Dit voorjaar belandden twee publicaties op ons bureau
over een interessant aspect van de woningbouw in Nederland: tuindorpen. Deze
zijn boeiend omdat het architectuur betreft, waarin de menselijke maat van groot
belang is en waar het dus goed toeven is. Maar ze zijn ook interessant omdat de
aard en betekenis van de tuindorpen en fabrieksdorpen in de loop der tijd is
veranderd. Twee boeken dus, met hetzelfde onderwerp, maar met een verschillend
uitgangspunt.
Het fenomeen tuindorp of tuinstad vindt zijn oorsprong aan het eind van
de negentiende eeuw in Engeland. Ebenezer Howard (1850-1928)
ontwikkelde toen een stadsmodel waarbij bewoners, bevrijd van de ellende van de
industriële metropool, een zelfvoorzienende gemeenschap konden vormen. In het
model werd uitgegaan van een beperkt en vast aantal inwoners. Er was sprake van
een complete samenleving op microniveau. Dit model werd wél als waardevol
beschouwd, maar is slechts beperkt tot ontwikkeling gekomen. Elementen van het
idee van Howard zijn wel op grote schaal toegepast in de woningbouw van de
eerste decennia van de twintigste eeuw, mede ten gevolge van de Woningwet van 1901. De sociale
geschiedenis van die periode, met verzuiling en crises als belangrijke
constanten, wordt weerspiegeld in de tuindorpen die Nederland rijk is. Het
oorspronkelijke idee van sociale verheffing van de bewoners – vaak arbeiders
van een lokale fabriek – en de aandacht bij het ontwerpen voor licht, lucht en
ruimte komen hierin ook naar voren.
Cover Atlas van tuindorpen in Nederland
In de Atlas van tuindorpen in Nederland worden meer dan tachtig
tuindorpen en fabrieksdorpen onder de loep genomen. Samen vertellen ze het
verhaal van hoe de tuinstadgedachte in Nederland gestalte kreeg. Bij elk
voorbeeld wordt de nodige context gegeven en is er aandacht voor opdrachtgever,
bouw, omvang en de huidige status. Want waar sommige tuindorpen nu de status
van rijksmonument hebben, zijn er ook bij die al verdwenen zijn of in slechte
staat verkeren. Mogelijk dat door opname in deze atlas er weer anders naar
gekeken gaat worden.
Cover Dwalen door een ideaal
Dwalen door een ideaal is de mooi gekozen titel voor een wandelgids langs
tuindorpen. De auteurs hebben in twaalf Nederlandse steden routes uitgezet waar
wandelaars kennis kunnen nemen van de resultaten van de tuindorpgedachte. Met
kaartjes en een gedetailleerde routebeschrijving wordt de wandelaar op weg
geholpen. In meerdere kaderteksten per stad wordt nader ingegaan op onderdelen
en achtergronden van het betreffende tuindorp.
[Stadsbeeld Eindhoven], Foto. Maker: Martien Coppens. Datering: [1950]. Formaat:
42.3 x 58 cm. Vindplaats: Cop / SE 18. © Nederlands Fotomuseum, Rotterdam /
Brabant-Collectie
In de Atlas wordt specifiek vermeld dat Brabant
‘dun’ is vertegenwoordigd. Naast Eindhoven komen Best (Batadorp) en Budel (Dorplein) aan
bod. Philipsdorp en het Witte Dorp zijn
bekende Eindhovense voorbeelden die ook een plek in de wandelgids hebben
gekregen. Opvallend aspect hierbij is dat Philipsdorp door de fabrieksleiding is
opgezet als een woonwijk voor de arbeiders van de gloeilampenfabriek (het
oorspronkelijke tuindorpideaal), terwijl het Witte Dorp voornamelijk werd bewoond
door hoger personeel, ook van andere lokale industrieën.
Vindplaatsen:
· * Emmelot, Y., &
Karsten, S. (2026). Dwalen door een ideaal : Wandelen langs tuin- en
fabrieksdorpen. Gegarandeerd Onregelmatig, Arnhem. Vindplaats: NGE
H3 EMME 2026
· * Haan, M., Hoek, B. v.,
& Meijden, W. v. d. (2026). Atlas van tuindorpen in Nederland. WBooks,
Zwolle. Vindplaats: NGE J3 HAAN 2026
Verder lezen in:
· * Bikker, L. (1988). ‘Helaas! De holen der menschen’ :
‘geschikte woningen voor de lagere klassen’ : fragmenten uit de geschiedenis
van de fabriekswoonwijken. SDU Uitgeverij, ‘s-Gravenhage. Vindplaats: BRA
J3 HELA 1988
· * Wal, A. v. d. (2013). La Place Dor : een zoektocht naar schoonheid in een fabrieksdorp. Uitgave in eigen beheer, Budel-Dorplein. Vindplaats: BRA Y3 WAL 2013





Geen opmerkingen:
Een reactie posten