Over mij

Mijn foto
De Brabant-Collectie is in 1837 in 's-Hertogenbosch opgericht door het Provinciaal Genootschap van Kunsten en Wetenschappen in Noord-Brabant en wordt sinds 1986 beheerd door de bibliotheek van de Universiteit van Tilburg

donderdag 17 november 2011

Wielewaal

Wielewaal in:
C. Nozeman, M. Houttuyn, C. Sepp, J.C. Sepp:
Nederlandsche vogelen volgens hunne huishouding, aert en eigenschappen beschreeven
KOD 041 G 01
Oriolus, Goudmerel, of Wielewael

Het heldere gele verenkleed en de zwarte vleugels van het mannetje maakt deze vogel duidelijk herkenbaar. Het vrouwtje is iets minder opvallend, maar heeft wel dezelfde verdeling in het verenkleed. Nu zul je de wielewaal eerder horen dan zien. Zijn luide gejodel verraadt zijn aanwezigheid, maar aangezien hij zich ophoudt in boomtoppen is hij vaak zeer lastig te zien. De wielewaal is ook bekend uit het tweestemmige canon van componist Andries Hartsuiker: ‘Komt mee naar buiten allemaal! Dan zoeken wij de wielewaal’ (1927 ). De wetenschappelijke naam voor de wielewaal, Oriolus oriolus, verwijst naar het Latijnse woord aureolus dat ‘van goud gemaakt’ betekent. Nozeman was onder de indruk van het verenkleed van deze vogel:
“Deeze zeer schoone Vogel, die in sterkte van koleuren zooverre van ons gemeene gros afwykt, dat men hem eerder voor eenen Oost- of West-Indischen, dan voor eenen Vaderlandschen, aenzien zou, is omtrent 10 duimen lang.”

In Nozeman’s tijd verschilde men van mening over het classificeren van deze vogel:
“De Natuurhistoriekundigen zyn het niet eens over de plaets, welke men aen deezen fraeijen Vogel in het Samenstelsel van ’t Pluimgedierte hebbe te geeven.”

Na een lang relaas besluit hij:
“Wy verkiezen dan met Klein en Brisson den Goudmerel voor een’ soort van Lyster te boek te stellen, als voldoende in allen deele aen de Geslachts Kenmerken welken ons door den laetsgenoemden zyn opgegeeven.”
Momenteel rekent men de wielewaal tot de familie van wielewalen en vijgvogels (Oriolidae). Bij ons komt van deze familie, die 32 soorten telt, alleen de wielewaal voor. In Nederland staat de wielewaal op de rode lijst.

De wielewaal is de aankondiger van de lente. Nozeman:
“De Wielewaelen koomen in de Lente by ons aenvliegen; en men zegt, dat men voor geene Ryp by nacht meer heeft te vreezen, wanneer men hen verneemt.”
Rupsen behoren tot het favoriete voedsel. Nozeman schrijft:
“Zy aezen in de Lente en Zomer op de Boomruspen, en maeken in dezelven, vooral wanneer zy jongen hebben, ongelooflyk groote slachtingen, neemende niet ééne enkele rusp, maer hunne bekken t’elkens reize gelaeden vol ruspen, 10, 12, te gelyk, en dit hervatten zy dagelyksch aen dezelfden boom, zoolang ‘er van dit aes voor hun op is te vinden.”

De bouw van het nest van de wielewaal is het vernoemen waard. Nozeman omschrijft dit als volgt:
“Het is niet gebouwd op een’ grondslag van takken; maer aen dezelven neder hangende gemaekt. Hy kiest hiertoe, ’t zy aen Ypen- ’t zy aen Peerenboomen (mogelyk ook anderen) zoodanig een’ stevigen tak die zig wel in tweën wyd genoeg van een deelt en op eenen der armen eenige ’t zy leevende ’t zy doode spooren, maer vooruit geene andere belemmerende takken in den weg, heeft. Hy kiest ‘er een die horizontael een weinig krom staet. Zeer konstig vlecht de vogel om den moêrtak, en om de spooren, eenige lange brokjens van Muskovische matten, van fyne greenenhouten krullen, en dorre biezen, ook schaepenwol, zagt stroo, en hooi; en hy maekt dus houvasten voor het verder te bouwene nest, in 3 of 4 plaetsen der rand van deszelfs eene helft: hy neemt deeze bouwstoffen zoo lang van stuk, dat hy ze verder tot het overige werk (dat van vooren of van onderen of op zyden aen niet een eenig takje vast is) kan aenleggen. Hy weet den bovenkant deezer wederhelft zoo te doorvlechten en styf op te zetten, dat de daer uit nederhangende stukken van stroo, krulletjens, en biezen niet losslippen, want deeze byhangsels moeten hem dienen tot vorming van het mandje of den kom, welke het nest uitmaekt. Hy weet hiertoe de einden der gemelden lange byhangsels in een halven cirkel te werken en in de plaetsen der houvasten, door vlechtinge sterk genoeg te verbinden. Dus krygt hy allengskens den aenleg van een nederhangenden Zak, in welken hy dan voorts eene zoldering van linden-voddetjens, brokjens papier, vederen, dorre bladen, krullen, en dergelyke dingen vergadert, buiten om dewelken heen hy nog hier en daer strootjens en biezen legt die, als zooveele banden, dezelven vasthouden.”


Vindplaats: KOD 041 G 01

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen