Over mij

Mijn foto
De Brabant-Collectie is in 1837 in 's-Hertogenbosch opgericht door het Provinciaal Genootschap van Kunsten en Wetenschappen in Noord-Brabant en wordt sinds 1986 beheerd door de bibliotheek van Tilburg University

maandag 8 juni 2020

Een ramp met vele gezichten

In de bibliotheek van de Brabant-Collectie worden duizenden jaargangen van enkele honderden tijdschriften bewaard. Vanzelfsprekend hebben ze allemaal een link met Brabant. Sommige zijn echter meer thematisch dan topografisch van aard. Zo is het door de grote collectie cartografie in de Brabant-Collectie logisch dat ook hieraan gerelateerde tijdschriften worden verzameld. In het Tijdschrift voor Waterstaatsgeschiedenis (vindplaats T 09404) verschijnen met enige regelmaat artikelen met een Brabantse insteek. Het kan daarin bijvoorbeeld gaan over de optekening van een van de watersnoodrampen waar de provincie in de voorbije eeuwen mee te kampen heeft gehad.
Een artikel dat in december 2019 in dit tijdschrift verscheen, legt indirect een link met een interessant object uit de Topografisch-Historische Atlas van de Brabant-Collectie, maar daarover later meer. Eerst iets over het artikel zelf: 'Zingen om het hoofd boven water te houden. Overstromingen en de Nederlandse literatuur'. Hoogleraar Lotte Jensen geeft aan de Radboud Universiteit in Nijmegen leiding aan een NWO-onderzoek naar onder andere historische watersnoodliederen. In Dealing with disasters wordt de rol onderzocht die rampen hebben gespeeld bij lokale en nationale identiteitsvorming in de periode 1421-1890. Het eerste jaartal is te koppelen aan de Sint-Elisabethsvloed; 1890 is gekozen omdat het jaar werd gekenmerkt door een heel strenge winter. In Dealing with disasters staat de culturele verbeelding van natuurrampen vóór de opkomst van televisie centraal. In het genoemde artikel, dat naar aanleiding van dit Nijmeegse onderzoek is verschenen, komen ook Brabantse natuurrampen voorbij. Een van de meest in het oog springende rampen is de watersnood bij Nieuwkuijk, bijna anderhalve eeuw geleden. Als gevolg van een doorbraak van de Vlijmense Dijk ten zuiden van Nieuwkuijk, in de nacht van 29 op 30 december 1880, kwam een groot deel van die plaats en Het Land van Heusden en Altena onder water te staan. Drie doden en een onbekende hoeveelheid vee kwamen bij de ramp om het leven; de materiële schade was enorm. Voor de slachtoffers werd op 18 februari 1881 een groots benefiet georganiseerd in het Paleis voor Volksvlijt in Amsterdam. Ondanks de treurige aanleiding werd er een fraai Feestblad samengesteld, waarvan een exemplaar bewaard is in de collectie van de Universiteitsbibliotheek van Leiden. Talrijke bekende Nederlanders, onder wie dichter Nicolaas Beets en architect Pierre Cuypers, droegen eraan bij, maar het meest bijzondere onderdeel was misschien wel een speciaal Watersnood-Wilhelmus, opgedragen aan koning Willem III (niet de laatste vorst die zich met watermanagement bezighield). Het lied telt negen coupletten en met name in het eerste couplet klinkt het vertrouwde Wilhelmus door:

Wilhelmus van Nassouwe
Ben ick van Dietschen bloet,
Den Waterlant ghetrouwe
Blijf ick tot in den doedt.
Oranjevorst met eere
Ben ick vrij onverveert,
Want plassen groot als meiren
Heb ik geannexeert.


Jensen merkt op dat in dit lied, waarin koning Willem III de ik-figuur is en tot ons lijkt te spreken, liefdadigheid en nationale saamhorigheid op een unieke wijze samen komen, hoewel er in het lied ook kritische kanttekeningen worden geplaatst bij het falende centrale bestuur. In een online publicatie van dezelfde auteur wordt nader ingegaan op enkel dit bijzondere Wilhelmus.


Via de universiteiten van Nijmegen en Leiden belanden we nu weer bij de Brabant-Collectie. De Nieuwkuijkse watersnood in de winter van 1880-1881 is behalve literair ook visueel verbeeld en voorbeelden hiervan bevinden zich in de Topografisch-Historische Atlas. Het betreft een aantal contemporaine foto’s van de situatie ter plekke, kort na de overstromingen. Foto’s met ondergelopen boerderijen, huizen en straten, weggevaagde bomen en huizen, soms met mensen die voor het maken van de foto even lijken te zijn gestopt met hun reddings- en opruimwerkzaamheden.

Watersnood Nieuwkuijk
Foto, 10 x 15 cm. Maker onbekend
Vindplaats: N 35.2 / 1880 (11)
Maar er is meer. Voor de verslaglegging in De Katholieke Illustratie zijn destijds houtgravures gemaakt met soortgelijke voorstellingen. De meest opvallende in die reeks is een prent met ‘Het overbrengen der Heilige Vaten’.
De watersnood te Nieuwkuik - Het overbrengen der Heilige Vaten
Houtgravure, 15 x 22 cm. Maker onbekend
Vindplaats: N 35.2 / 1880 (3)
Behalve mensen en vee moesten namelijk ook kostbaarheden in veiligheid worden gebracht, zoals het liturgisch vaatwerk (kelken, monstransen en reliekhouders) van de parochiekerk. In De Katholieke Illustratie worden de gebeurtenissen en ervaringen, zo ook het ophalen van de ‘heilige vaten’, tot in detail beschreven en met prenten geïllustreerd. Een gedetailleerd verslag van de ramp is in 2014 opgetekend door Bert Meijs in De ramp van Nieuwkuijk 1880-1881 (vindplaats: BRA T3 Meij 2014).

Doorbraak van den Vlijmenschen Dijk ten zuiden Nieuwkuik etc.
A.B. van Lieshout
Lithografie, 50 x 84.5 cm
Vindplaats: N 35.2 / 1880 (1)
Het vanwege grootte en inhoud meest in het oog springende beelddocument is een litho met de titel Doorbraak van den Vlijmenschen Dijk te zuiden Nieuwkuik ten 2 ure des nachts van 29 op 30 December 1880. De litho herbergt een grote hoeveelheid informatie, uiteenlopend van karakter. Onder de titel zijn feitelijke gegevens opgenomen over oppervlakte en inwoneraantal van Nieuwkuijk, maar ook van het grotere, overstroomde gebied: Het Land van Heusden en Altena. Daaronder is plaats ingeruimd voor 'Huizen onder Nieuwkuik en Vlijmen', die als blokjes langs de hoofdstraten zijn weergegeven. Deze zijn voorzien van de naam van de eigenaar én een symbool dat duidelijk maakt of het huis bij de overstroming geheel is weggespoeld (41 stuks), zwaar is beschadigd (18 stuks), is beschadigd (50 stuks) of onbeschadigd is gebleven. Een aantal huizen gaat vergezeld van een letter (A t/m P) die aan de linkerzijde wordt uitgelegd. Het betreffen 'reddings-voorvallen'. Met een persoonlijke pen wordt de penibele situatie beschreven waarin geredde gezinnen of individuele personen zich hadden bevonden en waar de getroffenen na de ramp werden ondergebracht. In de kaart is verder met stippellijnen en pijlen aangegeven hoe de hevigste waterstromen liepen. Onder de kaart is verder een reeks 'Gemengde Aanteekeningen' opgenomen, zoals de volgende: 'Een veulen, dat op een opkamer gevlucht was en van den honger het hout van de deuren en kozijnen afgeknabbeld en de matten uit de stoelen opgepeuzeld had, is na eenige dagen nog levend gered'. In deze aantekeningen staat ook een datum vermeld: 24 januari. Dit is wellicht de dag in 1881 waarop de gegevens voor deze kaart zijn verzameld. Verder wordt de Konijnenberg aan de rand van Nieuwkuijk genoemd, waar 300 mensen tijdens de overstroming heen zijn gevlucht. Deze is rechts op de prent weergegeven als 'toevluchtsoord van menschen en vee'. Wat hier opvalt is de vermelding dat 'G. van Son President der Commissie van den Konijnenberg, huist in een daarop geplaatste tent.' De meeste vluchtelingen verbleven de eerste dagen en nachten na de ramp onder de blote hemel. Anderen hadden op de Konijnenberg waarschijnlijk een meer dan tijdelijke verblijfplaats, getuige de beschrijvingen bij de twee portretten die de kaart completeren: 'M. Heymans, Nachtwaker der gemeente Nieuwkuik. Heeft door het slaan der noodklep de inwoners gewekt en van de doorbraak verwittigd. Huist in een hol op de Konijnenberg' en 'B. v.d. Lee, bijg: de Stoker, Jager van den Heer van Onsenoort. Huist met vrouw en vijf kinderen in een uitgegraven holte op den Konijnenberg'.

Deze kaart, met een schat aan informatie, is uitgegeven bij P.C. Baijens in Waalwijk – met name actief met de uitgave van prentbriefkaarten – en vervaardigd door A.B. van Lieshout (1802-1885). Een uitgebreid artikel over Van Lieshout verscheen in 1997 in tijdschrift De Klopkei (jaargang 21, p. 127-136, vindplaats T 07471). Deze Waalwijkse kunstenaar genoot zijn opleiding aan de Koninklijke School voor Nuttige en Beeldende Kunsten in 's-Hertogenbosch. Als zoon van een meester-timmerman kwam hij in aanraking met secuur meet- en tekenwerk. Tijdens zijn opleiding behaalde hij prijzen in de bouwkunde en ornamentkunde. Uiteindelijk kwam hij te werken bij het Kadaster in 's-Hertogenbosch. Zijn bekendste werk is een kaart van Noord-Brabant, bestaande uit twaalf delen, die ook in de Brabant-Collectie aanwezig is (vindplaats: Provincie Noord-Brabant / 1842 (1)). Deze kaart van Noord-Brabant kreeg na verschijnen veel waardering. In 1881, Van Lieshout was al bijna tachtig jaar en – zo staat vermeld op de kaart – 'Oud Ambtenaar van het Kadaster', was hij belast om de situatie en de verhalen in Nieuwkuijk na de watersnood op te tekenen.

Aan de hand van de veelzijdige bronnen uit diverse collecties die hierboven zijn beschreven, kan een goed beeld worden geschetst van een ramp, een zwarte bladzijde uit de geschiedenis van een klein Brabants dorp. De impact van rampen laat voor altijd sporen na. Benieuwd hoe over anderhalve eeuw wordt teruggekeken op de coronacrisis in onze tijd en welke literaire en visuele bronnen daarvan bewaard zijn gebleven…

maandag 25 mei 2020

Wandelen in de omgeving van ’s-Hertogenbosch; 10 dagwandeltochten tussen de Maas en Boxtel, Rosmalen en Vlijmen


In deze coronatijd aandacht voor een onlangs verschenen wandelgids met 10 wandelingen van de Paadjesmakers rondom ’s-Hertogenbosch. Het is een gevarieerd aanbod van wandelingen door de omgeving van ’s-Hertogenbosch met ook aandacht voor de geschiedenis van het landschap en zijn bebouwing. De routes gaan door natuurgebieden en agrarische gebieden, door moderne maar ook door typisch Bossche wijken, door rustige en bijzondere plekken en eindigen veelal in of vlakbij de Bossche binnenstad. Het moerassig gebied rond de stad en de beekdalen van de Aa en de Dommel vormen een mooi decor voor de wandelroutes. 

Vindplaats: BRA H4 PAAD 2020

maandag 11 mei 2020

Blauwborst

Blauwborst in:
C. Nozeman, M. Houttuyn, C. Sepp, J.C.Sepp:
Nederlandsche vogelen volgens hunne huishouding, aert en eigenschappen beschreeven
KOD 041 K 01
Sylvia Suecica, het Blaauwborstje

We pakken weer even de draad op van onze blogreeks over de Nederlandsche vogelen van Cornelis Nozeman (1721-1786) e.a., met vandaag aandacht voor de Blauwborst. Over de naamgeving wordt het volgende geschreven:
"Het Mannetje, heeft een schoone, hemelblaauwkleurige keel en borst, van waar zijn naam ontleend is, bij Linnaeus, is deze Vogel bekend onder den naam van Montacilla Suecica, wat hiertoe aanleiding gegeven hebbe, is niet wel optesporen, want hoe zeer geheel Europa hun ter woonplaats strekt, is het tog Zweden, en de verdere Noordelijke deelen niet, in welke hij zijnen hoofdzetel vestigd."
Tegenwoordig onderscheidt men twee ondersoorten van deze trekvogel: de Witsterblauwborst (Latijnse naam Luscinia svecica cyanecula) en de Roodsterblauwborst (Latijnse naam Luscinia svecica svecica). In ons land zien we met name de eerstgenoemde. Het zwaartepunt van de West-Europese verspreiding ligt zelfs in ons land en in West-Vlaanderen, aldus de Vogelatlas van Nederland van SOVON. Gelukkig is er steeds meer geschikt leefgebied voor deze vogel bijgekomen, waardoor hij zelfs van de 'Rode Lijst' is gehaald. Veel zeldzamer in ons land, maar daarentegen veel voorkomend in Noord-Europa, is de Roodsterblauwborst. Deze vogel, met een rode 'ster' in het blauwe borstgedeelte, is in ons land een zeldzame doortrekker in het voorjaar. Ook al doet de Nederlandse naam wellicht anders vermoeden, de Blauwborst is nauwer verwant aan de Nachtegaal dan aan de Roodborst. Die verwantschap komt ook tot uiting in enkele dialectnamen voor de Blauwborst: Poldernachtegaal, Rietnachtegaal en Waternachtegaal.

De Blauwborst laat zijn uitbundige zang vaak horen vanaf een goed zichtbare zangpost, op de top of op een tak van een struik in nat gebied. Hij richt dan zijn staart op en toont zijn felgekleurde blauwe borst in al zijn pracht. Ook in de baltsvlucht kun je zijn zang horen, die door vogelaars wordt vergeleken met het geluid van een startmotortje. De auteurs van Nederlandsche vogelen waren niet zo onder de indruk van de zang van de blauwborst, althans van de exemplaren die in hun tijd veelvuldig in gevangenschap werden gehouden:
"Er worden jaarlijks verscheiden gevangen, en in kooijen met meelwormen onderhouden; zij worden alsdan zeer tam, en leggen alle schuwheid af; het is echter alleen de schoone kleur, waardoor zich dit Vogeltje aanbeveelt, want zijn geluidt, is, juist niet strelende, bestaande alleen in enkelde en afgebrokene klanken, die op zichzelve dan tog niet verveelende of onaangenaam kunnen heeten."

Over biotoop en voedsel van de Blauwborst wordt het volgende geschreven:
"Het voorwerp waarover wij bij dezen handelen; en waarvan in het jaar 1810 twee of drie stuks te Harderwijk, gevangen werden, bewoond veelal, de struiken en wildernissen althans gedurende den zomer, alwaar dit Vogeltje zich alsdan, zoo hier als elders, aan oevers en andere waterachtige plaatsen, in het digtst van Heesterboschjes verschuilt, op de aarde een nest bouwt, en vijf à zes langwerpige groenachtige eijertjes legt... het voedsel bestaat in allerleij Insecten, inzonderheid in Water-Insecten, waarom hij gaarne aan waterachtige plaatsen zich nederzet, echter bezoekt hij ook in het najaar de Wijngaarden en Moestuinen, om aldaar van Druiven en andere Gewassen, Wormen en Rupsen, aftelezen."
Aldus zijn Blauwborsten "nuttig, wegens hun verslinden der Insecten en in het gezellige leven aardige beestjes en indien men zulks zouden kunnen verkiezen, ook tot spijze zeer goed te gebruiken."

Vindplaats: KOD 041 K 01

maandag 13 april 2020

Ginnekense wonderdokter

Portret F.J.M. Colson, vóór 1900. Poststempel d.d. 20-09-00
Prentbriefkaart. Foto: A. van Erp, Ginneken. Brabant-Collectie. Tilburg University
In 1904 kocht de Hagenaar François Joseph Marie Colson (1878-1911) een stuk grond met een houten huisje in het Ulvenhoutse bos. Al snel begon hij zijn praktijk als kruiden- of wonderdokter van Ginneken. Per paardentram kwamen de mensen vanuit het hele land, maar ook uit België. Colson beweerde over bijzondere gaven te beschikken. Zo zou hij zonder mensen aan te raken door hun lichaam kunnen kijken en zou hij weten aan welke kwalen ze leden.
Ierseksche en Thoolsche Courant, 25 februari 1905
www.delpher.nl
Op 30 september 1904 is vanuit Ginneken deze prentbriefkaart verstuurd naar de familie Van Dam te Rotterdam. De plaatselijke fotograaf A. van Erp heeft de praktijk van de wonderdokter op de gevoelige plaat vastgelegd. Op de beeldzijde staat een mooie anekdote over het bezoek van Anna aan dokter Colson met baard en pij (staand rechts van het midden).
Groepsportret bij wonderdokter F.J.M. Colson (staand rechts van het midden)
voor het houten keetje in het Ulvenhoutse bos
, 1904
Prentbriefkaart. Foto: A. van Erp, Ginneken. Brabant-Collectie. Tilburg University
De transcriptie van deze anekdote luidt als volgt:
Jans.
Ik bedank je wel voor je cadeau en vind het zeer mooi. Ook bedank ik Emma gelijk voor het geld dat ze mij gegeven heeft, haast was ik er aan vergeten. Nu heeft Filip gezegd, dat Sjaak van plan was zondag met Léon mee te komen. Dit willen wij graag vooruit weten. Anna is onderzocht, doch de Dr heeft niets gezegd. Hartelijke groeten aan Allen van ons Esther en Anna. Anna voelt zich zeer goed en haar longen hebben niet het minste geleden, door het wandelen. adieu Esther.
Zoo je Bernard Bouwman ziet bedankt hem dan voor zijn aanzichtkaarten. Als Sjaak mee komt laat hij dan zijn fiets mee brengen. De boer vraagt er alledag na misschien kan hij hem verkoopen. Het weer liet zich van morgen niet mooi aanzien. Het knap nu echter op. Misschien gaan we vanmiddag eens naar Breda. Nu dag tot Ziens Esther


De zaken gingen bijzonder goed. François Colson kon in 1905 een groot herenhuis aan de Ulvenhoutselaan nummer 7 huren. In zijn woonhuis ontving hij patiënten en bewonderaars, soms wel zeventig per dag. In het houten “Boschhuis” hield hij eveneens nog spreekuur. De kleine houten keet werd rond 1910 uitgebreid tot een groot zomerhuis. Het huis met verdieping en gaanderij werd door hemzelf “De Belvedère” oftewel uitkijktoren genoemd vanwege het mooie uitzicht over het bos. Helaas is het in 1913 afgebrand.

Ulvenhout. Ulvenhoutsch Bosch
Prentbriefkaart. Foto: A. van Erp, Ginneken; 63601. Brabant-Collectie. Tilburg University 
Ondanks zijn faam moest hij van de politie in maart 1906 stoppen met het "onbevoegd uitoefenen van de geneeskunst". Hij werd bestempeld als kwakzalver.
Dagblad van Noord-Brabant, 9 maart 1906
www.delpher.nl
Colson nam dr. Korteweg uit Breda als “assisterend geneesheer” in dienst en de praktijk werd alsnog voortgezet. De assistent, een oudere man, ontving de patiënten en noteerde hun klachten, waarna ze voorgeleid werden aan de ‘grote heler’ voor een consult. De mensen hoefden hun klachten niet meer op te sommen, want Colson wist al wat ze mankeerden. Hij trachtte met kruiden en hypnose de patiënten te genezen. Vooral goedgelovigen en vrouwen zochten de charismatische ‘dokter’ op, wellicht mede aangetrokken door zijn opmerkelijke levensstijl. Hij beschikte over een koets met span en een automobiel, waardoor hij ook huisbezoeken kon afleggen. In de Bredasche Courant van 7 juni 1907 wordt melding gemaakt van een auto-ongeluk, toen Colson en zijn assistent op weg waren naar Baarle-Nassau.
Bredasche Courant, 7 juni 1907
www.delpher.nl
Dagblad van Noord-Brabant, 25 juni 1907
www.delpher.nl
In de Bredasche Courant van 13 november 1909 staat een uitgebreid en kritisch stuk over de klandizie van de wonderdokter en zijn zogenaamde genezingen naar aanleiding van een artikel van G.W. Bruinsma in het Maandblad, uitgegeven door de Vereeniging tegen de kwakzalverij. Doordat François Colson zelf ernstig ziek werd, kwam er een einde aan zijn succes. Op 7 februari 1911 overleed de dan 32-jarige wonderdokter na een operatie in Den Haag. Grote belangstelling was er voor zijn begrafenis. Zijn bewonderaars plaatsten een gedenksteen (in de vorm van een obelisk) op zijn graf op het kerkhof van de Nederlands Hervormde Kerk in Ginneken.

donderdag 9 april 2020

Het Jaar van de Wilde Eend

In 2002 startten de Vogelbescherming en SOVON een nieuw initiatief: gedurende een jaar één vogelsoort centraal stellen waarover meer specifieke informatie gewenst is. Dat jaar werd het de ijsvogel, en vele andere vogels volgden (zie dit overzicht). 2020 is uitgeroepen tot Het Jaar van de Wilde Eend. Een gewone vogel zou je denken, maar hierin schuilt het gevaar dat we nauwelijks in de gaten hebben dat deze soort - om nog onduidelijke redenen - de laatste decennia sterk in aantal is afgenomen. Welke bijdrage jij aan het onderzoek kunt leveren, lees je hier.

Maar hoe zat het eigenlijk met de Wilde Eend in de 18e eeuw? Trouwe lezers van ons blog zullen zich wellicht nog herinneren dat we in september 2011 van start gingen met een speciale blogreeks over de 18e-eeuwse boekenserie van Cornelis Nozeman, genaamd: Nederlandsche vogelen; volgens hunne huishouding, aert en eigenschappen beschreeven. Dit boekenproject duurde maar liefst 59 jaar. Nozeman schreef tot zijn dood in 1786. Arts en bioloog Martinus Houttuyn neemt het stokje over. Na zijn dood worden de laatste delen van de boekenreeks samengesteld door uitgever J.C. Sepp en zijn opvolgers, met adviezen van Coenraad Jacob Temminck, de latere oprichter van museum Naturalis in Leiden.  De tekst over Anas Boschas in deel 3 is dus van de hand van Houttuyn.
Indertijd stond deze vogel in ons land bekend onder de namen Wilde Eend, Spiegel-eend en Ring-eend.

Wilde Eend in:
C. Nozeman, M. Houttuyn, C. Sepp, J.C. Sepp:
Nederlandsche vogelen volgens hunne huishouding, aert en eigenschappen beschreeven
KOD 041 I 01
Houttuyn schrijft dat deze vogel Spiegel-eend wordt genoemd "wegens de aanzienlyke glanzige groenblaauwe Plek op de Vlerken". En Ring-eend is volgens hem te herleiden naar de witte halsband. Voor wie meer wil lezen over de naamgeving van deze vogel door de eeuwen: neem eens een kijkje op de site WNVE.

Is de Wilde Eend in onze tijd een van de meest verbreide broedvogels, in de tijd van Houttuyn was het nog een trekvogel die het Hoge Noorden verkoos als broedplaats. Hij schrijft:
"Het zyn Trekvogels, die in de Noordelyke en Oostelyke deelen van Europa waarschynlyk hunne Broedplaats hebben, brengende aldaar het Voorjaar, en een gedeelte van den Zomer, door... Zy zyn 'er, volgens anderen, in ongelooflyke menigte. Men vindt die zelfde Soort van Eendvogels ook in Groenland en Spitsbergen, ja zelfs aan de Hudsons-Baay en in Noord-Amerika... In Augustus of September, wanneer de Koude aldaar begint, verlaaten zy reeds dien oord, en koomen by groote Schoolen, even als de Ganzen, naar onze Nederlanden en Engeland overvliegen, alwaar zy by menigten in de Vogelkooijen gevangen worden... Misschien broeden ook eenigen die overblyven, in sommige deelen van onze Nederlanden, zowel als in Vrankryk. Wanneer de Wateren bevroozen zyn, weeten zy op het Land aan veelerley groente, inzonderheid in de Koornvelden en Bouwlanden, nog wel de Kost te vinden: want zy slaan alles binnen, dat eetbaar is."
Menig Wilde Eend verdween in de pan:
"Onder de oude Romeinen was men 'er reeds op verslingerd. Hedendaags zyn zy in onze Provinciën ook nog als een aangenaame Versnapering ge-estimeerd, en komen hier in de Herfst, uit de Vogelkooijen, menigvuldig te koop."

Helaas is onze Bijzondere Collectie, en dus ook dit deel van Nederlandsche Vogelen, momenteel niet raadpleegbaar. Maar niet getreurd. De Koninklijke Bibliotheek heeft deze boekenreeks in zijn geheel digitaal beschikbaar gesteld. Zo ook deel 3, met daarin de Wilde Eend. Dus wordt het toch nog gewoon genieten, maar dan vanachter het beeldscherm.

Vindplaats: KOD 041 I 01

maandag 30 maart 2020

De verdwijning van Robin en de dwaling die daarop volgde

Afgelopen september verscheen het autobiografisch boek van Marjan Gorissen over de verdwijning van het driejarige meisje Robin Bogers in 1996 en de schokkende gevolgen voor haar. Gorissen werd valselijk beschuldigd en slachtoffer van een justitiële dwaling. Op 24 april 1996 gaat Robin pannenkoeken eten bij overbuurvrouw Trudy, vriendin van Marjan. Wanneer Robin niet thuiskomt bij haar ouders wordt alarm geslagen en komt een grootscheepse zoekactie op gang die lang zal duren. Iedereen zoekt Robin, heel Nederland leeft mee. Marjan Gorissen, die op dat moment zwanger is, wordt gearresteerd na belastende verklaringen van Trudy. Lange tijd blijft ze hoofdverdachte en zit vast in de vrouwenvleugel van PI Maastricht. Ze bevalt daar van haar zoon. Na 103 dagen wordt ze plotseling vrijgelaten. Tijdens een confrontatieverhoor bekent Trudy dat ze Robin vermoord heeft. Het enige dat teruggevonden wordt is een schoentje met Robins voetje op de vuilstort in Zevenbergen. De gevolgen van de beschuldiging en de nasleep daarvan waren voor Marjan zo aangrijpend en indringend dat het lange tijd duurde voordat ze haar leven weer op de rit had.

Vindplaats: BRA Q3 GORI 2019

maandag 16 maart 2020

Tijdschrift: Geografie

Op deze plaats belichten we regelmatig Brabantse tijdschriften die aanwezig zijn in de Brabant-Collectie en aldaar bestudeerd kunnen worden. Het betreft meestal heemkundige periodieken, verbonden aan een dorp, een groep van bij elkaar gelegen en soms al samengevoegde dorpen, of een stad. De inhoud is een bundeling van artikelen over de betreffende plaats(en) en beslaat meestal een breed scala aan onderwerpen. Het lezerspubliek, in meerderheid bewoners van de plaats(en), komt in het tijdschrift meer te weten over de (cultuur)geschiedenis van de eigen omgeving. Alzo dragen deze bladen bij aan de identiteitsvorming van plaats en bewoners.
Maar niet alle tijdschriften bij de Brabant-Collectie hebben deze lokale verbondenheid. Zo verschijnen in het landelijke tijdschrift Geografie artikelen die onder de noemer ‘aardrijkskunde en geowetenschappen’ vallen. Het blad van het Koninklijk Nederlands Aardrijkskundig Genootschap verschijnt negen keer per jaar. De Brabant-Collectie is er op geabonneerd omdat in de collectie veel cartografische documentatie aanwezig is. Zo is er een belangrijke collectie kaarten van de periode van het Hertogdom Brabant tot en met de huidige provincie Noord-Brabant, én een ruime bibliotheek aan boeken over het onderwerp. Artikelen in Geografie die aansluiten bij de verzamelgebieden van de Brabant-Collectie of bijdragen aan de wetenschappelijke informatie over Brabant worden via de website BCfinder ontsloten.
Zo verscheen in het februarinummer van 2020 een interessante bijdrage over een onderzoek in Tilburg, getiteld: ‘Place identity in Jeruzalem. Leerlingen op onderzoek in Tilburg’. Het doel was te bezien of er een uitspraak gedaan kon worden over de leefbaarheid in de Tilburgse wijk Jeruzalem. Leerlingen van de bovenbouw (havo en vwo) van De Nieuwste School verrichtten het onderzoek dat geïnitieerd is door de Fontys Lerarenopleiding Tilburg. Een gastcollege over leefbaarheid, een fietstocht door de wijk en het uitvoeren en verwerken van een enquête waren onderwijskundige aspecten van het project.
Twee sociaalgeografische termen komen bij het onderzoek om de hoek kijken: place identity (het in een plaats bij elkaar komen en wonen van mensen, ongeacht de achtergrond) en place attachment (het emotioneel gehecht zijn aan een plaats). Met een cijfer van 1 tot 5 kon men aangeven in hoeverre men het met een reeks van stellingen over de wijk Jeruzalem eens was. Het leverde interessante inzichten op die in het artikel en ook op de website www.geografie.nl verder zijn uitgewerkt.




De Tilburgse wijk Jeruzalem werd, net als wijken met dezelfde naam in onder andere Nijmegen en Helmond, in de jaren 1950 met Marshallhulpgelden gebouwd. De prefab woningen konden snel worden gebouwd en waren bedoeld om de woningnood te bestrijden. Na een beperkte periode zouden ze vervangen worden door meer duurzame woningen. Ze hebben de voorbije decennia overleefd, ook omdat bewoners zich tegen sloop verzetten. Echter, de leefomstandigheden voldeden op een zeker moment niet meer. In 2007 kwam het Tilburgse Jeruzalem in een onderzoek van het Centraal Bureau voor de Statistiek als de armste wijk van Brabant naar voren. Hierop werd besloten tot een grootscheepse herstructurering met sloop, renovatie en nieuwbouw. Het resultaat van deze aanpak gaf een enorme boost aan de wijk en daarmee aan de leefbaarheid, hoewel er nu sprake lijkt te zijn van twee wijken: een nieuwe wijk en een, weliswaar opgeknapte, oude restwijk.

Het tijdschrift Geografie is aanwezig en raadpleegbaar op verdieping 0 van de universiteitsbibliotheek.
Vindplaats: T 08947