Over mij

Mijn foto
De Brabant-Collectie is in 1837 in 's-Hertogenbosch opgericht door het Provinciaal Genootschap van Kunsten en Wetenschappen in Noord-Brabant en wordt sinds 1986 beheerd door de bibliotheek van de Universiteit van Tilburg

donderdag 8 september 2011

Gaai

  
Gaai in:
C. Nozeman, M. Houttuyn, C. Sepp, J.C. Sepp:
Nederlandsche vogelen volgens hunne huishouding, aert en eigenschappen beschreeven
KOD 041 G 01
Garrulus, de Gaey

De gaai, nog vaak Vlaamse gaai genoemd, is een fraai getekende vogel die verspreid over heel Nederland te zien is in zowel bosgebieden als stedelijke omgeving. De wetenschappelijke naam Garrulus Glandarius is vrij te vertalen als ‘voortdurend krassende eikelzoeker’. Garrulus is een geslacht van zangvogels uit de familie kraaien.

Nozeman vermeldt:
"Men noemt deezen Vogel ook Vlaemschen Gaey, en Spaenschen Aekster. Van Garrire, snappen, heeft hy zynen Latynschen naem, Garrulus, maekende hy van nature, in ’t wild, allerlye geluid en gescharrel; waerom men hem in sommige streeken ook Scharrelaer gewoon is te noemen."
In onze tijd gebruikt men de naam scharrelaar voor Coracias Garrulus, een heel andere vogel dan de gaai.

Het voedsel van de gaai bestaat uit eikels, beukennootjes, hazelnoten en vruchten, aangevuld met insecten, eieren en jonge zangvogels. De eik is afhankelijk van de gaai voor de verspreiding van eikels. In één vlucht vervoert de gaai 3-4 eikels in zijn keelzak en soms nog eentje tussen zijn snavel naar plaatsen met een zachte ondergrond. Hij duwt ze in de aarde en legt zijn wintervoorraad aan. Maar hij vindt lang niet al zijn plekjes terug. Zo kunnen de eikels ontkiemen en zorgen voor bosverjonging. Dit gegeven biedt het nodige tegenwicht aan de slechte naam die de gaai bij sommigen heeft als rover van eieren en nestjongen van zangvogels.

Praktijken als vogels vangen en tam maken waren in Nozeman’s tijd niet ongebruikelijk:
"Zy kunnen zeer gemaklyk worden gevangen, ’t zy in grootere Slagkooijen waerin eenige vrucht ligt welke zy beminnen, ’t zy in paerden-haeiren strikken die in wilgeboogen, met zulk eene vrucht bezet, in ’t hout worden opgehangen.
... Als men de jongen uit het nest wil opbrengen, moet men wachten tot dat de vederen wel zyn begonnen uittegroeijen: en men voedt hen dan met brood dat in vleeschnat geweekt is, of met brokjes van een gekookt schaepenhart, en, in den tyd, met vruchten. Die deezen Vogel leeren klappen, snyden hem van den tongriem; en in twee jaren leert hy verstaenbaer praten, deuntjes fluiten, trompetten, en zingen in naerbootsing van allerlye kleine vogelen."


Een gezonde gaai, die aan dergelijke vogelvangers weet te ontsnappen, kan een redelijke leeftijd bereiken. Nozeman schrijft:
"Hy is somtyds der Vallende Ziekte onderhevig. Niettemin kan hy agttien jaeren leeven."

Vindplaats: KOD 041 G 01

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen