Over mij

Mijn foto
De Brabant-Collectie is in 1837 in 's-Hertogenbosch opgericht door het Provinciaal Genootschap van Kunsten en Wetenschappen in Noord-Brabant en wordt sinds 1986 beheerd door de bibliotheek van de Universiteit van Tilburg

donderdag 6 september 2012

Ringmus

Ringmus in:
C. Nozeman, M. Houttuyn, C. Sepp, J.C. Sepp:
Nederlandsche vogelen volgens hunne huishouding, aert en eigenschappen beschreeven
KOD 041 G 01 
Fringilla, Passer Arboreus, Boom- of Ring-Musch

De Ringmus lijkt op de Huismus, maar laat zich op een aantal kenmerken goed onderscheiden. Nozeman omschrijft het als volgt:
"Onze Boom- of Ring-Musschen, (zoo geheeten, omdat zy veeltyds in 't Geboomte nestelen, en omdat zy in hunne nekken eene afscheiding hebben van wit gevederte, tusschen de Kastanjebruine Kalot en het verder bekleedsel van den nek; waer door zy, van achteren bezien, zig vertoonen als met een Ring om den hals,) verschillen veel van onze Huis- of Pot-Musschen: Zy zyn veel schuuwer van de menschen, veel wilder van aert, en ook in getal zoo menigvuldig niet, dan deezen... De Ring-Musch is merkelyk kleiner van gestalte, wel mede Kegelvormig, doch op verre nae zoo dik niet, van Bek, als de Huis-Musch; en hy is in verscheide deelen gants anders gekoleurd in zyne vederen."
Andere onderscheidende kenmerken zijn de zwarte vlekken op de verder witte wangen en de zang. Mannetje en vrouwtje hebben hetzelfde verenkleed.

De Ringmus is iets minder een stadsvogel dan de Huismus. Je treft hem vooral aan in agrarische gebieden en dorpen met veel groen. Nozeman zegt hierover:
"Langs onze landwegen en dyken, die met olmen, ypen, of wilgen beplant zyn, ontmoet men de Ringmusschen zeer dikwils, en vooral in de daeraen nevensgeleegene boomgaerden; alwaer zy van de holen, welken zy in allerlye stammen vinden, een gereed gebruik maeken, om 'er hunne nesten in aen te leggen. Evenwel vind ik deeze soort ook vry gemeen in dorpen en gehuchten; daer zy, (misschien uit de tuinen en boomgaerden verjaegd,) tusschen de vorstpannen der schuuren en wooningen, zoo ongenaekbaer hoog als immer mogelyk is, zig ter broedinge nederzetten."

Over het legsel van de Ringmus vertelt Nozeman het volgende:
"De Eijeren (nooit meer dan 6 in getal) zyn vuil wit of graeuw met bruine spatten. Onder dezelven is 'er altoos één, merklyk kleiner dan de anderen: en zoo is ook het jong, welk daer uit voor den dag koomt: Men noemt dit jong het Koningje van het nest."

Vindplaats: KOD 041 G 01

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen