar het halve werk. Het minstens zo belangrijke deel volgde thuis, in de donkere kamer. Met het ontwikkelen en afdrukken van de foto was het scheppingsproces nog niet beëindigd. Schellens bekwaamde zich in allerlei procedés die hem uittilden boven het niveau van een ‘kiekjesmaker’. Zijn pigmogravures (waarbij op een afgedrukte foto met verfkwast extra accenten werden gezet of onderdelen vervaagd) vielen bij fototentoonstellingen in binnen- en buitenland met grote regelmaat in de prijzen en werden in de vakbladen met lof overladen. Een flink aantal van zijn opnamen werd in de Nederlandse fotovaktijdschriften en in prestigieuze internationale jaarboeken gepubliceerd. In tegenstelling tot andere fotografen wiens werk uit hun beginperiode sterke gelijkenis met dat van Anton Schellens vertoont (zoals Henri Berssenbrugge en Martien Coppens), toonde de Eindhovense fabrikant annex amateurfotograaf geen belangstelling voor meer experimentele richtingen in de fotografie. Maar zijn in een beperkte tijdspanne tot stand gekomen oeuvre is belangwekkend genoeg om aan de vergetelheid te ontrukken.

© Anton Schellens | Stichting C.R. Hermans / Erven Schellens

maandag 15 april 2019

Tijdschrift: Van Vehchele tot Veghel

'Van Vehchele tot Veghel' is het periodiek van Heemkundekring Vehchele dat vier keer per jaar verschijnt met artikelen over heemkundige en historische onderwerpen die betrekking hebben op Veghel en de kernen Eerde, Mariaheide en Zijtaart. De kring wil belangstelling wekken voor heemkunde en de kennis daarover bevorderen, met name met betrekking tot de hiervoor genoemde plaatsen. Dit gebeurt onder andere door het publiceren van onderzoeksresultaten over heemkundige onderwerpen in haar periodiek 'Van Vehchele tot Veghel' en andere media.
Vehchele is de oudst bekende schrijfwijze van de plaats die in 1225 is aangetroffen op een lijst van goederen en rechten van de abdij van Berne. Op 1 januari 2017 werd Veghel, samen met Schijndel en Sint-Oedenrode, samengevoegd tot de nieuwe gemeente Meierijstad. De hoofdplaats hiervan is Veghel. Hieraan voorafgaand was de gemeente in 1994 samengevoegd met de gemeente Erp, met behoud van de naam Veghel. Heemkundekring Vehchele werd opgericht op 23 april 1981. Het eerste tijdschriftnummer verscheen op 21 juni van dat jaar. Tot 2014 verscheen het tijdschrift in zwart-wit op A5-formaat, maar vanaf 2015 wordt het in kleur uitgegeven op A4.
Gerard Wonders publiceerde van 1981-1989 in het tijdschrift meer dan 36 artikelen, waarvan 13 over molens. Jan Pos en Ria Vreeswijk schrijven namens de Werkgroep Dialect en Folklore in het blad. Vanaf 2010 is Martien van Asseldonk de grootste leverancier van bijdragen die vooral gaan over de geschiedenis van Veghel.
In het maart-nummer van 2019 staat een artikel van de hand van Piet van Asseldonk en Henk van der Voort over Piet van Melis (*1934) die aan de wieg stond en directeur was van Het Pieter Brueghel Instituut, een educatief streekcentrum voor kunst en cultuur. Ook staat hierin een artikel over de belangrijke rol die Veghel vroeger speelde in de kalverhandel, geschreven door Rolf Vonk en Henk van der Voort.
Klik hier voor een uitgebreide inhoudsopgave van alle kronieken van 1981-2017.


'Van Vehchele tot Veghel'  is aanwezig en raadpleegbaar op niveau 0 van de universiteitsbibliotheek.
Vindplaats: T 07416

dinsdag 19 maart 2019

Een handboek voor timmerlieden in de 18e eeuw

Gravures in bouwkundige werken van vóór 1800 zijn over het algemeen een genot om te bekijken. Tot de vroege boeken over bouwkunde die de Universiteitsbibliotheek Tilburg bezit, behoort de Architectura chivilis. Het is uitgegeven in 1670, met 36 fraaie kopergravures, door de Amsterdamse graveur en boekverkoper Justus Danckertsz (1635-1701). De paginagrote afbeeldingen tonen voornamelijk de constructie van daken.
Architectura chivilis - titelpagina
Vindplaats: CBC TFK D 176

Architectura chivilis - gravure 11
In zijn vier bladzijden, tamelijk religieus getinte voorwoord, hoopte Danckertsz dat zijn uitgave een inspiratie zou zijn voor timmerlieden, vooral met het oog op de vele door oorlogen verwoeste daken. Na het voorwoord volgen nog vier pagina’s tekst waarin Danckertsz de illustraties uitlegt aan de 'bouwmeesters'. Van een werkelijke bouwtechnische uiteenzetting is echter geen sprake. Dat kan ook moeilijk anders, aangezien Danckertsz geen bouwkundige was. Hij haalde zijn afbeeldingen vooral uit de befaamde werken van de architecten Vincenzo Scamozzi (1548-1616), Giacomo Barozzi da Vignola (1507-1573) en Andrea Palladio (1508-1580).
De Universiteitsbibliotheek bezit een tweede boek over dakconstructies: Anweisung zur Zimmermannskunst. Dat bevat minder afbeeldingen dan het boek van Justus Danckertsz, slechts 30 kopergravures. Maar op deze gravures staan veel meer constructies afgebeeld en ze zijn ook puur technisch van aard. De esthetiek speelt, anders dan bij Danckertsz, in dit boek een bijna te verwaarlozen rol. De praktijk van de timmermanstechniek daarentegen spat ervan af!
Anweisung zur Zimmermannskunst - titelpagina
Vindplaats: CBC TFK D 590
Anweisung zur Zimmermannskunst verscheen in 1764 bij de Leipziger drukkers en uitgevers Bernhard Christoph Breitkopf (1695-1777) en diens zoon Johann Breitkopf (1719-1794). Laatstgenoemde zou overigens in 1789, na de dood van zijn vader, de derde druk uitgeven van de Anweisung zur Zimmermannskunst.
Dat dit boek zo technisch van aard is, komt door het beroep van de auteur. Christian Gottlob Reuß (1716-1792) werd geboren in Lampertswalde, Sachsen, 33 km noordelijk van Dresden, in de hypotenusa van de rechthoekige driehoek Dresden, Leipzig, Berlijn, drie steden die een belangrijke rol zouden spelen in het leven van de volwassen Christian. Vader Andreas Reuß, Hofzimmermeister van keurvorst Friedrich August II (1696-1763), bracht zijn zoon de kneepjes van het timmermansvak bij. Na die leertijd vergrootte de jonge Reuß zijn kennis op autodidactische wijze, in het bijzonder op het vlak van de wiskunde. Uiteindelijk werd ook de zoon Hofzimmermeister van de Saksische keurvorst.
Reuß werd geprezen om de bruggen die hij bouwde of waar hij aan meewerkte. Zo bouwde hij in 1764 de fraaie pijler van de Meißner Elbbrücke. In datzelfde jaar verscheen zijn befaamde handleiding voor timmerlieden: Anweisung zur Zimmermannskunst, den Anfängern und Liebhabern der Baukunst, besonders den Zimmerleuten, zum Besten aufgesetzt, und mit nöthigen Kupfern ... Leipzig, verlegts Bernhard Christoph Breitkopf und Sohn, 1764.
Reuß heeft zijn boek opgedragen aan Julius Heinrich Schwarze (1706-1775), schepper van de Rococostijl in Dresden en Oberlandbaumeister van de keurvorst. De opdracht is gedagtekend 16 augustus 1763, waaruit geconcludeerd kan worden dat Reuß zijn manuscript en de gravures kort voor augustus 1763 moet hebben ingeleverd bij drukker Breitkopf.
In zijn Inleiding schrijft Reuß dat de timmermanskunst altijd een belangrijk aspect is geweest van de bouwkunst. Hij merkt op dat weliswaar ook in eerdere boeken over de bouwkunst aandacht werd besteed aan dit vakgebied, maar dat het dan slechts ging om een gering aantal bladzijden. Wat er werd geschreven was wel niet onbelangrijk, maar veel klopte er volgens hem niet en de bouwmeesters liepen vervolgens tegen problemen aan die zij dan tijdens de bouw maar moesten oplossen. Aan de afbeeldingen uit die boeken heeft men volgens Reuß ook niet veel, omdat de beginnende timmerman niet wijs werd uit de vele lijnen en cirkels op die afbeeldingen.
Dat allemaal was voor Reuß de reden om zijn handleiding voor timmerlieden te schrijven. Het is dan ook vooral een boek voor de praktijk: alles wat Reuß beschrijft, is in werkelijkheid ook verschillende keren succesvol door hemzelf uitgevoerd. Daarnaast hanteert de auteur een schrijfwijze en een manier van afbeelden die door iedereen eenvoudig begrepen kan worden! En ook al is zijn boek niet omvangrijk, aldus de auteur zelf, toch staat er alles in wat nodig is in de bouw. Interessant is dat Reuß wijst op het gebruik van verduidelijkingen die in de marges zijn gedrukt!
De ordening van het boek, schrijft Reuß, is van makkelijk naar moeilijk. Achtereenvolgens worden de volgende vakonderdelen behandeld: de proporties van verschillende soorten daken, houtverbindingen in bruggen, dakconstructies, torens en gewelven.
Anweisung etc. - Bruggen

Anweisung etc. - Dakconstructie
Anweisung etc. - Torens




Anweisung etc. - Gewelven
Over de vakwerkbrug in gravure nr. XXVI, was Reuß van mening dat zijn "Brücke wurde genugsam im stande seyn die schweresten lasten zu tragen" (p.49, r.29-30).
Het boek, dat voorheen in het bezit was van het kapucijnenklooster in Velp, is gebonden in een ‘burgemeestersband’: lichtrode schaapsleren rug met lichtrood kammarmer sierpapier over de platten. Voor een praktijkboek verkeert het in opmerkelijk goede staat.

Anweisung etc. - Boekband
Christian Gottlob Reuß hield zich overigens met veel méér bezig dan met bruggen en daken. Zo bouwde hij in Dresden het zogeheten 'kleine Opernhaus' en was hij in 1783 bezig met de renovatie en uitbreiding van de 'grote' Opera van Dresden. Reuß was ook betrokken bij de technische inrichting van het Morettitheater in Dresden, gebouwd door de hierboven genoemde Julius Schwarze. Het Morettitheater werd in 1841 gesloopt. In de Redoutensaal van de grote Opera in Dresden installeerde Reuß in 1782 de podiumtechniek. Ook installeerde hij er de 50 kroonluchters en 4000 lampen. In Leipzig installeerde hij de podiumtechniek in het Komödienhaus (in 1667 gebouwd door Wolf Caspar von Klengel (1630-1691). Reuß was namelijk ook 'Hofmaschinenmeister', oftewel een specialist in de podium- of theatertechniek. Het gaat daarbij om mechanische hulpmiddelen die een theateropvoering mogelijk maken. Zoals het zichtbaar maken van een schip dat voorbij vaart, objecten in het podium laten wegzinken, onweer verbeelden (windmachine, regenmachine en dondermachine), hemelse verschijningen mogelijk maken (Deus ex Machina). In de eenvoudige vorm diende de techniek overigens ook louter om het doek open en dicht te doen of om het decor te laten bewegen. Twee gravures uit de Encyclopédie (Paris, Briasson, 1751-1780) van Diderot en D'Alembert maken duidelijk wat podiumtechniek ten tijde van Reuß vermocht.

Encyclopédie, ou Dictionnaire raisonné des sciences, des arts et des métiers
Vindplaats: TRE R 0043
Encyclopédie etc.
Dat Reuß tot de allergrootsten van de podiumtechniek behoorde, blijkt uit het feit dat hij in 1788 als 'Maschinenmeister' naar Berlijn werd gehaald om de opvoering mogelijk te maken van Medea in Colchide van Johann Gottlieb Naumann (1741-1801). De uitvoering vond plaats op 16 oktober 1788. Voor dat werk ontving Reuß een gouden medaille uit handen van de vorst.
Tot slot is nog vermeldenswaard dat Reuß in 1787 een brandweerwagen bedacht die de brandweermannen bij brand in hoge gebouwen snel op de juiste hoogte kon brengen om daar het vuur te bestrijden of de zich daar bevindende personen te redden.
Christian Gottlob Reuß stierf in oktober 1792 in Dresden.

maandag 4 maart 2019

Woonwagenbewoners laten zich niet afschaffen. Een eeuw woonwagenbewoners in Noord-Brabant 1918-2018

Geen andere provincie in Nederland telt zoveel woonwagenbewoners als Noord-Brabant. Maar welkom zijn ze nooit geweest. Eind oktober 2018 verscheen een cultuurhistorisch onderzoek naar de bijzondere leefwijze van de woonwagenbewoners in Noord-Brabant. In het boek staat het dagelijkse leven van de bewoners centraal. Er leven ongeveer 30.00 mensen in woonwagens of stacaravans. Zij roepen al vanaf hun ontstaan in het begin van de 20ste eeuw negatieve beelden op. Het is en was een besloten gemeenschap met eigen normen en waarden. Zij werden vaak beticht van criminele activiteiten, leefden op gespannen voet met de rest van de bevolking, maar werden ook zelf gediscrimineerd in het onderwijs, op de arbeidsmarkt en door de overheid. Sinds 2014 is de woonwagencultuur in Nederland als immaterieel erfgoed erkend. In het boek komen onder andere aan bod de herkomst van de woonwagenbewoners, de eerste woonwagenwet en de Roma en Sinti. Tevens worden belicht de realisatie van regionale centra in Noord-Brabant en de negatieve gevolgen ervan, de afschaffing van de woonwagenwet, de seizoensarbeid en het venten. De vraag die centraal staat in het boek is: wat heeft honderd jaar van gemeentelijk woonwagenbeleid de doelgroep in kwestie opgeleverd? Het antwoord hierop is: niet veel. Duidelijk wordt dat de gemeenten er een zwalkend beleid op nahielden. Ze moesten zich houden aan de door de regering gemaakte afspraken. Volgens de woonwagenwet van 1918 moesten de gemeenten een terrein voor de woonwagenbewoners inrichten, met voorzieningen zoals schoon drinkwater, verharde ondergrond en aansluiting op het riool. Veel Brabantse gemeenten wilden niet zover gaan. De woonwagenbewoners was men liever kwijt dan rijk. Niet over maar met elkaar praten, zo luidt de belangrijkste conclusie van het boek.

Vindplaats: BRA T3 GODR 2018